ECLI:NL:GHARL:2025:4304 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 11-07-2025 / 21-001831-23
Bevestiging van het vonnis van de rechtbank met uitzondering van de straf en met aanvulling en verbetering ten aan zien van de bewijsmiddelen, de bewijsmotivering en de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3].
12 min de lecture · 2 558 mots
Inhoudsindicatie. Bevestiging van het vonnis van de rechtbank met uitzondering van de straf en met aanvulling en verbetering ten aan zien van de bewijsmiddelen, de bewijsmotivering en de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3].
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001831-23
Uitspraak d.d.: 11 juli 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 30 maart 2023 met parketnummer 18-131139-21 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 18-730040-18 in de strafzaak tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
wonende te [adres] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 27 juni 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot
veroordeling van verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 472 dagen, waarvan 360 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met als bijzondere voorwaarden gesteld de voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd in het advies van 3 maart 2023, in combinatie met een taakstraf van 240 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 120 dagen hechtenis;
toewijzen van de gehele vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] , vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
gedeeltelijke toewijzing van de vordering van benadeelde partij [benadeelde 2] tot een bedrag van € 1.250,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
afwijzing van de vordering van benadeelde partij [benadeelde 2] voor het overige;
niet-ontvankelijkverklaring van benadeelde partij [benadeelde 3] in zijn vordering;
afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. W.G. ten Have, waarnemend voor mr. A. Faber, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank heeft verdachte bij het vonnis waarvan beroep veroordeeld ter zake van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van 472 dagen, waarvan 360 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met als bijzondere voorwaarden gesteld de voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd in het advies van 3 maart 2023, in combinatie met een taakstraf van 240 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 120 dagen hechtenis. Verder heeft de rechtbank de vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] geheel en de vordering van benadeelde partij [benadeelde 2] gedeeltelijk, namelijk tot een bedrag van € 1.250,00 aan immateriële schade, toegewezen, beide vorderingen vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank heeft de vordering van benadeelde partij [benadeelde 2] voor het overige afgewezen. Ook de vordering tot tenuitvoerlegging heeft de rechtbank afgewezen.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank grotendeels op juiste gronden en wijze heeft beslist. Ten aanzien van de straf komt het hof tot een deels andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd. Verder ziet het hof aanleiding om het vonnis van de rechtbank ten aanzien van de gebezigde bewijsmiddelen en de bewijsoverweging aan te vullen en te verbeteren, alsmede om een aanvulling te maken betreffende de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] waarop niet is beslist door de rechtbank. Zodoende zal het hof het vonnis, met uitzondering van de strafbeslissing, bevestigen met aanvulling en verbetering van de gronden.
Aanvulling en verbetering van de gebezigde bewijsmiddelen betreffende het onder 1 ten laste gelegde
Het hof is van oordeel dat de door de rechtbank gebezigde en uitgewerkte bewijsmiddelen in zoverre dienen te worden verbeterd dat het door de rechtbank onder nummer vier uitgewerkte bewijsmiddel wordt geschrapt. Ook dienen de gebezigde bewijsmiddelen zodanig te worden aangevuld dat zij mede omvatten drie nieuwe (vierde, vijfde en zesde) bewijsmiddelen die als volgt luiden:
“4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 april 2021, opgenomen op pagina 797 e.v. van het in het vonnis genoemde dossier, inhoudende als verklaring van [naam] , zakelijk weergegeven:
V: Wat voor voertuigen had u op naam staan in mei 2019?
A. Opel Corsa. Dus ja…. ik weet het niet. Ik weet alleen het kenteken niet. Het was een uit 2001 dus volgens mij zat er een G in het kenteken. Die heb ik ook in mei verkocht want die remde niet meer.
V: Mei 2019?
A: Ja, klopt. Die Corsa heb ik gekocht in december met het oog op dat [verdachte] tussen [plaats] en mij heen en weer kon rijden.
V: U gaf net aan de Opel Corsa, u lachte een beetje.
A: Ja dat was ook op dat filmpje een Opel Corsa. Ik had een grijze Opel Corsa, die stond op mijn naam. Ik weet niet wat hij daar allemaal mee heeft gedaan.
