ECLI:NL:GHARL:2025:3940 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 26-06-2025 / 21-005381-24
Het hof heeft verdachte veroordeeld ten aanzien van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten (te weten steeds de mishandeling van een politieagent) tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Verder heeft het hof beslist op de vorderingen van de drie benadeelde partijen.
Calcul en cours · 0
Inhoudsindicatie. Het hof heeft verdachte veroordeeld ten aanzien van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten (te weten steeds de mishandeling van een politieagent) tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Verder heeft het hof beslist op de vorderingen van de drie benadeelde partijen.
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005381-24
Uitspraak d.d.: 26 juni 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 9 december 2024 met parketnummer 18-374934-24 in de strafzaak tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
thans uit anderen hoofde verblijvende in [detentiecentrum] te [plaats 1] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 12 juni 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot veroordeling van verdachte ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van negen weken, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Verder heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot toewijzing van de gehele vordering van [benadeelde partij 1] , de vordering van [benadeelde partij 2] tot een bedrag van € 400,00 en de vordering van [benadeelde partij 3] tot een bedrag van € 400,00, alle vorderingen vermeerderd met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en toepassing van de gijzelingsregeling. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsvrouw, mr. H.W. de Jong, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De politierechter heeft verdachte bij het vonnis waarvan beroep veroordeeld ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van negen weken, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan drie weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Verder heeft de politierechter toegewezen de gehele vordering van [benadeelde partij 1] , de vordering van [benadeelde partij 2] tot een bedrag van € 400,00 en de vordering van [benadeelde partij 3] tot een bedrag van € 427,99, alle vorderingen vermeerderd met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een (deels) andere bewijs- en strafbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 24 november 2024 te [plaats 2] , althans in de gemeente [plaats 2] , een ambtenaar, [benadeelde partij 2] , gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door te bijten in de arm, althans in het lichaam, van [benadeelde partij 2] ;
2.
hij op of omstreeks 24 november 2024 te [plaats 2] , althans in de gemeente [plaats 2] , een ambtenaar, [benadeelde partij 1] , gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening heeft mishandeld door
— meermalen, althans eenmaal, tegen het gezicht, althans tegen het lichaam, van [benadeelde partij 1] te slaan en/of
— [benadeelde partij 1] bij haar kraag te grijpen en/of
— [benadeelde partij 1] naar zich toe te trekken;
3.
hij op of omstreeks 24 november 2024 te [plaats 2] , althans in de gemeente [plaats 2] , een ambtenaar, [benadeelde partij 3] , gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door te bijten in de arm, althans in het lichaam, van [benadeelde partij 3] .
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overweging met betrekking tot het bewijs
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat hetgeen verdachte onder 1 tot en met 3 ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich namens verdachte op het standpunt gesteld dat hetgeen hem onder 1 en 3 ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat verdachte van dit feit vrijgesproken dient te worden nu hij ontkent aangeefster [benadeelde partij 1] (hierna: [benadeelde partij 1] ) te hebben geslagen en het dossier, op enkel de aangifte van [benadeelde partij 1] na, geen aanknopingspunten bevat op grond waarvan vastgesteld zou kunnen worden dat verdachte haar zou hebben geslagen. Zo verklaren de overige aangevers en getuigen hier niet over en kan het bij aangeefster ontstane letsel, binnen de chaotische worsteling waarbij meerdere personen betrokken waren, ook een andere toedracht hebben gehad. Voor zover al wel vastgesteld zou kunnen worden dat het letsel door toedoen van verdachte is ontstaan, ontbreekt het opzet daartoe bij verdachte.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat hetgeen verdachte onder 1 en 3 ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden op grond van de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen en waaronder begrepen verdachtes bekennende verklaring ten aanzien van voornoemde feiten.
Voorts is het hof van oordeel dat het door de raadsvrouw namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde wordt weerlegd door diezelfde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt hiertoe in het bijzonder op de navolgende wijze.
