ECLI:NL:GHARL:2025:3934 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 26-06-2025 / 21-004071-24
Het hof ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging. Gelet op hetgeen in het arrest is overwogen, is het hof van oordeel dat op basis van de overgelegde medische stukken in samenhang met de overige inhoud van het dossier vastgesteld kan worden dat er sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens van verdachte die ook ten tijde van het bewezenverklaarde feit aanwezig was, dat er e...
Calcul en cours · 0
Inhoudsindicatie. Het hof ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging. Gelet op hetgeen in het arrest is overwogen, is het hof van oordeel dat op basis van de overgelegde medische stukken in samenhang met de overige inhoud van het dossier vastgesteld kan worden dat er sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens van verdachte die ook ten tijde van het bewezenverklaarde feit aanwezig was, dat er een causaal verband is tussen deze ziekelijke stoornis en het bewezenverklaarde handelen van verdachte en dat deze stoornis van zodanige aard is dat zij aan enige toerekening van dit handelen aan verdachte in de weg staat.
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004071-24
Uitspraak d.d.: 26 juni 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 12 september 2024 met parketnummer 18-099507-24 (hierna: het vonnis waarvan beroep) in de strafzaak tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
wonende te [woonplaats]
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 12 juni 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot veroordeling van verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaren, in combinatie met een geldboete ter hoogte van € 1.500,00 en toewijzing van de gehele vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,
mr. J.D. Nijenhuis, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De politierechter heeft verdachte bij het vonnis waarvan beroep veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaren, in combinatie met een geldboete ter hoogte van € 1.500,00, subsidiair 25 dagen hechtenis. Verder heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij geheel toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Hierbij heeft de politierechter bepaald dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat een gijzeling voor de duur van negen dagen kan worden toegepast.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere beslissing omtrent de strafbaarheid van de dader komt en daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 22 maart 2024 te [plaats] , zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen ambtenaren, [benadeelde 1] (werkzaam als inspecteur bij de Eenhid Noord-Nederland) en/of [benadeelde 2] (werkzaam als brigadier bij de Eenheid Noord-Nederland), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten met de incidenten afhandeling voor de gemeente [gemeente] en [plaats] belast en/of optreden op basis van artikel 3 Politiewet door
— die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] vast te pakken en/of aan te vallen en/of
— slaande bewegingen te maken richting het hoofd, althans het lichaam van die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of
— zich met kracht in een andere richting te bewegen, dan waar die [benadeelde 1] hem wilde brengen en/of terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten een wond op de vinger en/of geschaafde knieën bij die [benadeelde 1] ten gevolge heeft gehad en/of een wond aan het hoofd en/of geschaafde knieën bij die [benadeelde 2] ten gevolge heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverweging
Het hof acht het aan verdachte ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen op basis van de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. De verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, inhoudende dat hij, toen de politieagenten aankwamen in het café, meteen door hen werd aangevallen met een stroomstootwapen, laat het hof ter zijde nu zijn verklaring op geen enkele wijze door vorenbedoelde bewijsmiddelen of door de overige inhoud van het dossier wordt ondersteund.
Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 22 maart 2024 te [plaats] zich met geweld heeft verzet tegen ambtenaren. [benadeelde 1] (werkzaam als inspecteur bij de Eenheid Noord-Nederland) en [benadeelde 2] (werkzaam als brigadier bij de Eenheid Noord-Nederland), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten met de incidentenafhandeling voor de gemeente [gemeente] en [plaats] belast, door
— die [benadeelde 1] en [benadeelde 2] vast te pakken en aan te vallen en
— slaande bewegingen te maken richting het hoofd van die [benadeelde 1] en [benadeelde 2]
terwijl dit misdrijf lichamelijk letsel, te weten een wond op de vinger en geschaafde knieën bij [benadeelde 1] en een wond aan het hoofd en geschaafde knieën bij [benadeelde 2] , ten gevolge heeft gehad.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
wederspannigheid, terwijl het misdrijf enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft,
meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de verdachte
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte strafbaar is nu hij, hoewel verminderd toerekeningsvatbaar, niet als volledig ontoerekeningsvatbaar dient te worden aangemerkt.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich namens verdachte op het standpunt gesteld dat hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu hij ten tijde van het incident volledig ontoerekeningsvatbaar was.
Oordeel van het hof
Om te beoordelen of het beroep op ontoerekeningsvatbaarheid in de zin van artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht kan slagen, dient het hof allereerst na te gaan of er bij verdachte sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of een ziekelijke stoornis van de geestvermogens ten tijde van het bewezenverklaarde.
