ECLI:NL:PHR:2002:AE8838 Parket bij de Hoge Raad , 03-12-2002 / 01587/01
-
3 min de lecture · 496 mots
Inhoudsindicatie. –
Nr. 01587/01
Mr Jörg
Zitting 1 oktober 2002
Conclusie inzake:
[Verzoeker=verdachte]
1. Verzoeker is door het gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest van 12 juni 2001 ter zake van zware mishandeling veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte gedurende 240 uur in de plaats van zes maanden gevangenisstraf. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en aan verzoeker een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander in de gebruikelijke alternatieve modus. Voor het overige heeft het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.
2. Namens verzoeker heeft mr J.M.C. Wessels, advocaat te Zwijndrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt erover dat het (taalkundig onzijdige) hof (dat door de middelschrijver van het taalkundig vrouwelijke geslacht wordt geacht) bij zijn motivering van de opgelegde straf ten onrechte aansluiting heeft gezocht bij het door de landelijke vergadering van voorzitters van strafsectoren overeengekomen oriëntatiepunt in geval van "het opzettelijk toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel met behulp van een slag- of steekwapen"(1): het door verzoeker gebruikte voorwerp was een bierglas, hetgeen niet valt aan te merken als een steekwapen in de zin van dat oriëntatiepunt.
4. Het middel faalt reeds omdat het kennelijk en ten onrechte ervan uitgaat dat de in het middel bedoelde oriëntatiepunten zijn aan te merken als recht in de zin van artikel 79 RO. Dit betekent dat in cassatie niet met vrucht over een onjuiste toepassing van die oriëntatiepunten kan worden geklaagd. Overigens biedt de tekst van het onderwerpelijke oriëntatiepunt geen enkele steun aan de stelling van het middel, terwijl geen zinnig mens zal willen ontkennen dat een bierglas een van de vreselijkste steekinstrumenten is die men zich kan voorstellen.
5. Het hof heeft bij de straftoemeting uitvoerig stilgestaan bij de gronden waarop het een fors hogere straf passend en geboden achtte dan in eerste aanleg was opgelegd en in hoger beroep werd gevorderd. De bestreden uitspraak voldoet op dit punt aan de daaraan door artikel 358, zevende lid, Sv gestelde eisen. Voor het overige kan het oordeel van het hof omtrent de strafmaat in cassatie niet aan de orde komen.
6. Middelen van het onderhavige kaliber versterken de roep om een verdergaande beperking van de toegang tot de cassatierechter.
7. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 RO ontleende overweging. Gronden waarop Uw Raad ambtshalve de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor de artikelen 300 en 302 Sr, zoals voorgesteld door de Landelijke Commissie voor Straftoemeting en van 28 mei 1999 (zie http://www.rechtspraak.nl onder actualiteiten).
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...