ECLI:NL:GHARL:2025:6998 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 13-05-2025 / 21-001869-22
Onderzoek 26Eufaula. Hoofdverwijt: deelneming aan een criminele organisatie. Afdoening door middel van procesafspraken.
19 min de lecture · 4 136 mots
Inhoudsindicatie. Onderzoek 26Eufaula. Hoofdverwijt: deelneming aan een criminele organisatie. Afdoening door middel van procesafspraken.
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001869-22
Uitspraak d.d.: 13 mei 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 26 april 2022 met parketnummer 08-960016-20 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,
wonende te [adres] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 2 juli 2024, 1 april 2025 en 29 april 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en haar raadsvrouw, mr. A. Stronkhorst, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank heeft verdachte voor – kort gezegd – de eendaadse samenloop van deelname aan een criminele organisatie, zoals onder 1 en 2 ten laste is gelegd veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaren.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt. Daarom zal het hof opnieuw rechtdoen. Daarbij is rekening gehouden met de tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken.
Procesgang
Onderzoek 026Eufaula kende in eerste aanleg zeventien verdachten. Vijftien van hen zijn in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van de rechtbank.
Op 2 juli 2024 vond in alle vijftien zaken een regiezitting plaats voor het bespreken van de onderzoekswensen. Bij tussenarrest van 20 september 2024 heeft het hof in elf van de zaken het volgende overwogen.
“Tijdens de regiezitting van 2 juli 2024 is de mogelijkheid van het maken van procesafspraken tussen het openbaar ministerie en de verdediging ter sprake gekomen. Het hof heeft op 16 augustus 2024 het voorstel zoals dat door het openbaar ministerie aan de verdediging is voorgelegd ontvangen. Vervolgens heeft de advocaat-generaal op 13 september 2024 aan het hof bericht dat overeenstemming is bereikt over procesafspraken.
Het hof heeft echter nog niet de daadwerkelijk gemaakte afspraken op schrift, getekend door zowel het openbaar ministerie als de verdediging, ontvangen.
Gelet evenwel op de uit de berichtgeving van het openbaar ministerie blijkende intenties van zowel het openbaar ministerie als de verdediging, zal het hof, vooruitlopend op de ontvangst van een getekend exemplaar van de procesafspraken, (vooralsnog) geen beslissing nemen op de onderzoekswensen zoals tijdens de regiezitting van 2 juli 2024 gedaan, maar het onderzoek heropenen en bepalen dat dit tegen een nog nader te bepalen terechtzitting zal worden hervat teneinde verder af te doen. Het hof streeft er daarbij naar alle zaken binnen het onderzoek Eufaula waarin thans sprake is van (mogelijke) procesafspraken op dezelfde dag(en) te plannen.”
De andere vier zaken zijn naar het kabinet van de raadsheer-commissaris verwezen voor nader onderzoek, waaronder het horen van getuigen. Naderhand zijn in twee van die verwezen zaken eveneens procesafspraken gemaakt. Op 1 april 2025 zijn de in totaal dertien zaken in aanwezigheid van de betreffende verdachten en hun raadslieden op zitting behandeld.
De tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 28 februari 2015, te [plaats] , [gemeente] , althans (elders) in Nederland,
heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, waartoe zij, verdachte en/of haar mededader(s) en/of één of meer andere perso(o)n(en), behoorden,
welke organisatie het oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid en/of 10a eerste lid, te weten
— het (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van één of meer hoeveelheden cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en heroïne middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, in elk geval (telkens) (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of
— het (telkens) opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of, afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of vervaardigen van hoeveelheden cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en heroïne middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, in elk geval (telkens) (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of
— het (telkens) voorbereiden en/of bevorderen van feiten als bedoeld in artikel 2 juncto artikel 10 vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet (Artikel 11a Opiumwet (oud))
en/of
zij in of omstreeks de periode van 1 maart 2015 tot en met 26 mei 2020, te [plaats] , [gemeente] , althans (elders) in Nederland,
heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, waartoe zij, verdachte en/of haar mededader(s) en/of één of meer andere perso(o)n(en), behoorden,
welke organisatie het oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid en/of 10a eerste lid, te weten
— het (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van één of meer hoeveelheden cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en heroïne middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, in elk geval (telkens) (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of
— het (telkens) opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of, afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of vervaardigen van hoeveelheden cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en heroïne middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, in elk geval (telkens) (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of
— het (telkens) voorbereiden en/of bevorderen van feiten als bedoeld in artikel 2 juncto artikel 10 vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet (Artikel 11b Opiumwet)
2.
zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 26 mei 2020, te [plaats] , [gemeente] , althans (elders) in Nederland,
heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, waartoe zij, verdachte en/of haar mededader(s) en/of één of meer andere perso(o)n(en), behoorden,
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:
— witwassen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Procesafspraken
Op 5 februari 2025 ontving het hof de door de advocaat-generaal, verdachte en de toenmalige raadsman ondertekende procesafspraken. Na te zijn gewezen op een wettelijke onmogelijkheid in de afspraken, zijn de advocaat-generaal en de verdediging met nieuwe afspraken gekomen. Die heeft het hof op 25 maart 2025 ontvangen.