Uit de aangifte volgt dat [benadeelde partij 1] heeft verklaard dat er op enig moment tijdens de insluiting van verdachte een chaotisch gevecht is ontstaan doordat verdachte zich hevig tegen de insluiting begon te verzetten. Dit betrof een gevecht waarbij meerdere politieagenten poogden om verdachte onder bedwang te krijgen en in te sluiten, waarbij, ook door [benadeelde partij 1] , geweldsmiddelen zijn toegepast. Een en ander wordt onder andere bevestigd door de andere aangiftes en door het relaas van [verbalisant] in het proces-verbaal van bevindingen van 25 november 2024. Blijkens de aangifte van [benadeelde partij 1] heeft verdachte haar op enig moment tijdens de worsteling in het gezicht geslagen. Het hof heeft geen aanleiding om aan de inhoud en betrouwbaarheid van deze verklaring te twijfelen. [benadeelde partij 1] heeft namelijk uitgebreid en gedetailleerd verklaard en hierbij, hoewel zij tevens eerlijk aangeeft dat er momenten van het gevecht zijn die zij zich niet helemaal kan herinneren omdat alles snel ging, stellig aangegeven dat verdachte haar in ieder geval één keer in het gezicht heeft geslagen waardoor bij haar pijn en letsel is ontstaan bij haar lip. Bovendien is het hof van oordeel dat deze verklaring, in tegenstelling tot hetgeen door de raadsvrouw is betoogd, voldoende steun vindt in de overige inhoud van het dossier. Het bij [benadeelde partij 1] ontstane letsel, zoals ook blijkend uit de foto’s in het dossier, is namelijk passend bij de door haar beschreven toedracht ervan. Het handelen van verdachte zoals door [benadeelde partij 1] beschreven past bovendien binnen de worsteling en de manier waarop verdachte zich verzette zoals ook blijkt uit de andere aangiftes en de rest van het dossier.
Uit de manier waarop verdachte zich gedurende de worsteling heeft verzet, het geweld dat hij daarbij heeft gebruikt en de toedracht van het letsel zoals [benadeelde partij 1] deze beschrijft, blijkt voorts naar het oordeel van het hof dat de gedraging van verdachte, bestaande uit het slaan van [benadeelde partij 1] in het gezicht, naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht is op een bepaald gevolg – namelijk het pijn of letsel toebrengen aan [benadeelde partij 1] om haar van zich af te krijgen – dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aannemelijke kans op het ontstaan daarvan bewust heeft aanvaard. Derhalve is het hof van oordeel dat ook hetgeen verdachte onder 2 ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.
hij op 24 november 2024 te [plaats 2] een ambtenaar, [benadeelde partij 2] , gedurende en terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door te bijten in de arm van [benadeelde partij 2] ;
2.
hij op 24 november 2024 te [plaats 2] een ambtenaar, [benadeelde partij 1] , gedurende en terzake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening heeft mishandeld door tegen het gezicht van [benadeelde partij 1] te slaan;
3.
hij op 24 november 2024 te [plaats 2] een ambtenaar, [benadeelde partij 3] , gedurende en terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door te bijten in de arm van [benadeelde partij 3] .
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde levert steeds op:
mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende en
ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn of haar bediening.
Strafbaarheid van de verdachte
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte als strafbare dader kan worden aangemerkt nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die hem niet strafbaar zou doen zijn.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich namens verdachte op het standpunt gesteld dat hij ten aanzien van het onder 1 en 3 ten laste gelegde en, naar het hof begrijpt, ook ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde voor zover het hof tot een bewezenverklaring van dit feit komt, dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Hiertoe heeft de raadsvrouw een beroep gedaan op, naar het hof begrijpt, putatief noodweer omdat verdachte ten onrechte, doch verschoonbaar, meende dat hij zich moest verdedigingen tegen de politie, nu hij tijdens het incident, mede door de taalbarrière, niet begreep wat er aan de hand was en hij dacht dat hij zich in een situatie verkeerde waarin hij zich moest verdedigen. Verdachte heeft in het verleden negatieve ervaringen gehad met overheidsinstanties waarbij zonder reden geweld werd toegepast en hij dacht dat dit wederom aan de orde was.
