ECLI:NL:GHAMS:2025:1950 Gerechtshof Amsterdam , 09-01-2025 / 23-002458-22
Eenvoudige belediging van een opsporingsambtenaar. Oplegging geldboete, gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij, afwijzing vordering tenuitvoerlegging.
10 min de lecture · 2 013 mots
Inhoudsindicatie. Eenvoudige belediging van een opsporingsambtenaar. Oplegging geldboete, gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij, afwijzing vordering tenuitvoerlegging.
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002458-22
datum uitspraak: 9 januari 2025
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 31 augustus 2022 in de strafzaak onder de parketnummers 13-147461-22 en 23-004259-18 (TUL) tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 januari 2025.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 12 juni 2022 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer] (inspecteur van politie bij de Dienst Infrastructuur Noordwest van de Landelijke Eenheid), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: "hé laat deze Nigger met rust hij gaat je toch niet helpen" en/of "deze nigger denkt dat hij stoer is" en/of "deze nigger gaat je niet helpen", althans (telkens) woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Bewijsoverweging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het enkele gebruik van het woord ‘nigger’ onvoldoende redengevend is voor bewezenverklaring van de tenlastegelegde opzettelijke belediging, en dat het gebruik van dat woord in bepaalde subculturen als normaal en gebruikelijk moet worden geschouwd.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof is van oordeel dat het woord ‘nigger’, mede gelet op de context en de zinnen waarin de verdachte dat woord heeft gebruikt, een uiting met een beledigend karakter is. De verdachte heeft deze term immers meerdere malen in verschillende zinnen met een negatieve of denigrerende strekking gebruikt tegen een zichtbaar in uniform geklede verbalisant in een supermarkt. Daarmee is geen sprake van een (vriendschappelijke) manier van woordgebruik, die dat woord zijn beledigende karakter onder omstandigheden zou kunnen ontnemen. Het hof acht het ten laste gelegde aldus wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 12 juni 2022 te Amsterdam opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer] (inspecteur van politie bij de Dienst Infrastructuur Noordwest van de Landelijke Eenheid), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: "hé laat deze Nigger met rust hij gaat je toch niet helpen" en "deze nigger denkt dat hij stoer is" en "deze nigger gaat je niet helpen", althans (telkens) woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 300,00, subsidiair zes dagen hechtenis.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 500,00, subsidiair tien dagen hechtenis.
De raadsman heeft, in geval van een bewezenverklaring, primair verzocht een voorwaardelijke geldboete op te leggen. Subsidiair heeft hij verzocht de boete te matigen tot een bedrag van € 200,00.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een grove belediging van een opsporingsambtenaar in een supermarkt. Hij heeft de opsporingsambtenaar in zijn eer en goede naam aangetast, op een moment waarop de context niet wees op een zich schrap hoeven zetten in de uitoefening van een – naar algemeen bekend – veel vergende functie. Deze belediging heeft, zo is ter terechtzitting genoegzaam gebleken, de opsporingsambtenaar persoonlijk geraakt. Dergelijke uitlatingen werken bovendien gezagsondermijnend en kunnen ook bijdragen aan gevoelens van onrust en onveiligheid bij personen die daar ongewenst getuige van zijn. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Het hof heeft bij de strafoplegging aansluiting gezocht bij het relevante oriëntatiepunt voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht, waarin voor belediging een geldboete van € 150 wordt genoemd. Dit bedrag kan met 33% tot 100% worden verhoogd indien het feit is begaan tegen een opsporingsambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn of haar bediening. Daarvan is in onderhavig geval sprake. Gelet op de aard van de belediging en het feit dat deze op een plek is geuit waar anderen hiervan getuige (kunnen) zijn geweest, staat het hof als uitgangspunt een hogere straf voor dan de genoemde percentages.
Het hof neemt in strafmatigende zin mee dat de verdachte zich ter terechtzitting rekenschap heeft gegeven van zijn gedrag, en dat hij ter terechtzitting in hoger beroep zijn excuses heeft aangeboden aan de aangever.
Het hof acht, alles afwegende en rekening houden met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en de draagkracht van de verdachte, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 440,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 150,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering integraal wordt toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij, gelet op de bepleite vrijspraak, niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering. Subsidiair heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen, nu onvoldoende is gebleken dat de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad en/of dat hij op een andere wijze in zijn persoon is aangetast in de zin van artikel 6:106 onder b Burgerlijk Wetboek (BW). Meer subsidiair heeft hij zich op het standpunt gesteld dat het door de rechtbank toegewezen bedrag aanzienlijk moet worden gematigd tot een bedrag van € 50,00, onder verwijzing naar een in zijn pleitaantekeningen opgenomen uitspraak.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Grondslag voor vergoeding van de immateriële schade is gelegen in de aantasting van de eer en goede naam van de benadeelde partij. Met het begaan van de bewezenverklaarde gedraging is die aantasting naar het oordeel van het hof gegeven. De verdachte heeft de benadeelde partij immers in het openbaar meermalen een beledigende term toegevoegd. De omvang van de immateriële schade als gevolg van de belediging zal op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid worden geschat op € 150,00. Het hof heeft daarbij aansluiting gezocht bij de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegewezen. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
De vordering zal voor het overige worden afgewezen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat het toegewezen schadebedrag door de verdachte wordt vergoed.
Vordering tenuitvoerlegging
Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van een deel van de bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 28 mei 2020 in de zaak met parketnummer 23-004259-18 voorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, groot twee weken. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot de gedeeltelijke tenuitvoerlegging moet worden toegewezen.
De raadsman heeft verzocht de vordering af te wijzen. Primair heeft hij daartoe gewezen op het verweer strekkende tot vrijspraak. Subsidiair heeft hij daartoe aangevoerd dat tenuitvoerlegging disproportioneel zou zijn, en dat tenuitvoerlegging of omzetting niet opportuun is gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Het hof acht toewijzing van de vordering, mede gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de hieronder vermelde op te leggen straf, niet opportuun. Het hof wijst de vordering daarom af.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 36f, 63, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 300,00 (driehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 150,00 (honderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 150,00 (honderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 3 (drie) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 12 juni 2022.
Wijst af de vordering van het Openbaar Ministerie van 15 juni 2022, strekkende tot tenuitvoerlegging van een deel van de bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 28 mei 2020, parketnummer
23-004259-18, voorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Kengen, mr. M.L.M. van der Voet en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van
mr. M.C. de Rade, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
9 januari 2025.
Mr. Postma is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
proces-verbaal uitspraak
_______________________________________________________________ _ _
[…]
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...