ECLI:NL:GHARL:2025:3549 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 26-05-2025 / 21-000660-24

Bevestiging van het vonnis van de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring, de kwalificatie en de strafbaarheid van verdachte, met aanvulling van gronden. Verwerping van het verweer van de verdediging dat de rechtbank onterecht tot de conclusie is gekomen dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachte ten aanzien van de door medeverdachte gepleegde strafbare...

Source officielle

13 min de lecture 2 707 mots

Inhoudsindicatie. Bevestiging van het vonnis van de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring, de kwalificatie en de strafbaarheid van verdachte, met aanvulling van gronden. Verwerping van het verweer van de verdediging dat de rechtbank onterecht tot de conclusie is gekomen dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachte ten aanzien van de door medeverdachte gepleegde strafbare feiten, waaronder diefstal van een auto. Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 maanden, met aftrek van het voorarrest. Toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen.

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000660-24

Uitspraak d.d.: 26 mei 2025

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van 1 februari 2024 met het parketnummer 08-189654-23 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,

wonende te [adres 1] .

Het hoger beroep

Verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 12 mei 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:

bevestiging van het vonnis van de rechtbank met uitzondering van de strafoplegging;

veroordeling van verdachte ten aanzien van het onder 1, 2 primair, 3 en 4 primair tenlastegelegde tot een gevangenisstraf van 6 maanden met aftrek van het voorarrest;

hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] tot een bedrag van € 20,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en niet-ontvankelijkverklaring voor het overige;

hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] tot een bedrag van € 250,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en niet-ontvankelijkverklaring voor het overige.

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr. R.W. van Faassen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de rechtbank:

verdachte ter zake van het onder 1, 2 primair, 3 en 4 primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 maanden met aftrek van het voorarrest;

de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] toegewezen tot een bedrag van € 20,00 aan materiële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de benadeelde partij [benadeelde 1] voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot schadevergoeding;

de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] toegewezen tot een bedrag van € 250,00 aan materiële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de benadeelde partij [benadeelde 2] voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot schadevergoeding.

Het hof verenigt zich met de beslissing van de rechtbank met betrekking tot de bewezenverklaring, de kwalificatie en de strafbaarheid van de verdachte. Het hof zal het vonnis van de rechtbank in zoverre bevestigen en gelet op een door de verdediging gevoerd verweer, een aanvulling op de gronden aanbrengen. Het hof zal het vonnis ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij vernietigen omdat het tot een andere beslissing ten aanzien van de benadeelde partij komt, waardoor er ook een nieuwe beslissing over de schadevergoedingsmaatregel wordt genomen. In zoverre zal het hof opnieuw recht doen.

Aanvullende bewijsoverweging

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de rechtbank onterecht tot de conclusie is gekomen dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte ] ten aanzien van de door [medeverdachte ] op 30 juli 2023 gepleegde strafbare feiten, waaronder de diefstal van de auto van [slachtoffer] . Volgens de raadsman is sprake van een zodanig lang tijdsbestek tussen het tijdstip van het wegnemen van de auto om 06:55 uur en de achtervolging van deze auto met daarin verdachte en [medeverdachte ] om 08:30 uur, dat niet op basis hiervan de conclusie kan worden getrokken dat verdachte bij de diefstallen aanwezig is geweest respectievelijk met [medeverdachte ] heeft samengewerkt. Verdachte is pas anderhalf uur later aangetroffen in de betreffende auto en had op ieder tussengelegen moment in die auto kunnen stappen. De verklaring van [medeverdachte ] is niet betrouwbaar, nu hij ook over verdachte heeft verklaard “diegene heb mij genaaid”.

