ECLI:NL:HR:1997:AA2170 Hoge Raad , 18-06-1997 / 32150
-
3 min de lecture · 488 mots
Inhoudsindicatie. –
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 20 februari 1996 op het verzet van belanghebbende tegen de beschikking van de Voorzitter van de Eerste Meervoudige Belastingkamer van dat Hof betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 1989 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1989 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd. Bij brief van 27 december 1994 heeft belanghebbende de Inspecteur verzocht om herziening van deze aanslag. De brief is door de Inspecteur aangemerkt als een (tweede) bezwaarschrift. In dit bezwaar is belanghebbende bij uitspraak van de Inspecteur niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Bij beschikking van 8 januari 1996 heeft de Voorzitter van voormelde Belastingkamer belanghebbende wegens het niet (tijdig) voldoen van het ter zake van het beroep verschuldigde griffierecht niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep. Het Hof heeft het verzet van belanghebbende tegen die beschikking ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van de klacht In de brief van 27 december 1994 betreffende de aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1989 van de gemachtigde van belanghebbende aan de belastingdienst, gevoegd als bijlage bij het beroepschrift, vermeldt de gemachtigde dat op 6 juni 1994 reeds uitspraak is gedaan over die aanslag, en dat de beroepstermijn inmiddels is verstreken. Voorts wordt in de brief een verzoek gedaan het belastbaar inkomen over 1989 alsnog te herzien. De Inspecteur heeft deze brief als een bezwaar tegen de aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1989 opgevat en belanghebbende op 26 juni 1995 in dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Gezien deze gang van zaken heeft het Hof met juistheid geoordeeld dat bij gegrondverklaring van het verzet het Hof uiteindelijk tot geen andere beslissing zal kunnen komen dan dat de uitspraak op het bezwaar bevestigd zou moeten worden. Hiervan uitgaande kon het Hof zonder schending van enige rechtsregel, om redenen van proceseconomie, het verzet ongegrond verklaren. De klacht kan derhalve niet tot cassatie leiden.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 18 juni 1997 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Bellaart en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...