Oordeel van het hof
Het hof stelt voorop dat van putatief noodweer sprake is wanneer een verdachte verschoonbaar dwaalt over het bestaan van een noodweersituatie. De verdachte komt een beroep op putatief noodweer toe indien omstandigheden aannemelijk zijn geworden die hem redelijkerwijs aanleiding konden geven te veronderstellen dat hij werd aangevallen, dan wel dreigde te worden aangevallen, en daarbij redelijkerwijs mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze zoals hij dat ook heeft gedaan. Hierbij dient in aanmerking te worden genomen of de gemiddelde burger, geplaatst in de situatie van de verdachte, ook in de veronderstelling zou hebben verkeerd dat hij werd aangevallen of dreigde te worden aangevallen.
In dit kader acht het hof de volgende feiten en omstandigheden uit het dossier van belang. Verdachte is op 24 november 2024 door de politie in zijn woning in het asielzoekerscentrum in [plaats 3] aangehouden naar aanleiding van een aangifte van mishandeling. Hierbij werd door de politieagenten, waaronder [benadeelde partij 1] , met verdachte gecommuniceerd in de Engelse taal omdat door hen werd geconstateerd dat hij deze taal in voldoende mate beheerste om hen te kunnen begrijpen. Hierbij werd verdachte ook medegedeeld waarvan hij verdacht werd en dat hij daarom werd aangehouden. Tijdens de aanhouding en eigenlijk vanaf het eerste moment werkte verdachte niet mee en luisterde hij niet naar de aanwijzingen van de agenten. Verdachte haalde desgevraagd niet zijn handen uit zijn zakken, liep niet met de agenten mee, waardoor hij geboeid moest worden, en klikte, tijdens het vervoer in de dienstvoertuig naar het cellencomplex, steeds de gordel los.
Eenmaal aangekomen bij het cellencomplex te [plaats 2] leek verdachte wat te zijn bedaard. Hij stapte rustig uit het dienstvoertuig en liep aanvankelijk rustig met [benadeelde partij 1] mee richting de fouilleringsruimte. Toen [benadeelde partij 1] hem echter in de fouilleringsruimte wilde geleiden, bleef verdachte staan en blokkeerde zo het pad naar de ruimte. Toen verdachte eenmaal, door een duw voorwaarts van [benadeelde partij 1] , in de ruimte stond en door de arrestantenverzorger aldaar gefouilleerd zou worden, ging hij weer in discussie met de agenten en draaide hij steeds weg. Hierdoor besloten de agenten hem naar zijn cel te begeleiden om hem daar gemakkelijker te kunnen fouilleren. Hierbij liepen [benadeelde partij 1] , [verbalisant] (hierna: [verbalisant] ), aangever [benadeelde partij 2] (hierna: [benadeelde partij 2] ) en drie (andere) arrestantenverzorgers mee.
Eenmaal in de cel ging verdachte op zijn knieën voor het bed zitten zodat de arrestantenverzorgers de handboeien af konden doen om hem goed te kunnen fouilleren. De overige agenten bevonden zich op dat moment nog buiten de cel. Verdachte stribbelde echter zo tegen dat hij door de arrestantenverzorgers gefixeerd moest worden. Toen de handboeien eenmaal af waren om verdachte van zijn jas te kunnen ontdoen en hem verder te kunnen fouilleren, begon verdachte zich nog heviger te verzetten waarbij het hem lukte om zijn arm los te krijgen. Hierdoor voegden de overige agenten zich ook bij het gezelschap in de cel zodat zij hun collega’s te hulp konden te schieten. In de chaotische situatie die daardoor ontstond, probeerden de agenten de verdachte te fixeren zodat zij weer de controle over de situatie zouden krijgen. Tijdens deze worsteling probeerde verdachte onder andere om de agenten te bijten, waarbij het hem lukte om [benadeelde partij 2] in zijn arm te bijten. Desondanks lukte het de agenten om verdachte onder controle te krijgen door hem op zijn knieën voor het bed te laten zitten, waarna zij, persoon voor persoon, de cel probeerden te verlaten om verdachte in te sluiten. Nog voordat het lukte om de celdeur te sluiten, sprong verdachte ertussen en is het hem gelukt om in de gang, voor de celdeur, terecht te komen. Hierna is er een hevige en chaotische worsteling ontstaan tussen de zes agenten en verdachte waarbij de agenten verdachte steeds een aantal keren met de nodige moeite wisten te fixeren en in de cel wisten te krijgen, maar waarbij