In dit kader is van belang dat de raadsman voor de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg per e-mail van 12 juni 2024 verschillende Poolse stukken, en de vertaling daarvan, heeft overgelegd. Deze stukken hebben betrekking op de medische geschiedenis van verdachte. Hieruit komt naar voren dat verdachte al geruime tijd voor het bewezenverklaarde incident gediagnosticeerd was met een bipolaire affectieve stoornis en psychische- en gedragsstoornissen door gebruik van alcohol. Zijn stoornissen gaan volgens de medische stukken onder andere gepaard met levendige emoties, (lichte) prikkelbaarheid, psychomotorische rusteloosheid en waanideeën. Ter behandeling van deze stoornissen is verdachte zes keer opgenomen geweest op de psychiatrische afdeling van een Pools ziekenhuis en is hem medicatie voorgeschreven en absolute onthouding geadviseerd ten aanzien van de inname van alcohol.
De zesde keer betreft de opname van verdachte voor de duur van twee weken op de psychiatrische afdeling van het ziekenhuis. Die vond plaats op 23 maart 2024, één dag na het bewezenverklaarde feit. Tijdens de opname bevond verdachte zich blijkens de overgelegde medische stukken in een manische episode waarbij hij psychotische symptomen en psychomotorisch geagiteerd gedrag vertoonde, hetgeen sinds de voorgaande dag, de dag van het incident, aan de gang was. Verdachte was verward en beweerde dat “drie personen heiligen zijn” en dat hij de dag ervoor “door de duivel en satan was aangevallen” waarbij hij “geslagen was door Nederlandse politieagenten”. (Dit laatste begrijpt het hof als verwijzend naar het bewezenverklaarde incident.)
Mede op grond van deze overgelegde medische stukken en op grond van hetgeen hierna nog wordt overwogen, stelt het hof vast dat er ten tijde van het bewezenverklaarde bij verdachte sprake was van een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens.
Naast het vaststellen van een gebrekkige ontwikkeling of een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bij verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde, is voor een geslaagd beroep op volledige ontoerekeningsvatbaarheid in de zin van artikel 39 Sr vereist dat eveneens een causaal verband tussen de vastgestelde abnormale geestesgesteldheid en het bewezenverklaarde kan worden vastgesteld, en dat de abnormale geestesgesteldheid van zodanige aard is dat het aan toerekening van het bewezenverklaarde aan verdachte in de weg staat. Ten aanzien van de vraag of hiervan in onderhavige zaak sprake is, acht het hof niet alleen het hiervoor ten aanzien van de overgelegde medische stukken overwogene, maar ook de overige inhoud van het dossier van belang.
Zo blijkt uit de verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] , die allen al in het café aanwezig waren voordat de politieagenten aankwamen, dat verdachte, nadat hij water had gedronken aan de bar, opvallend en buiten de norm vallend gedrag vertoonde.
Dit gedrag bestond onder andere uit het rondlopen in het café, het van zeer dichtbij bekijken, het opmeten en het aanraken van de schilderijen die er hingen, waarbij verdachte bij één van de schilderijen met zijn hand een gebaar maakte op dat schilderij alsof je met een telefoon aan het inzoomen bent. Verder nam verdachte met een rolmaat onder andere ook de afmetingen op van de voordeur en de kozijnen van het café. Op enig moment liep verdachte weg en werd hij in de kelder van het café aangetroffen.
Hij werd erop aangesproken door [getuige 2] dat hij daar niet mocht komen. Toen verdachte daarna terug het café inkwam, sloeg de sfeer om. Volgens de getuigen werd verdachte boos en zou hij tijdens een discussie met [getuige 2] diens bril op de grond hebben gegooid.
[getuige 1] heeft verklaard dat hij tussen beiden is gaan staan om de discussie te de-escaleren en dat hij toen “iets in de ogen van verdachte zag”, dat het “leek alsof hij vol met drugs zat” en dat verdachte “met een doorborende blik” naar hem keek.
Ook getuige [getuige 3] verklaart over dit moment dat verdachte naar [getuige 2] keek “met een vreemde blik in de ogen” en dat hij een “raar gevoel” van de verdachte kreeg. [getuige 1] heeft verdachte na diens discussie met [getuige 2] duidelijk gemaakt dat deze het café moest verlaten. Hieraan gaf verdachte echter geen gehoor, waarna [getuige 1] de politie heeft gebeld.
Toen de twee politieagenten (de twee aangevers) het café binnenkwamen liep de situatie echter verder uit de hand. Zo blijkt uit de twee aangiftes van de agenten [benadeelde 1] en [benadeelde 2] dat verdachte, nadat hij door hen werd aangesproken, meteen begon te schreeuwen en wilde dat zij zich gingen identificeren. Ook probeerde hij hen vast te pakken en te slaan.