V. In 2019 stond [verdachte] ook bij u ingeschreven. Van wat voor vervoersmiddelen maakte hij toen gebruik?
A: Hij ging naast de Opel Corsa ook wel met de trein.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 mei 2021, opgenomen op pagina 195 e.v. van het in het vonnis genoemde dossier, inhoudende als relaas van de verbalisant, zakelijk weergegeven:
Ik, verbalisant, [verbalisant] , [functie] , verklaar het volgende:
Naar aanleiding van de overval op [tankstation] aan [adres] op maandag 06 mei 2019 omstreeks 07:45 uur heeft [getuige] zich gemeld die wat meer kon vertellen over het voertuig waarin de overvallers reden. Dit was een Opel Corsa.
6. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting in eerste aanlag op 16 maart 2023, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ten tijde van de overval beschikte mijn moeder inderdaad over een Opel Corsa. Die auto had ik in gebruik om vanuit het westen naar mijn moeder te gaan.”
Verder dient het door de rechtbank onder nummer één uitgewerkte bewijsmiddel te worden aangevuld, in die zin dat het mede omvat:
“Zij zijn weer via [autobedrijf] weggerend, waar zij ook vandaan kwamen. Ik heb toen mijn bril gezocht en deze weer opgezet. Ik ben daarna naar buiten gegaan om te kijken waar zij naartoe zijn gegaan. Ik zag toen dat zij in een auto zijn gestapt die naast de inrit van [autobedrijf] zit. Dit is aan [adres] . Wat ik over de auto kan zeggen, is dat het een klein model auto is.”.
Ten slotte dient het door de rechtbank onder nummer twee uitgewerkte bewijsmiddel te worden aangevuld, in die zin dat het mede omvat:
“M: Hey mam.
N: Mm.
M: Hoor je mij?
N: Ja.
M: He eh, luister, je moet maandag daar echt niet heen gaan, want ik zit even zo te denken.
N: Ik ga niet heen.
M: Nee, maar ze kunnen jou ook in voorarrest nemen namelijk.
N: Hoe bedoel je?
M: Nou omdat zij denken dat jij meer weet omdat zij denken dat jouw auto daar bij is geweest.
N: Ja, dat kan.
(…)”.
Verbeteringen van de bewijsoverweging ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde
Het hof is van oordeel dat de bewijsoverweging van de rechtbank ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde dient te worden verbeterd in zoverre dat de zin: “Voorts vinden de verklaringen van deze getuige ondersteuning in hetgeen [naam] , destijds een kennis/vriend van verdachte, heeft verklaard; hij heeft verdachte op de betreffende beelden ook aan zijn houding en loopje herkend.” dient te worden vervangen door: “Voorts vinden de verklaringen van deze getuige ondersteuning in de overige inhoud van het dossier, waaronder met name de door de rechtbank uitgewerkte en door het hof verbeterde en aangevulde bewijsmiddelen.”.
Verder heeft de raadsman in hoger beroep, in aanvulling op zijn standpunt in eerste aanleg, aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de grijze Opel Corsa, die verdachte ten tijde van het onder 1 tenlastegelegde van zijn moeder leende, gebruikt is om te vluchten na de betreffende overval. Het hof volgt de raadsman niet in zijn standpunt, nu het gezien de inhoud van de door de rechtbank uitgewerkte en door het hof verbeterde en aangevulde bewijsmiddelen, alsmede gezien het door de rechtbank en het hof overwogene, niet anders kan zijn dan dat de betreffende Opel Corsa bij de vlucht is gebruikt. Dat getuige [getuige] heeft verklaard dat hij meende dat de vluchtauto die hij heeft waargenomen lichtblauw was, maakt dit oordeel van het hof, gelet op het beperkte verschil tussen de beide kleuren, niet anders.
Oplegging van straf
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft hierbij in het bijzonder het navolgende in ogenschouw genomen.