het daadwerkelijk insluiten van verdachte niet lukte omdat hij steeds het dichtdoen van de celdeur wist te voorkomen. Tijdens de verschillende fixatiemomenten kwam verdachte het ene moment weer tot rust, wat bij de agenten de indruk wekte dat de insluiting op dat moment zou gaan lukken, maar sloeg hij daarna weer volledig om en begon zich weer hevig te verzetten of op de agenten af te komen. Ook begon verdachte op enig moment tijdens de worsteling te gillen, volgens [verbalisant] en [benadeelde partij 1] leek het toen alsof hij in paniek was, waardoor de agenten hem de ruimte gaven. Hierdoor werd verdachte even wat rustiger om vervolgens weer op de agenten af te komen. De worsteling met verdachte was dusdanig hevig dat de agenten besloten om hun wapenstok in te zetten, maar ook dit had niet het gewenste effect. Tijdens de worsteling is het verdachte bovendien gelukt om onder andere een wapenstok van een van de agenten af te pakken, aangevers [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 2] te bijten en [benadeelde partij 1] in het gezicht te slaan.
Onder voornoemde omstandigheden, waarbij het verdachte vanaf het begin duidelijk moet zijn geweest dat hij met de politie te maken had, dat hij werd aangehouden op grond van een aangifte betreffende mishandeling en dat hij hieraan moest meewerken ook al was hij het er niet mee eens, terwijl hij zich desondanks vanaf het begin van de aanhouding, maar ook later toen hij daarvoor op meerdere momenten tijdens de worsteling in het cellencomplex de kans en ruimte kreeg, tegenwerkte en agressief heeft opgesteld, is er naar het oordeel van het hof geen sprake van een situatie waarin de verdachte ten tijde van de hem verweten handelingen redelijkerwijs kon veronderstellen dat hij onrechtmatig werd of dreigde te worden aangevallen en daarbij redelijkerwijs mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze zoals hij dat heeft gedaan. Dat verdachte in het verleden slechte ervaringen heeft gehad met overheidsinstanties doet hieraan niet af nu het hof bij de toetsing van het beroep op putatief noodweer dient na te gaan of de gemiddelde burger, geplaatst in de situatie van de verdachte, ook in de veronderstelling zou hebben verkeerd dat hij (onrechtmatig) werd of zou worden aangevallen en dit, gelet op het hiervoor overwogene, niet aan de orde is. Derhalve verwerpt het hof het verweer van de raadsvrouw en zal het hof verdachte strafbaar verklaren nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die hem niet strafbaar zou doen zijn.
Oplegging van straf
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft hierbij in het bijzonder het navolgende in ogenschouw genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van drie politieagenten gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening door hen te bijten, dan wel in het gezicht te slaan. Door aldus te handelen heeft verdachte niet enkel een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de drie politieagenten, die niets anders deden dan hun werkzaamheden uitvoeren, maar ook laten zien geen respect te hebben voor het openbaar gezag. Daarbij weegt het hof eveneens mee dat er bij de aanhouding en insluiting van verdachte sprake was van een mogelijke taalbarrière tussen hem en de agenten en dat het incident mede gekleurd werd door negatieve ervaringen met overheidsinstanties, die verdachte in het verleden in zijn land van herkomst heeft gehad.
Het hof weegt bij de strafoplegging mee dat uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 9 mei 2025 van verdachte blijkt dat deze niet eerder onherroepelijk is veroordeeld. Op basis van dit uittreksel stelt het hof eveneens vast dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) van toepassing is.
Het hof heeft ook acht geslagen op de reclasseringsrapport van 26 november 2024 dat met betrekking tot verdachte door Reclassering Nederland is opgemaakt.
Het hof houdt daarnaast rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep van 12 juni 2025 naar voren zijn gekomen. Gebleken is dat verdachte momenteel in vreemdelingendetentie zit en dat er kennelijk aan het uitzetten van verdachte wordt gewerkt.
