ECLI:NL:PHR:1984:AC8567 Parket bij de Hoge Raad , 23-10-1984 / 76.533
Bijlmer noodweer. Doodslag en poging tot doodslag; toereikende motivering van het ontslag van rechtsvervolging; geen onjuiste opvatting omtrent noodweerexces.
3 min de lecture · 637 mots
Inhoudsindicatie. Bijlmer noodweer. Doodslag en poging tot doodslag; toereikende motivering van het ontslag van rechtsvervolging; geen onjuiste opvatting omtrent noodweerexces.
Ch
Nr. 76.533
Zitting 29 mei 1984
Mr. Remmelink
Conclusie inzake:
[verdachte]
Edelhoogachtbare Heren,
In deze zaak waarin het Hof in appel gerequireerde vervolgd en in eerste instantie zelfs veroordeeld terzake van (kort samengevat) het schieten met een pistool (voor het hebben waarvan zij geen vergunning had) op twee lieden die haar overvielen om haar van een tas met inhoud te beroven, tengevolge waarvan één der overvallers overleed en de andere gewond) – door de Rechtbank gequalificeerd als: doodslag, poging tot doodslag en verboden vuurwapenbezit, heeft veroordeeld terzake van het wapenbezit, doch haar overigens heeft ontslagen van rechtsvervolging (noodweer-exces), tegen welk arrest de Heer Procureur-Generaal zich van beroep in cassatie heeft voorzien (aangenomen mag worden gelet op de inhoud van de cassatieschriftuur, dat ZEGA zich heeft willen beperken tot het niet-veroordelend gedeelte van het arrest), is één middel van cassatie door de Heer Procureur-Generaal voorgesteld, dat door Mr. Mul, advocaat van gerequireerde, bij pleidooi is tegengesproken.
Wat betreft de bij pleidooi gemaakte opmerking omtrent het niet aangetekend zijn van de datum van indiening van de schriftuur van de Heer Procureur-Generaal door de griffier, hetgeen niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep tot gevolg zou hebben, merk ik op dat mij is gebleken dat op het origineel van de schriftuur wel terdege een dergelijke aantekening voorkomt. De schriftuur is blijkens die aantekening op 27 juni 1983, mitsdien tijdig binnengekomen.
Wat nu het cassatiemiddel betreft betoogt de Heer Procureur-Generaal dat het Hof op te lichtvaardige wijze noodweer-exces heeft aangenomen doordien het college nl. er aan voorbij is gegaan, dat er evidente twijfel bestond omtrent de capaciteiten van gerequireerde om met een vuurwapen om te gaan, waarbij ZEGA er o.m. op wijst, dat zulks is aangevoerd in het requisitoir. Het komt mij voor dat deze grief faalt, aangezien het Hof niet hoeft in te gaan op hetgeen in het requisitoir door het OM wordt aangevoerd (HR 27 november 1973, N3 1974, no. 53) en het Hof voor het overige vrij is in de beoordeling van een en ander. Het Hof heeft zich bovendien over gerequireerdes capaciteiten wel uitgelaten, nl. in deze zin (zie p. 7), dat het oordeelde, dat zij o.m. gezien haar ervaring met vuurwapens in staat was [slachtoffer 1] (een van haar aanvallers) te raken in minder vitale delen van zijn lichaam.
Bij dit alles speelt natuurlijk nog een rol – de Heer Procureur-Generaal vestigt daarop ook de aandacht – dat gerequireerde een vuurwapen bezigde, waarvoor zij geen machtiging had. Nu het Hof evenwel heeft vastgesteld, dat zij zich in de actuele situatie met behulp van een vuurwapen heeft mogen verdedigen (zie p. 6 van het arrest), speelt de vraag, hoe zij aan het vuurwapen kwam een secundaire rol. Het was anders, als zij nog over een redelijk alternatief had beschikt, zoals de agent van politie in HR 11 maart 1983, NJ 1983, no. 468, die een wapenstok bij zich had, doch die in strijd met zijn ambtsinstructie toch zijn pistool trok, doch dat had zij niet, zoals het Hof constateerde (1.c.).Er is hier een verre parallel met de autobestuurder die geen rijbewijs heeft. Die enkele omstandigheid mag nog niet de gevolgtrekking wettigen, dat hij schuld heeft aan de aanrijding.Vgl. HR 30 januari 1962, NJ 1962, no. 162.
Het middel niet aannemelijk achtend concludeer ik tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Voetnoten
- Dat Uw Raad hierover ook zo denkt kan wellicht worden afgeleid uit HR 30 maart 1976, NJ 1976, no. 322.
Zie voorts P.J.M. van den Bergh en A.J. Machielse, APB, 1984, p. 5.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...