ECLI:NL:HR:1982:AG4418 Hoge Raad , 25-06-1982 / 11937

Huurrecht woonruimte. Wanprestatie door overbewoning kan ontbinding huurovereenkomst rechtvaardigen, ook wanneer overbewoning niet is verboden in het huurreglement.

Source officielle

6 min de lecture 1 284 mots

Inhoudsindicatie. Huurrecht woonruimte. Wanprestatie door overbewoning kan ontbinding huurovereenkomst rechtvaardigen, ook wanneer overbewoning niet is verboden in het huurreglement.

25 juni 1982
Eerste Kamer
Nr. 11.937
AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

In de zaak van:

ARBEIDERSWONINGBOUWVERENIGING " [eiseres] ",

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

EISERES tot cassatie,

advocaat: Jhr.Mr. J.L.R.A. Huydecoper

t e g e n

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: Mr. G.M.M. den Drijver,

PD – Rb 2/2/1979.

1. Het geding in feitelijke instanties

Bij inleidende dagvaarding heeft eiseres tot cassatie (verder aan te duiden als [eiseres] ) de verweerder in cassatie (verder aan te duiden als [verweerder] ) gedagvaard voor de Kantonrechter te Amersfoort en gevorderd de tussen partijen gesloten huurovereenkomst ontbonden te verklaren wegens door [verweerder] gepleegde wanprestatie en [verweerder] te veroordelen de door hem van [eiseres] gehuurde woning aan de Kievitstraat nr. 13 te Baarn te ontruimen.

Nadat [verweerder] tegen die vordering verweer had gevoerd en nadat de Kantonrechter bij tussenvonnis van 22 maart 1978 een comparitie van partijen had bevolen, welke compartitie op 4 april 1978 heeft plaatsgevonden, heeft de Kantonrechter bij eindvonnis van 19 april 1978 de vordering afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [eiseres] zich in hoger beroep voorzien bij de Rechtbank te Utrecht. Na tegen [verweerder] verstek te hebben verleend, heeft de Rechtbank bij vonnis van 1 november 1978 het vonnis van de Kantonrechter van 19 april 1978 vernietigd en de vordering van [eiseres] in hoofdzaak alsnog toegewezen. [verweerder] is tegen dit verstekvonnis bij exploit van 22 november 1978 in verzet gekomen en heeft zijnerzijds incidenteel appel tegen het vonnis van de Kantonrechter ingesteld. [eiseres] heeft hiertegen verweer gevoerd. Na bij tussenvonnis van 30 januari 1980 een comparitie van partijen te hebben bevolen – welke op 28 februari en 5 juni 1980 heeft plaatsgevonden – en bij tussenvonnis van 3 december 1980 nog nadere bij akte te verstrekken inlichtingen te hebben gevraagd, heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 20 mei 1981 in oppositie het verzet van [verweerder] tegen het vonnis van de Rechtbank van 1 november 1978 gegrond verklaard en in het incidenteel appel het vonnis van de Kantonrechter van 19 april 1978 in hoofdzaak bekrachtigd.

Het vonnis van de Rechtbank van 20 mei 1981 is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de vonnissen van de Rechtbank van 30 januari 1980, 3 december 1980 en 20 mei 1981 heeft [eiseres] zich in cassatie voorzien. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen bepleit door hun advocaten.

De mondelinge conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het cassatiemiddel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:

[verweerder] bewoont krachtens een met [eiseres] gesloten huurovereenkomst sedert omstreeks oktober 1977 een woning aan de Kievitstraat nr. 13 te Baarn, welke woning een woonkamer en drie slaapkamers bevat.

Het van de huurovereenkomst deel uitmakende huurreglement bepaalt in het tweede lid van artikel 5: "Huurder zal het gehuurde zelf bewonen en het gehuurde zonder schriftelijke toestemming van verhuurder geheel noch gedeeltelijk kosteloos noch tegen betaling in huur of gebruik afstaan aan personen die niet tot zijn gezinshuishouding behoren".

[verweerder] heeft drie van zijn zonen, namelijk [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , met hun echtgenotes en kinderen gedurende kortere of langere tijd, voor een gedeelte van de tijd gelijktijdig, behalve hemzelf en zijn vrouw in het gehuurde laten wonen, waardoor het voor vier personen bestemde pand gedurende bepaalde perioden door tien personen bewoond werd.

