ECLI:NL:GHDHA:2025:1694 Gerechtshof Den Haag , 20-03-2025 / BK-24/519
Artikel 40, lid 2, Wet WOZ en de artikelen 6:17, 7:4 en 8:42 Awb zijn niet geschonden; toezendplicht; op de zaak betrekking hebbende stukken; zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel niet geschonden; het Hof onderschrijft de door de Rechtbank in goede justitie vastgestelde waarde van de etage-portiekwoning; hoger beroep en incidenteel hoger beroep ongegrond; de belastingrechter is niet bevoegd e...
19 min de lecture · 4 175 mots
Inhoudsindicatie. Artikel 40, lid 2, Wet WOZ en de artikelen 6:17, 7:4 en 8:42 Awb zijn niet geschonden; toezendplicht; op de zaak betrekking hebbende stukken; zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel niet geschonden; het Hof onderschrijft de door de Rechtbank in goede justitie vastgestelde waarde van de etage-portiekwoning; hoger beroep en incidenteel hoger beroep ongegrond; de belastingrechter is niet bevoegd een oordeel te geven over de wijze waarop de betaling van de proceskostenvergoeding dient plaats te vinden.
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-24/519
Uitspraak van 20 maart 2025
in het geding tussen:
[X] te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: A. Bakker)
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, de Heffingsambtenaar,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende en het incidentele hoger beroep van de Heffingsambtenaar tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 4 april 2024, nummer SGR 22/8575.
Procesverloop
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2021 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] te [woonplaats] (de woning), voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld op € 484.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2022 opgelegde aanslag in de onroerende-zaakbelastingen van de gemeente Den Haag (de aanslag).
De Heffingsambtenaar heeft het tegen de beschikking en de aanslag gemaakte bezwaar afgewezen.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 50. De beslissing van de Rechtbank luidt:
“De rechtbank:
— verklaart het beroep gegrond;
— vernietigt de uitspraak op bezwaar;
— wijzigt de beschikking voor het jaar 2022 aldus dat de vastgestelde waarde wordt verminderd tot € 472.000;
— vermindert de aanslag onroerende-zaakbelastingen 2022 tot een berekend naar een waarde van € 472.000;
— bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
— veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.185;
— draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 50 aan belanghebbende te vergoeden.”
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 138. Van de zijde van de Heffingsambtenaar is op 23 juli 2024 een verweerschrift, ingekomen. De Heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank incidenteel hoger beroep ingesteld.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 13 februari 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
Belanghebbende is eigenaar van de woning. De woning, met bouwjaar 1933, is een etage-portiekwoning van twee bouwlagen (tweede en derde etage) met drie badgelegenheden, een balkon, een berging, een schuur en twee dakkapellen. De gebruiksoppervlakte van de woning bedraagt 156 m2.
De toenmalige gemachtigde van belanghebbende heeft bij brief van 23 februari 2022 bezwaar gemaakt tegen de beschikking. In het bezwaarschrift wordt gevraagd om toezending van het taxatieverslag, de gehanteerde grondstaffel, de gehanteerde cijfers en correcties voor secundaire objectkenmerken zoals kwaliteit, onderhoud, ligging etc. (VLOK/KOUDV-factoren, de waarde van de deelobjecten en minstens zes referentiewoningen gekoppeld aan de waardering van de onderhavige woning die volgens de Heffingsambtenaar de waarde van de woning onderbouwen. Het bezwaarschrift bevat een matrix met de gegevens van de objecten [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] , leidend tot een voorgestane waarde van € 431.000. Het taxatierapport van belanghebbende (opgesteld door [naam] met datum 1 juli 2022) vermeldt dezelfde objecten en een waarde van € 413.000.
De Heffingsambtenaar heeft op 18 maart 2022 een taxatieverslag aan belanghebbende verstrekt, waarin de waarde van de woning voor het onderhavige belastingjaar is bepaald op € 484.000. Hierin zijn de gegevens opgenomen van de woning en van een drietal naar de opvatting van de Heffingsambtenaar met de woning vergelijkbare woningen, te weten de onroerende zaken: [adres 5] , [adres 6] en [adres 7] . Het taxatieverslag vermeldt onder meer:
de woning
[adres 5]
[adres 6]
[adres 7]
Wijk
[Wijk 1]
[Wijk 2]
Buurt
[Buurt 1]
[Buurt 2]
Soort woning
etage-portiekwoning
Bouwjaar
1933
1932
1922
Oppervlakte
156 m2
154 m2
153 m2
149 m2
Verkoopdatum
11-09-2020
20-10-2020
30-06-2020
Verkoopprijs
€ 520.000
€ 537.000
€ 500.000
WOZ-waarde
€ 484.000
€ 525.000
€ 535.000
€ 500.000
Waardepeildatum
1-1-2021
De uitspraak op bezwaar vermeldt onder meer:
“Met betrekking tot uw verzoek om nadere informatie, zoals grondstaffels, onderdeelwaarden en cijfers en correcties voor secundaire objectkenmerken (VLOK/KOUD-V factoren) merk ik op dat de gemeente geen grondstaffels en onderdeelwaarden hanteert, en dat de gemeente geen gebruik maakt van VLOK/KOUD-V factoren. Gelet hierop kunnen deze gegevens niet aan u worden verstrekt.