Het hof volgt het standpunt van de verdediging niet. Uit de camerabeelden van de woning aan [adres 2] te [plaats] blijkt dat verdachte en [medeverdachte ] zich op 30 juli 2023 rond 05:45 uur samen in de omgeving van de locatie waar de verschillende diefstallen zijn gepleegd, bevonden. Op die beelden is onder meer te zien dat verdachte in een auto kijkt en vermoedelijk aan het portier daarvan voelt en dat [medeverdachte ] naar een deur tegenover de woning op [nummer] loopt, aan de voordeur voelt en even later aan de deuren van de laadruimte van een bestelbusje voelt dat op de oprit geparkeerd staat. Verdachte en [medeverdachte ] zijn samen rond 08:30 uur door een motoragent aangetroffen in een kort daarvoor in de omgeving van de [straat] te [plaats] gestolen auto met daarin de in datzelfde tijdsbestek gestolen spullen. Gelet hierop in samenhang bezien met de bekennende verklaring van [medeverdachte ] en nu verdachte geen verklaring heeft gegeven over waarom hij zich daar op dat moment bevond en over wat hij tussen 05:45 uur en 08:30 uur dan wel zou hebben gedaan en waar hij in die tussenliggende periode dan wel is geweest, is het hof van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden tot de conclusie is gekomen dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte ] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering van de gepleegde strafbare feiten in de ochtend van 30 juli 2023. Het enkele gegeven dat [medeverdachte ] heeft verklaard “Diegene die erbij was heb mij genaaid, meerdere keren, dus ik ga nu ook over hem verklaren”, maakt niet dat de inhoud van zijn verklaring over de betrokkenheid van verdachte onbetrouwbaar is. Het geeft enkel inzicht in een motief om de naam van verdachte te noemen. Het hof verwerpt daarom het verweer van de raadsman.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich samen met [medeverdachte ] op 30 juli 2023 schuldig gemaakt aan het medeplegen van een woninginbraak, het medeplegen van een poging tot een woninginbraak, het medeplegen van diefstal van een auto en het medeplegen van meerdere diefstallen uit auto’s. Verdachte heeft bij het plegen van deze feiten enkel zijn eigen gewin voor ogen gehad en geen rekening gehouden met de gevolgen daarvan voor de slachtoffers. Dergelijke feiten zorgen voor hinder en praktische problemen en dragen bovendien bij aan gevoelens van angst en onveiligheid van slachtoffers en bij de maatschappij in het algemeen. Het gaat om een reeks kwalijke feiten en het hof rekent verdachte dit aan.

Uit een uittreksel uit de verdachte betreffende justitiële documentatie van 10 april 2025 blijkt dat verdachte in het verleden onherroepelijk is veroordeeld voor zowel soortgelijke als andersoortige strafbare feiten. Deze veroordelingen hebben verdachte er niet van weerhouden de bewezenverklaarde feiten te begaan. Dit weegt het hof in het nadeel van verdachte mee. Verder blijkt uit het uittreksel dat verdachte ook ná de bewezenverklaarde feiten (onherroepelijk) is veroordeeld voor het plegen van (soortgelijke en andersoortige) strafbare feiten. Het hof zal hier op grond van het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) rekening mee houden.

Gelet op de ernst en veelheid van gepleegde feiten in combinatie met het ontbreken van het nemen van enige vorm van verantwoordelijkheid voor het handelen van verdachte, acht het hof net als de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een passende straf. Daarbij merkt het hof op dat verdachte geen inzicht heeft verschaft in zijn persoonlijke omstandigheden waardoor het hof, anders dan de verdediging, geen reden ziet om een taakstraf op te leggen. Ook ziet het hof daardoor geen contra-indicaties voor het opleggen van een gevangenisstraf.

Het hof acht, gelet op het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien, oplegging van een gevangenisstraf van 7 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 20,00 aan materiële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij Van der Heide als gevolg van het onder 4 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De opgevoerde schadepost betreffende het contante geldbedrag van € 20,00 is niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden. Het hof zal de vordering daarom toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededader hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor het hele bedrag aansprakelijk is.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 597,50 aan materiële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 250,00.

De benadeelde partij De Vroome heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd. De benadeelde partij, niet voorzien van rechtsbijstand, heeft in zijn wensenformulier vermeld het verzoek tot schadevergoeding te willen aanpassen. Hierbij is aangegeven dat de hoogte van het verzoek tot schadevergoeding wordt verlaagd met € 0,00. De benadeelde partij geeft daarbij aan dat “hij al een gedeelte heeft gekregen en het wel goed is zo.” Het wensenformulier laat enige ruimte voor interpretatie, nu hieruit niet blijkt dat de vordering expliciet en ondubbelzinnig wordt ingetrokken dan wel wordt verlaagd tot het door de rechtbank toegewezen bedrag van € 250,00. Het hof leidt uit het formulier af dat de benadeelde partij zijn vordering handhaaft tot het door de rechtbank toegewezen bedrag, te weten € 250,00.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 4 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De opgevoerde schadepost betreffende het contante geldbedrag van € 250,00 is niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden. Het hof zal de vordering daarom toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededader hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor het hele bedrag aansprakelijk is.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 4 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20,00 (twintig euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 4 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20,00 (twintig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 30 juli 2023.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 4 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 4 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 5 (vijf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 30 juli 2023.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Aldus gewezen door

mr. J.A.M. Kwakman, voorzitter,

mr. F.E.J. Goffin en mr. L. Pieters, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L. Kiemel, griffier,

en op 26 mei 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.


Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.