ECLI:NL:HR:1988:AB8705 Hoge Raad , 04-03-1988 / 7273 rek.nr

Nationaliteitsrecht. Verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap (art. 17 (oud) RWN). Is Staat belanghebbende?

Source officielle

4 min de lecture 663 mots

Inhoudsindicatie. Nationaliteitsrecht. Verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap (art. 17 (oud) RWN). Is Staat belanghebbende?

4 maart 1988

Eerste Kamer

Rek.nr. 7273

HV

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te [plaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: Mr. R.A.A. Duk.

1. Het geding in feitelijke instantie

In maart 1987 heeft verzoekster tot cassatie – verder te noemen [verzoekster] – zich gewend tot de Rechtbank te 's-Gravenhage met het verzoek vast te stellen, dat zij het Nederlanderschap bezit.

De Rechtbank heeft bij tussenbeschikking van 18 mei 1987 de oproeping bevolen van verzoekster, van de Officier van Justitie in het arrondissement 's-Gravenhage, en van de Staat der Nederlanden als belanghebbende.

De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Mok strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

Het cassatieberoep betreft uitsluitend de vraag of de Rechtbank terecht de Staat heeft aangemerkt als belanghebbende bij het door [verzoekster] ingediende verzoek tot vaststelling van haar bezit van het Nederlanderschap op de voet van art. 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap en de Staat terecht als zodanig heeft opgeroepen.

Bij de vraag of iemand al dan niet het Nederlanderschap bezit is, reeds in verband met tal van wettelijke regelingen, het algemeen belang altijd nauw betrokken. Daarom is de Staat de meest aangewezene om, zo daartoe aanleiding is, zich in het algemeen belang te verzetten tegen toewijzing van een verzoek als in art. 17 bedoeld.

Daar komt nog bij dat ingevolge art. 19 van genoemde Rijkswet aan een onherroepelijk geworden beschikking, gegeven met toepassing van art. 17, elk met de uitvoering van enige wettelijke regeling belast orgaan gebonden is.

Tegen deze achtergrond moet de Staat worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van art. 18 en van de art. 429f en 429h Rv., die ingevolge evengenoemde bepaling te dezen van toepassing zijn. Weliswaar is de tussenkomst van het Openbaar Ministerie voorgeschreven en wordt daarover in de Memorie van Antwoord op het ontwerp van de Rijkswet opgemerkt:

"Daardoor is verzekerd dat – zo nodig – het oordeel van de administratie tot gelding kan komen. Niets belet overigens, dat in de procedure een ambtenaar van het Ministerie van Justitie als deskundige wordt gehoord (Bij1. Hand. II 1982-1983, 16947 (R 1181) nr. 7, p. 33)" ,

maar dat doet aan het vorenoverwogene niet af. Het Openbaar Ministerie wordt gehoord, maar is noch vertegenwoordiger van de Staat noch belanghebbende en de in art. 18 lid 2 voorziene beroepsregeling stelt dan ook voor het Openbaar Ministerie beroep in cassatie niet open. Wat er ook verder zij van de in het citaat voorgestelde mogelijkheden om het standpunt van de Staat ter kennis van de rechter te brengen, zij zijn in ieder geval ontoereikend te achten. Bezwaarlijk kan worden aangenomen dat op die manier de Staat zou worden beknot in de mogelijkheid welke deze aan zijn eerder omschreven positie ontleent om als belanghebbende op te treden. De tekst van de wet noopt daartoe niet, evenmin als de wetsgeschiedenis, voormeld citaat daarbij inbegrepen.

Op het vorenoverwogene stuit het middel in al zijn onderdelen af. Opmerking verdient nog, dat het middel in onderdeel 11 terecht de veronderstelling oppert dat de Staat als belanghebbende beroep in cassatie kan instellen, ook indien deze in eerste instantie niet is verschenen. In zoverre derogeert de bijzondere regeling van art. 18 lid 2 van de Rijkswet aan de algemene regeling van art. 426 Rv.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president Martens als voorzitter en de raadsheren Van den Blink, Hermans, Roelvink en Boekman, en in het openbaar uitgesproken door Mr. Hermans op 4 maart 1988.


Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.