Reden voor dit besluit
Ik merk op dat het gebruiksoppervlak van de door u in het bezwaarschrift en de aanvulling op het bezwaarschrift genoemde etage-portiekwoningen beduidend kleiner is dan door u is vermeld.
Naar aanleiding van het bezwaarschrift en de aanvulling op het bezwaarschrift
heeft een taxateur van mijn dienst de waarde van de betreffende woning
nogmaals beoordeeld. Hij heeft hierbij aangegeven dat, gelet op de gegeven
referenties in ons taxatieverslag en de door u aangedragen referenties, er in
voldoende mate rekening is gehouden met de gedateerdheid en achterstallig
onderhoud van de onderhavige woning. Voorts heeft hij aangegeven dat de in
het taxatieverslag genoemde referentiewoningen ook niet over vloerverwarming
en isolatie beschikken en derhalve hier rekening mee is gehouden. Met
betrekking tot de door u in de aanvulling op het bezwaarschrift genoemde
woningen merk ik het volgende op. De woning [adres 2] is in september 2020
in zeer slechte staat verkocht voor € 352.500. Vervolgens is deze woning in
maart 2022 in gerenoveerde staat verkocht voor € 690.000. Deze verkoop
onderbouwt de vastgestelde waarde. De woning [adres 8] is in 2015
gerenoveerd en in augustus 2020 verkocht voor € 525.000 en onderbouwt ook de
vastgestelde waarde. De woning [adres 4] is in september 2021 in
gemiddelde staat verkocht voor € 435.000 en geeft geen aanleiding tot een
ander oordeel.
Met betrekking tot uw verzoek om te worden gehoord indien ik niet voornemens ben om de WOZ-waarde vast te stellen op de door u genoemde waarde deel ik u het volgende mee. Op 7 oktober 2022 heeft de heer [A] per e-mail aan de heer [B] , taxateur van mijn dienst, aangegeven dat het hem prima lijkt de hoorzitting te annuleren, omdat alle grieven bekend zijn. Vervolgens heeft de heer [B] op 10 oktober 2022 telefonisch contact met de heer [A] opgenomen. De heer [A] heeft in dit telefoongesprek
bevestigd dat de hoorzitting als gehouden kan worden beschouwd.”
Belanghebbende heeft bij een nader stuk in beroep een matrix (de eigen matrix) overgelegd waarin de waarde van de woning op de waardepeildatum wordt bepaald op € 380.952. De eigen matrix vermeldt de gegevens van de objecten [adres 2] , [adres 8] en [adres 4] , waaronder transactiedata, KOUDVL.-coderingen en geïndexeerde koopsommen. Bijlagen bij het nadere stuk vermelden indexcijfers voor Nederland en voor CBS-regio stad Den Haag.
De Heffingsambtenaar heeft in beroep een matrix overgelegd waarin de verkooptransacties van naar de opvatting van de Heffingsambtenaar met de woning vergelijkbare woningen zijn opgenomen, te weten de onder 2.3 vermelde onroerende zaken.
De matrix vermeldt onder meer:
Bezwaard object
Adres
€/m2 GO
Opmerking
[adres 1]
€ 3.103
Referenties gemeente Den Haag
Adres
Opmerking
[adres 5]
€ 3.377
[adres 6]
€ 3.510
[adres 7]
€ 3.356
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft geoordeeld:
“1. De gemachtigde van belanghebbende heeft de rechtbank bij brieven van 12 januari 2024 en 22 januari 2024 om uitstel van de zitting verzocht omdat er, naar hij stelde, op 7 maart 2024 al zittingen bij andere gerechten waren gepland van zaken van andere cliënten van zijn kantoor. Daarbij heeft de gemachtigde een grote hoeveelheid verhinderdata voor de aankomende periode vermeld. Bij brieven van 15 januari 2024 en 31 januari 2024 heeft de rechtbank de verzoeken afgewezen omdat de gemachtigde van belanghebbende niet onder aanvoering van gewichtige redenen heeft aangegeven waarom hij niet op de zitting van 7 maart 2024 aanwezig kon zijn.[1] De enkele stelling dat op deze dag reeds zittingen waren gepland bij andere gerechten, is hiervoor onvoldoende, te meer omdat uit de brief van 22 januari 2024 volgt dat gemachtigde op de geplande zittingsdatum vanaf 14:00 uur beschikbaar was en de rechtbank daar rekening mee heeft gehouden.