Het navolgende is overeengekomen:
Het Openbaar Ministerie zal ter terechtzitting rekwireren tot een bewezenverklaring en kwalificatie van de feiten als door de rechtbank is beslist en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uur met aftrek van voorarrest vorderen.
Door de verdediging zullen geen (bewijs) verweren worden gevoerd.
Verdachte hoeft in het kader van de procesafspraken geen verklaring af te leggen.
Verdachte berust met het maken van procesafspraken in de bewezenverklaring en de kwalificatie van de rechtbank en beoogt hiermee een voorspoedige behandeling van zijn strafzaak.
Verdachte zal fysiek aanwezig zijn bij de inhoudelijke behandeling van dit afdoeningsvoorstel.
Gelet op de gemaakte procesafspraken worden de reeds ingediende onderzoekswensen niet gehandhaafd.
Verdachte zal zich niet onttrekken aan de tenuitvoerlegging van de straf.
Verdachte en het Openbaar Ministerie zien af van het instellen van cassatie indien het hof komt tot een gelijke afdoening van deze zaak (inhoudende de bewezenverklaring en strafoplegging) conform de tussen partijen gemaakte afspraken.
Beoordelingskader
Het hof stelt voorop dat, ondanks het ontbreken van een algemene, op procesafspraken toegeschreven regeling, in strafzaken de mogelijkheid bestaat tot het maken van afdoeningsvoorstellen, onder de voorwaarden zoals de Hoge Raad die heeft vastgesteld in zijn uitspraak van 27 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1252).
“Daarbij gaat het om afspraken tussen het openbaar ministerie en de verdediging over het verloop van de strafprocedure en/of de wijze waarop de strafzaak wordt afgedaan. De inhoud van dergelijke afspraken kan uiteenlopen, maar kenmerkend is de wederkerigheid ervan. Een procesafspraak kan bijvoorbeeld inhouden dat de verdediging afziet van bepaalde processuele activiteiten (zoals het doen van verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen of het voeren van bepaalde verweren) en het openbaar ministerie de omvang van de beschuldiging tegen de verdachte op enigerlei wijze afbakent (bijvoorbeeld door de omvang van de tenlastelegging te beperken of de tenlastelegging op bepaalde, minder ernstige strafbare feiten toe te snijden), waarbij tussen het openbaar ministerie en de verdediging overeenstemming bestaat over wat een passende uitkomst van de strafzaak zou zijn.”
Een belangrijke factor voor de keuze om tot procesafspraken te komen is een voortvarende afdoening van de strafzaak en om de efficiëntie in de behandeling van strafzaken te vergroten. De gedachte is dat door het maken van procesafspraken, strafzaken sneller kunnen worden afgehandeld, wat zorgt voor een betere benutting van de schaarse zittingscapaciteit. Verdachten, maar ook eventuele slachtoffers en benadeelde partijen, weten hierdoor eerder waar ze aan toe zijn en verdachten kunnen bij een procesafspraak een korting krijgen op de door het Openbaar Ministerie te formuleren strafeis. De rechter behoudt daarbij de eigen verantwoordelijkheid dat de behandeling en de beoordeling van de strafzaak plaatsvinden overeenkomstig de daarvoor geldende wettelijke regeling – in het bijzonder de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering – en de eisen van een eerlijk proces.
Verder heeft de Hoge Raad in zijn uitspraak van 27 september 2022 overwogen dat “in alle gevallen waarin door het openbaar ministerie en de verdediging een afdoeningsvoorstel tot stand is gebracht, de rechter moet onderzoeken – en in de uitspraak van dat onderzoek blijk moet geven – of de verdachte in de concrete omstandigheden van het geval vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. Voor het verrichten van dit onderzoek is het in beginsel vereist dat de verdachte, voorzien van rechtsbijstand, op de terechtzitting aanwezig is. In het geval dat de verdachte niet op de terechtzitting is verschenen, moet de rechter nader motiveren op welke wijze hij heeft kunnen vaststellen dat aan de hiervoor genoemde vereisten is voldaan.”