Verdachte heeft zich samen met zijn mededader schuldig gemaakt aan een overval op een tankstation waarbij een wapen en (bedreiging met) geweld zijn gebruikt tegenover de aanwezige werknemer. Verder heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan een overval op een pizzakoerier op de openbare weg, waarbij hij de koerier met stokken en geweld heeft gedreigd. De verdachte heeft door het bedreigende en gewelddadige karakter van zijn handelen niet enkel bij de aangevers — die beiden op dat moment slechts hun werk aan het uitvoeren waren — gevoelens van onveiligheid en angst veroorzaakt, maar ook bij de buurtbewoners en de maatschappij. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft verdachte geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en de gevolgen ervan voor de aangevers en de samenleving.
Het hof weegt bij de strafoplegging mee dat uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 23 mei 2025 van verdachte blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor (soortgelijke) strafbare feiten. Het hof stelt op basis van het uittreksel eveneens vast dat de artikelen 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) van toepassing is.
Het hof heeft eveneens acht geslagen op de reclasseringsadviezen van 28 mei 2021, 30 augustus 2021, 3 maart 2023 en 23 juni 2025, die met betrekking tot verdachte door [Verslavingszorg] zijn opgemaakt.
Het hof heeft ook meegewogen de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep van 27 juni 2025 naar voren zijn gebracht. Verdachte verblijft sinds december 2024 in een kliniek van Trajectum in [plaats] . Hier wordt hij behandeld voor zijn verslavingsproblematiek en psychische stoornissen. Verdachte neemt zijn behandeling serieus en hij probeert zijn leven te beteren. Tegelijkertijd heeft hij wel veel begeleiding nodig. Ook heeft hij nog het gevoel dat hij op dit moment of in de nabije toekomst niet in staat zal zijn om zonder begeleiding de juiste keuzes te maken. Dit heeft er met name mee te maken dat verdachte nog moeite heeft met het omgaan met stressvolle situaties in zijn leven. Op dergelijke momenten valt hij daarom nog terug in het middelengebruik. Wanneer verdachte is uitbehandeld, hoopt hij voor zes dagen in de week aan de slag te kunnen als schilder binnen het bedrijf van zijn jongere broer. Zo heeft hij afleiding en zou hij minder geneigd zijn om verdovende middelen te gebruiken.
Gelet op het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat passend en geboden is de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 472 dagen, waarvan 360 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, in combinatie met een taakstraf van 240 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 120 dagen hechtenis. Ter terechtzitting in hoger beroep en uit voornoemd uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte is gebleken dat de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland verdachte reeds bij vonnis van 7 juni 2024 (parketnummer 18-023338-24) bijzondere voorwaarden heeft opgelegd. Onder deze bijzondere voorwaarden vallen onder andere, kort gezegd, de verplichting tot klinische en ambulante behandeling en de verplichting tot begeleid wonen. Daarom zal het hof, anders dan door de rechtbank gedaan en door de advocaat-generaal gevorderd, in onderhavige zaak afzien van de oplegging van bijzondere voorwaarden. Een en ander sluit eveneens aan bij het meest recente advies van de reclassering van 23 juni 2025 waarin is geadviseerd om bij een (deels) voorwaardelijke veroordeling geen bijzondere voorwaarden op te leggen.
Aanvulling en verbetering betrekking hebbend op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 217,00 aan materiële schade. De rechtbank heeft bij het vonnis waarvan beroep geen beslissing genomen op voornoemde vordering van de benadeelde partij. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van zijn oorspronkelijke vordering.
Het hof is van oordeel dat ten onrechte niet op de vordering van de benadeelde partij, die zich in het strafproces heeft gevoegd, is beslist. Daarom acht het hof het noodzakelijk om het vonnis op dit punt te verbeteren en aan te vullen, in die zin dat het hof van oordeel is dat de benadeelde partij niet in zijn vordering kan worden ontvangen. De vordering heeft namelijk geen betrekking op enig bewezenverklaard (of tenlastegelegd) handelen van verdachte. Het hof zal wel bepalen dat de benadeelde partij zijn vordering in de toekomst eventueel bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 312 en 317 Sr.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 472 (vierhonderdtweeënzeventig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 360 (driehonderdzestig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door
mr. A.H. toe Laer, voorzitter,
mr. T.H. Bosma en mr. L.G. Wijma, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. I.C. Bita, griffier,
en op 11 juli 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...