Gelet op het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat, anders dan door de advocaat-generaal gevorderd, passend en geboden is de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van zes weken met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
Vorderingen van de benadeelde partijen
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 425,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 400,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
Immateriële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting en uit het dossier is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte, gelet op de aard en ernst ervan en op de door de benadeelde partij geschetste gevolgen van dat handelen van verdachte, rechtstreeks immateriële schade — in de zin van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ — heeft geleden. Het hof waardeert die schade naar billijkheid op een bedrag van € 400,00. Verdachte is dan ook tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente, zal worden toegewezen. Voor het overige zal het hof de vordering van de benadeelde partij afwijzen.
Schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de toegewezen schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna, in het dictum, te noemen wijze.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 658,90, bestaande voor € 258,90 uit materiële en voor € 400,00 uit immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
Immateriële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting en uit het dossier is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte gelet op de aard en ernst ervan en op de door de benadeelde partij geschetste gevolgen van dat handelen van verdachte, rechtstreeks immateriële schade — in de zin van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ — heeft geleden tot een bedrag van € 400,00. Dit bedrag acht het hof billijk en is bovendien door de verdediging niet betwist. Verdachte is dan ook tot vergoeding van die schade, vermeerderd met de wettelijke rente, gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting en uit het dossier is het hof eveneens voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 258,90 (kosten vervanging leesbril). Anders dan door de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep betoogd, is het hof van oordeel dat er een causaal verband kan worden aangenomen tussen het bewezenverklaarde handelen van verdachte ten opzichte van de benadeelde partij en het ontstaan van de materiële schade nu dit handelen van verdachte, de oorzaak is geweest voor het vallen en beschadigen van de leesbril van de benadeelde partij. Derhalve is verdachte ook tot vergoeding van deze materiële schade gehouden zodat de vordering ook tot dat bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente, zal worden toegewezen.
Schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de toegewezen schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna, in het dictum, te noemen wijze.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 452,99. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen en bestaat uit een materiele schade van € 27,99 voor een horlogebandje en € 425,00 aan immateriële schade.
Immateriële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting en uit het dossier is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde handelen van verdachte gelet op de aard en ernst ervan en op de door de benadeelde partij geschetste gevolgen van dat handelen van verdachte, rechtstreeks immateriële schade — in de zin van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ — heeft geleden. Het hof waardeert die schade naar billijkheid op een bedrag van € 400,00. Verdachte is dan ook tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente, zal worden toegewezen. Voor het overige zal het hof het deel van de vordering die betrekking heeft op de immateriële schade van de benadeelde partij afwijzen.
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting en uit het dossier is het hof eveneens voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 27,99. Verdachte is ook tot vergoeding van deze materiële schade gehouden zodat deze vordering ook vermeerderd met de wettelijke rente, zal worden toegewezen.
Schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de toegewezen schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna, in het dictum, te noemen wijze.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 63 en 300 Sr.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) weken.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, Sr bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 8 (acht) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 24 november 2024.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 658,90 (zeshonderdachtenvijftig euro en negentig cent) bestaande uit € 258,90 (tweehonderdachtenvijftig euro en negentig cent) materiële schade en € 400,00 (vierhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 658,90 (zeshonderdachtenvijftig euro en negentig cent) bestaande uit € 258,90 (tweehonderdachtenvijftig euro en negentig cent) materiële schade en € 400,00 (vierhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 13 (dertien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 24 november 2024.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 427,99 (vierhonderdzevenentwintig euro en negenennegentig cent) bestaande uit € 27,99 (zevenentwintig euro en negenennegentig cent) materiële schade en € 400,00 (vierhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3] , ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 427,99 (vierhonderdzevenentwintig euro en negenennegentig cent) bestaande uit € 27,99 (zevenentwintig euro en negenennegentig cent) materiële schade en € 400,00 (vierhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 8 (acht) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 24 november 2024.
Aldus gewezen door
mr. G.A. Versteeg M.C. Fuhler, voorzitter,
mr. J. Hielkema en mr. M.C. Fuhler, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. I.C. Bita, griffier,
en op 26 juni 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...