Toelichtingen op de procesafspraken
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot afdoening van de zaak conform de procesafspraken. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de lange duur van het onderzoek aanleiding is geweest voor de totstandkoming van die afspraken. Tegen de achtergrond van het recht op een eerlijk proces, zoals vastgelegd in artikel 6 EVRM, heeft het Openbaar Ministerie immers een zelfstandige taak om bij te dragen aan een voortvarende berechting. Op 26 april 2022 heeft de rechtbank vonnis gewezen en pas meer dan twee jaar later, op 2 juli 2024, heeft de regiezitting plaatsgevonden. Het uitvoeren van nader onderzoek, waaronder het horen van getuigen, zou maken dat de inhoudelijke behandeling van de zaak nog langer op zich laat wachten. Ook zorgen de omvang van het onderzoek met in totaal vijftien verdachten en de capaciteitsproblemen bij het Openbaar Ministerie en de rechterlijke macht ervoor dat het vastleggen van een zittingsdatum en -zaal hoogstwaarschijnlijk niet op korte termijn mogelijk is. Daarnaast wordt de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf bemoeilijkt door capaciteitsproblemen in het gevangeniswezen.
Bij het maken van de afspraken heeft de advocaat-generaal overleg gehad met de officieren van justitie in eerste aanleg en het college van procureurs-generaal die met de procesafspraken hebben ingestemd. Bij de afweging is enerzijds rekening gehouden met de aard en ernst van de feiten, de ouderdom van de feiten, de strafvorderingsrichtlijnen van het Openbaar Ministerie en de LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting. Anderzijds is rekening gehouden met de mens achter de verdachten. Het lange wachten op een einduitspraak brengt immers voor hen een zware lijdensdruk met zich mee. Daardoor heeft het Openbaar Ministerie ervoor gekozen de nadruk te leggen op het voorkomen van recidive in plaats van vergelding. Het Openbaar Ministerie is daarbij nagegaan of de verdachten zich de ernst van de feiten en de gevolgen van hun handelen realiseren.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ter zitting de totstandkoming van de afspraken en de persoonlijke omstandigheden van verdachte nader toegelicht. Verdachte heeft de zorg voor drie kinderen, waarvan twee minderjarig en is in staat een taakstraf te verrichten naast haar gezinsleven en haar baan. Het is van belang zij beschikbaar blijft voor de kinderen, omdat hun vader ook is betrokken bij de ten laste gelegde feiten en de ouders van verdachte om gezondheidsredenen niet kunnen bijdragen in de zorg voor de kinderen.
In het licht van het voorgaande is de overeengekomen strafoplegging passend.
Oordeel van het hof over de procesafspraken
Wijze van totstandkoming
Ter terechtzitting van 1 april 2025 is het hof uitdrukkelijk bij verdachte nagegaan of zij uit eigen beweging akkoord is gegaan met de procesafspraken en of zij zich realiseert wat de gevolgen zijn. De voorzitter heeft onder meer gevraagd of verdachte voldoende tijd heeft gehad om na te denken, of zij overleg heeft gehad met haar raadsman en naasten en of de overeenkomst zonder dwang tot stand is gekomen. De voorzitter heeft verder benadrukt dat verdachte met het aangaan van de procesafspraken afstand doet van haar verdedigingsrechten, dat zij aangeeft dat zij niet in cassatie zal gaan en dat met die afspraken een veroordeling op de Justitiële Documentatie komt te staan.
Verdachte heeft al deze vragen bevestigend beantwoord.
Het hof kent ook gewicht toe aan het feit dat de officieren van justitie in eerste aanleg en het college van procureurs-generaal, het hoogste orgaan binnen het Openbaar Ministerie, akkoord zijn gegaan met de procesafspraken. Dat lijkt te passen bij het beleid van het openbaar ministerie om de strafrechtketen te ontlasten.
Inhoud
De eerste vraag is of het hof al dan niet tot een bewezenverklaring komt. De procesafspraken houden in dat de advocaat-generaal en de verdediging akkoord gaan met de bewezenverklaring van de rechtbank. De verdediging heeft afgezien van het voeren van bewijsverweren. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de eendaadse samenloop van feit 1 en 2, zoals door de rechtbank bewezen is verklaard en gekwalificeerd.
Over het tijdsverloop in de zaak constateert het hof het volgende. De ten laste gelegde en door de rechtbank bewezen verklaarde periode begint op 28 juli 2015, nu bijna tien jaar geleden. Op 4 mei 2022 is namens verdachte hoger beroep ingesteld. Dat betekent dat de redelijke termijn in hoger beroep op de datum van de uitspraak van dit arrest is overschreden met meer dan een jaar. Zeker als er ook nog nader onderzoek zou moeten worden gedaan door de raadsheer-commissaris, is het maar de vraag of de zaak in 2026 inhoudelijk zou kunnen worden behandeld.
Verder merkt het hof op dat er zowel bij het Openbaar Ministerie als bij de rechtspraak capaciteitsproblemen spelen.