3.2 De Rechtbank is in haar eindvonnis van 20 mei 1981 tot de slotsom gekomen dat de vordering van [eiseres] tot ontbinding van de huurovereenkomst en tot ontruiming moet worden afgewezen. De Rechtbank baseerde dat oordeel op drie gronden:

A. [verweerder] heeft het tweede lid van artikel 5 van het huurreglement niet overtreden, omdat de zonen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] met hun gezinnen geacht konden worden tot de gezinshuishouding van [verweerder] te behoren;

B. als de genoemde bepaling wel gedurende enige tijd overtreden is, is dat niet van voldoende gewicht om de ontruimingsvordering van [eiseres] te kunnen rechtvaardigen;

C. voor zover [eiseres] met het door haar gestelde bedoeld mocht hebben dat [verweerder] zich ook los van de overtreding van genoemde bepaling niet gedragen zou hebben zoals een goed huurder betaamt, heeft [eiseres] onvoldoende feiten gesteld die de vordering zouden kunnen dragen.

3.3 Het middel klaagt er in zijn onderdelen 1 tot en met 5 over dat de Rechtbank heeft geoordeeld dat [betrokkene 1] en diens gezin tot de gezinshuishouding van [verweerder] behoorden op de enkele grond dat [betrokkene 1] en diens gezin in oktober 1977 met [verweerder] meeverhuisd zijn van de Weteringstraat naar de Kievitstraat.

Aan het meeverhuizen van [betrokkene 1] en diens gezin naar het pand-in-kwestie heeft de Rechtbank een feitelijk vermoeden ontleend dat, nu zij niet alleen bij [verweerder] inwoonden in zijn huidige woning, maar dat ook reeds in zijn vorige woning deden, aangenomen mag worden dat zij in gezinsverband met hem samenleven en mitsdien tot zijn gezinshuishouding behoren in de zin van de genoemde bepaling tenzij het tegendeel is gebleken.

Dit oordeel is van feitelijke aard, niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering.

De onderdelen 1 tot en met 5 van het middel falen derhalve.

3.4 Het middel komt echter in zijn onderdelen 6, 7 en 8 terecht op tegen het hiervoor sub 3.2 onder C vermelde oordeel van de Rechtbank.

[eiseres] heeft enige malen in het geding bij Kantonrechter en Rechtbank – o.a. in haar Memorie van Grieven – gesteld dat zij met haar ontruimingsvordering niet zozeer wilde optreden tegen overtreding van een bepaling uit haar huurreglement, maar vooral tegen overbewoning en uitwoning van haar woningbestand. In dat verband heeft zij aangevoerd dat [verweerder] door het gehuurde regelmatig door tien in plaats van door vier personen te doen bewonen, zich aan dergelijke overbewoning schuldig maakte. Een dergelijke overbewoning kan wanprestatie in de zin van artikel 1302 van het Burgerlijk Wetboek opleveren, ook al zou het tweede lid van artikel 5 van het huurreglement niet zijn overtreden. Gezien de inhoud van de gedingstukken is derhalve onbegrijpelijk het oordeel van de Rechtbank dat [eiseres] niet voldoende feiten heeft gesteld om de conclusie te kunnen wettigen dat [verweerder] zich door overbewoning niet heeft gedragen zoals een goed huurder betaamt.

3.5 Het vonnis van de Rechtbank van 20 mei 1981 zal mitsdien moeten worden vernietigd.

Nu tegen de vonnissen van de Rechtbank van 30 januari 1980 en 3 december 1980 geen cassatiemiddel is gericht, kan [eiseres] in haar beroep tegen die vonnissen niet worden ontvangen.

Na verwijzing zal moeten worden onderzocht of en in hoeverre het laten wonen door [verweerder] in het gehuurde van zijn zonen en hun gezinnen, los van het bepaalde in het tweede lid van artikel 5 van het huurreglement, met zich brengt dat [verweerder] zich niet heeft gedragen zoals een goed huurder betaamt.

4 . Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart [eiseres] niet ontvankelijk in haar cassatieberoep voor zover gericht tegen de vonnissen van de Rechtbank te Utrecht van 30 januari en 3 december 1980;

vernietigt het vonnis van die Rechtbank van 20 mei 1981;

verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

compenseert de kosten van het geding in cassatie zo dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Ras als voorzitter, de vice-president Drion en de raadsheren Royer, Van den Blink en Verburgh, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president Ras op 25 juni 1982.


Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.