ECLI:NL:PHR:2002:AE8466 Parket bij de Hoge Raad , 15-11-2002 / R01/073HR
-
6 min de lecture · 1 243 mots
Inhoudsindicatie. –
R 01/073 HR
Mr. F.F. Langemeijer
Parket, 20 september 2002 kinderalimentatie)
Conclusie inzake:
[De man]
tegen
[De vrouw]
1. De feiten en het procesverloop
1.1. Partijen zijn op 20 juli 1995 met elkander gehuwd. Zij hebben één zoon, geboren op 19 januari 1996. Bij inleidend verzoekschrift d.d. 10 november 1998 heeft verzoeker tot cassatie (de man) aan de rechtbank te Zutphen verzocht de echtscheiding uit te spreken, hem te belasten met het gezag over zijn zoon en te bepalen dat de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding f 500,- per maand zal voldoen.
1.2. De vrouw heeft zich niet verzet tegen de echtscheiding, maar wel tegen het verzoek van de man om hem te belasten met het gezag over de zoon. De vrouw heeft op haar beurt verzocht met het gezag over de zoon te worden belast en te bepalen dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding f 500,- per maand zal voldoen.
1.3. Bij beschikking van 27 januari 2000 heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken en de beslissing omtrent het gezag over de zoon aangehouden in afwachting van een onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming. Ook de beslissingen ten aanzien van de omgang met de zoon en de bijdrage in de kosten van diens verzorging en opvoeding werden aangehouden. Bij beschikking van 7 september 2000 heeft de rechtbank bepaald dat de zoon zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft en dat de man recht heeft op omgang met de zoon overeenkomstig de aanwijzingen van de gezinsvoogd. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van 24 februari 2000 (datum inschrijving echtscheidingsbeschikking) als bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding f 500,- per maand aan de vrouw zal voldoen. Volgens de rechtbank (blz. 3) heeft de man de behoefte van het kind aan de verzochte onderhoudsbijdrage niet betwist en evenmin bestreden dat hij daarvoor voldoende financiële draagkracht heeft.
1.4. De man heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem. Grief I betrof de hoofdverblijfplaats van de zoon, grief II de omgangsregeling en grief III de onderhoudsbijdrage. Ter toelichting op grief I heeft de man o.m. aangevoerd dat de vrouw zonder medische noodzaak de zoon aan een dieet houdt, het kind en anderen in de waan brengend dat er sprake is van ziekte of allergie. Ter toelichting op grief III heeft de man gesteld dat de verzorging en opvoeding van de zoon betaald kunnen worden uit de eigen inkomsten van de vrouw en, daarnaast, dat hij onvoldoende draagkracht heeft. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in appel is namens de man aangevoerd dat de conflicten over de omgangsregeling hun oorzaak hierin vinden dat de vrouw voortgaat met de "ongefundeerde medicalisering" van het kind (het toedienen van homeopathische medicijnen en een dieet) terwijl de noodzaak daarvan niet door regulier medisch onderzoek is aangetoond. Dat is volgens de man ook de reden dat hij geen bijdrage betaalt; de verzochte bijdrage van f 500,- is volgens de man zo hoog gesteld als gevolg van de onnodige toediening van medicijnen(1).
1.5. Het hof heeft op 3 april 2001 de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Namens de man is – tijdig(2) – cassatieberoep ingesteld. De vrouw, ofschoon daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft in cassatie geen verweer gevoerd. Bij brieven van 18 juni resp. 2 juli 2002 heeft de advocaat van de man het procesdossier gecompleteerd.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1. De motiveringsklacht houdt in dat het hof heeft verzuimd in te gaan op de door de man aangevoerde omstandigheden (i) dat de vrouw aan het kind medicijnen toedient wegens door haar veronderstelde klachten, terwijl is gebleken dat het kind volstrekt gezond is en (ii) dat de vrouw in staat is zelf in de kosten van verzorging en opvoeding te voorzien, uit welke omstandigheden de man afleidt "dat van [hem] niet gevergd kan worden kinderalimentatie te betalen in de wetenschap dat de vrouw die gelden gebruikt om het kind psychisch te beschadigen".
2.2. Voor zover de man in zijn laatstgenoemde gevolgtrekking het oog heeft op de matigingsbevoegdheid van art. 1:399 BW, verdient opmerking dat die matigingsbevoegdheid niet geldt voor de onderhoudsbijdrage die de ouder verschuldigd is ten behoeve van een minderjarig kind. Gedragingen van de minderjarige onderhoudsgerechtigde zelf, noch gedragingen van een derde (in dit geval: de moeder) kunnen wettelijk een grond vormen om de in art. 1:404 BW bedoelde bijdrageverplichting te matigen.
2.3. De onder (i) genoemde omstandigheid is door het hof in zijn oordeel betrokken: zie het slot van rov. 4.2. Het hof heeft zich blijkens rov. 4.4-4.5 laten leiden door het rapport d.d. 30 december 1999 van de Raad voor de Kinderbescherming, volgens welk rapport beide ouders – dus ook de moeder – aan het kind materieel en immaterieel kunnen bieden wat hij nodig heeft. In dat rapport(3) worden de standpunten van beide ouders over de verzorging van het kind (met of zonder homeopatische middelen en dieet) breed weergegeven en wordt ook melding gemaakt van inlichtingen die de Raad hierover bij derden, waaronder de behandelende artsen, heeft ingewonnen. De rapportage en de daarna genomen stappen van de gezinsvoogdijinstelling zijn blijkens het proces-verbaal ter terechtzitting besproken. Het lijdt daarom geen twijfel dat het hof deze in zijn oordeelsvorming heeft betrokken. Het hof behoefde niet een beslissing te nemen in het opvoedingsconflict tussen de beide ouders. De beslissing over de omgangsregeling is naar behoren gemotiveerd (rov. 4.9). M.b.t. de hoogte van de verzochte bijdrage heeft de man zijn betwisting volgens het hof onvoldoende toegelicht (rov. 4.11). Dit oordeel is m.i. niet onbegrijpelijk omdat de betwisting van de hoogte uitsluitend samenhing met de bezwaren van de man tegen de wijze waarop het geld door de moeder wordt besteed, namelijk aan medicamenten. Bij pleidooi in appel heeft de man doen stellen dat hij bereid is de hem opgelegde bijdrage aan de gezinsvoogdijinstelling te voldoen, mits men hem garandeert dat die gelden ten goede komen aan het kind(4).
2.4. De onder (ii) bedoelde omstandigheid, de draagkracht van de vrouw, is door het hof in rov. 4.10-4.11 met zoveel woorden in zijn overwegingen betrokken. Het hof heeft beslist dat de vrouw geen draagkracht heeft om, naast de kosten van de feitelijke verzorging die zij reeds voldoet, nog bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding. De klacht dat het hof heeft verzuimd hierop in te gaan, mist dus feitelijke grondslag.
2.5. Het middel noopt m.i. niet tot de beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
1 Proces-verbaal terechtzitting 13 maart 2001 blz. 1. Zie ook de pleitaantekeningen namens de man.
2 Het verzoek is op 5 juni 2001 ter griffie ingekomen. Zie art. 1 Algemene Termijnenwet: 3 en 4 juni 2001 waren de beide Pinksterdagen.
3 Overgelegd als prod. II bij het verweerschrift in appel.
4 Pleitnotities aan de zijde van de man punt 8. Ik laat maar daar, dat de man in zijn inleidend rekest zelf ook een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding groot f 500,- per maand had verzocht.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...