Ook zijn er capaciteitsproblemen in het gevangeniswezen. Vanwege het cellentekort worden nu al gevangenisstraffen voortijdig beëindigd of wordt de insluiting uitgesteld.
Naast de belasting van de strafrechtketen is het onwenselijk dat verdachten lang op de behandeling van hun zaak moeten wachten en daardoor lang in onzekerheid verkeren.
Bij de beoordeling van de afspraken heeft het hof ook gekeken naar de aard en de ernst van de ten laste gelegde feiten en de ouderdom van de feiten. Het gaat – kort gezegd – om deelname aan een criminele organisatie die witwassen en handel in harddrugs als oogmerk heeft. De rechtbank heeft bewezen verklaard dat verdachte zich daar in totaal bijna negen maanden lang schuldig aan heeft gemaakt. Dat is naar het oordeel van het hof een lange periode van het plegen van feiten die een gevaar opleveren voor de volksgezondheid en andere vormen van criminaliteit met zich meebrengen. Daartegenover staat dat er in deze zaak geen geweldsfeiten ten laste zijn gelegd.
Tot slot heeft het hof rekening gehouden met de justitiële documentatie en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder de omstandigheden als hiervoor weergegeven onder het standpunt van de verdediging.
Alles afwegende is het hof van oordeel dat door de wijze van totstandkoming van de procesafspraken, de ouderdom van de feiten, de overschrijding van de redelijke termijn in twee instanties en de te verwachten duur van het onderzoek het recht op een voortvarend en eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM beter is gewaarborgd als de zaak volgens de afspraken wordt afgedaan. Ook is het hof van oordeel dat de overeengekomen strafoplegging in de gegeven omstandigheden redelijk en passend is. Het hof acht het redelijk dat de nadruk ligt op het voorkomen dat verdachte opnieuw in de fout gaat in plaats van vergelding, waarbij het hof meeneemt dat vanuit het oogpunt van de speciale preventie wel al richting verdachte een duidelijk signaal is gegeven zich niet meer met criminele activiteiten bezig te houden. Tegen die achtergrond zijn de strafdoelen voldoende gewaarborgd.
Bewezenverklaring
Door eventueel in een aanvulling op te nemen wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.
zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 28 februari 2015, te [plaats] , [gemeente] , althans (elders) in Nederland,
heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, waartoe zij, verdachte en/of haar mededader(s) en/of één of meer andere perso(o)n(en), behoorden,
welke organisatie het oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid en/of 10a eerste lid, te weten
— het (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van één of meer hoeveelheden cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en heroïne middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, in elk geval (telkens) (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of
— het (telkens) opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of, afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of vervaardigen van hoeveelheden cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en heroïne middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, in elk geval (telkens) (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of
— het (telkens) voorbereiden en/of bevorderen van feiten als bedoeld in artikel 2 juncto artikel 10 vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet (Artikel 11a Opiumwet (oud))
en
/of
zij in
of omstreeks
de periode van 28 juli 2015 tot en met 18 april 2016,
te [plaats] , [gemeente] , althans (elders)
in Nederland,
heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, waartoe zij, verdachte en
/of
haar mededader
(
s
) en/of één of meer andere perso(o)n(en),
behoorden,
welke organisatie het oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid en
/of
10a eerste lid, te weten:
— het (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van één of meer hoeveelheden cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en heroïne middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, in elk geval (telkens) (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of
— het (telkens) opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of, afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of vervaardigen van hoeveelheden cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en heroïne middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, in elk geval (telkens) (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of
— het (telkens) voorbereiden en/of bevorderen van feiten als bedoeld in artikel 2 juncto artikel 10 vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet (Artikel 11b Opiumwet)
2.
zij op een of meer tijdstippen in
of omstreeks
de periode van 28 juli 2015 tot en met 18 april 2016,
te [plaats] , [gemeente] , althans (elders)
in Nederland,
heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, waartoe zij, verdachte en
/of
haar mededader
(
s
) en/of één of meer andere perso(o)n(en),
behoorden,
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:
— witwassen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van
onder 1:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid, en artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet
en
onder 2:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.
Oplegging van straf en/of maatregel
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof verwijst daarvoor naar wat er onder het oordeel over de procesafspraken is overwogen.
Het hof zal de procesafspraken volgen en komt zodoende tot de oplegging van:
een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met een proeftijd van twee jaar, en;
een taakstraf voor de duur van 240 uur, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op artikel 11b van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 55, en 140 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Aldus gewezen door
mr. D. Visser, voorzitter,
mr. P.A.H. Lemaire en S. Bek, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. R.W.P. Soons, griffier,
en op 13 mei 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 13 mei 2025.
Tegenwoordig:
mr. D. Visser, voorzitter,
mr. J. Zeilstra, advocaat-generaal,
mr. R.W.P. Soons, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.
Voetnoten
- Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...