[benadeelde 1] en [benadeelde 2] beschrijven het gevecht dat toen begon als “een plotselinge geweldexplosie” waarbij het leek alsof verdachte “dwars door hun heen keek” en verdachte in het wilde weg met kracht en met zijn vuisten om zich heen en in hun richting sloeg. Verdachte reageerde niet op het geweld dat de twee agenten op hem toepasten om hem te doen stoppen. Dit terwijl het toegepaste geweld niet van geringe aard was en onder andere bestond uit het daadwerkelijk gebruik van wapenstokken en een stroomstootwapen. Doordat het [benadeelde 1] op enig moment tijdens de worsteling met verdachte was gelukt de meldkamer te bereiken, kwamen nog twee andere politieagenten ter plaatse ter versterking. Eén van deze agenten heeft zijn pepperspray op verdachte gebruikt. Verdachte bleef ook hierna doorworstelen met de agenten, maar was door de pepperspray even voldoende afgeleid, waardoor hij door de agenten kon worden aangehouden en naar het politiebureau kon worden vervoerd.
Toen hij op het politiebureau werd gehoord, hield het vreemde en opvallende gedrag van verdachte nog steeds aan. Zo gaf hij op verschillende vragen van de verbalisant vreemde antwoorden door onder andere te verklaren dat hij bestaat uit “water en zwarte aarde, moeder aarde”, dat hij “naar voren gaat en niet naar achteren”, dat “alleen schapen naar achteren lopen”, dat “zij met een machinegeweer gingen schieten”, dat zijn “hoofd uiteenviel in twee delen” . Verder verklaarde hij: “Ik heb een geheim ontdekt. Mark Rutten“.
Uit een en ander volgt dat verdachte in het café, zowel voor- als nadat er politie ter plaatse kwam, en ook daarna tijdens het politieverhoor en zijn onderzoek in het Poolse ziekenhuis gestoord en ontregeld gedrag heeft vertoond dat totaal niet op zijn omgeving was afgestemd en dat past bij het beeld zoals dit naar voren komt uit de overgelegde medische stukken.
Gelet op het hiervoor overwogene, is het hof van oordeel dat op basis van de overgelegde medische stukken in samenhang met de overige inhoud van het dossier vastgesteld kan worden dat er sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens van verdachte die ook ten tijde van het bewezenverklaarde feit aanwezig was, dat er een causaal verband is tussen deze ziekelijke stoornis en het bewezenverklaarde handelen van verdachte en dat deze stoornis van zodanige aard is dat zij aan enige toerekening van dit handelen aan verdachte in de weg staat.
De in een proces-verbaal van bevindingen vastgelegde verklaring van de GGD-arts die verdachte de ochtend na zijn aanhouding heeft onderzocht, dat verdachte helder antwoord gaf op vragen en dat verder onderzoek niet nodig was en dat er geen aanwijzingen waren dat hij in een psychose zat, maakt dit oordeel van het hof niet anders nu dit slechts een uiterst summiere, niet onderbouwde verklaring betreft die voldoende wordt weerlegd door de overige inhoud van het dossier zoals hierboven uiteengezet.
Het hof is derhalve van oordeel dat verdachte niet strafbaar is ten aanzien van het bewezenverklaarde handelen waardoor hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 450,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen en de benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de inhoud van het dossier is voldoende gebleken dat de benadeelde partij, als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte, rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Deze schade is door de benadeelde partij voldoende onderbouwd en komt voor toewijzing op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) voor toewijzing in aanmerking. Het hof acht het gevorderde bedrag — gezien de aard en de ernst van het handelen van verdachte, de omstandigheden waaronder dit handelen heeft plaatsgevonden en het (psychische) letsel dat de benadeelde partij aan het voorval, blijkens de gegeven onderbouwing, heeft overgehouden — onrechtmatig noch ongegrond en zal de schadevergoeding in dit geval naar billijkheid vaststellen op het gevorderde bedrag. Bovendien is deze schade, in privaatrechtelijke zin, aan verdachte toe te rekenen gelet op het bepaalde in de artikelen 6:162, derde lid, en artikel 6:165, eerste lid, BW. Verdachte is dan ook tot vergoeding van voornoemd bedrag van € 450,00 gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag en vermeerderd met de wettelijke rente, zal worden toegewezen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. In de persoon van verdachte ziet het hof aanleiding om, bij eventuele gebreke van volledig verhaal, de duur van de gijzeling te bepalen op nul dagen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 57 en 181 Sr.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld, verklaart de verdachte niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.
Vordering van de benadeelde partij P. de [benadeelde 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 450,00 (vierhonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 450,00 (vierhonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 22 maart 2024.
Aldus gewezen door
mr. M.C. Fuhler, voorzitter,
mr. J. Hielkema en mr. G.A. Versteeg, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. I.C. Bita, griffier,
en op 26 juni 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Voetnoten
- Zie Hoge Raad 12 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1295.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...