2. De rechtbank gaat voorbij aan de ter zitting door de heffingsambtenaar ingenomen stelling dat het nader stuk van belanghebbende buiten beschouwing moet worden gelaten. De indiening van het stuk heeft plaatsgevonden voor het verstrijken van de in artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht genoemde termijn van tien dagen, en is derhalve tijdig. De heffingsambtenaar heeft ook niet onderbouwd op welke onderdelen het voor hem door het moment van indiening van het nader stuk onvoldoende mogelijk was om op de daarin opgenomen stellingen te reageren.
3. In geschil is de waarde van de woning op de waardepeildatum. Belanghebbende bepleit een waarde van € 381.000.
4. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar met de matrix en wat overigens is aangevoerd, niet aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag is vastgesteld. De rechtbank acht de door de heffingsambtenaar gehanteerde vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar met de woning. Echter, bij de waardebepaling dient ook rekening te worden gehouden met de door belanghebbende aangedragen transacties van woningen die in de straat van de woning zijn gelegen (huisnummer [adres 4] , [adres 8] en [adres 2] ). De heffingsambtenaar heeft dit niet weersproken en stelt dat indien die transacties mee worden gewogen de beschikte waarde onderbouwd is. De rechtbank volgt deze stelling niet omdat, uitgaande van de door belanghebbende gehanteerde geïndexeerde koopsom die de heffingsambtenaar ook niet weersproken heeft, die objecten een vierkantemeterprijs hebben van respectievelijk € 2.727 (huisnummer [adres 4] ),
€ 2.957 (huisnummer [adres 8] ) en € 2.248 (huisnummer [adres 2] ), hetgeen aanzienlijk lager is dan de vierkantemeterprijs van de door de heffingsambtenaar gehanteerde vergelijkingsobjecten en de vierkantemeterprijs van de woning.
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende de door hem bepleite lagere waarde evenmin aannemelijk gemaakt, reeds omdat de rechtbank rekenkundig niet kan volgen hoe belanghebbende de door hem gestelde correctie voor KOUDV-factoren en afnemend grensnut heeft laten doorwerken bij vergelijkingsobject [adres 2] .
7. Omdat geen van beide partijen naar het oordeel van de rechtbank erin is geslaagd het gevergde bewijs te leveren, bepaalt de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking nemend, de waarde van de woning op de waardepeildatum in goede justitie op € 472.000.
8. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de waarde van de woning en de daarop gebaseerde aanslag te hoog vastgesteld. Het beroep is daarom gegrond. De overige gronden behoeven geen behandeling meer.
9. De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt het gewicht in deze zaak vast op 0,5 (licht), gelet op de eenvoud van de zaak, de daarmee samenhangende werkbelasting van de gemachtigde en het geringe belang van de zaak. De rechtbank stelt de te vergoeden kosten op grond van het Besluit proceskostenvergoeding bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.185 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 310 (tarief 2024), 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875 (tarief 2024) en een wegingsfactor 0,5).
10. De rechtbank wijst de heffingsambtenaar erop dat hij, gelet op artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ, de op grond van deze uitspraak te vergoeden bedragen voor proceskosten en griffierecht uitsluitend mag uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van belanghebbende.
(…)
[1] Hoge Raad 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3529.”
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
In het principale hoger beroep is in geschil of:
1. de Heffingsambtenaar zijn toezendplicht heeft geschonden,
2. de Heffingsambtenaar heeft verzuimd alle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen,
3. de Heffingsambtenaar de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden,
4. de Rechtbank de waarde van de woning op een te hoog bedrag heeft vastgesteld, en of
5. de Rechtbank de proceskostenvergoeding op een te laag bedrag heeft vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en de Heffingsambtenaar ontkennend.
In het incidentele hoger beroep is in geschil of de Rechtbank ten onrechte de waarde van de woning op een lager bedrag heeft vastgesteld dan de beschikte waarde.
Belanghebbende concludeert in het principale hoger beroep tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, wijziging van de beschikking aldus dat de waarde van de woning nader wordt vastgesteld op € 381.000, dienovereenkomstige vermindering van de aanslag en tot toekenning van een (hogere) proceskostenvergoeding in bezwaar, beroep en hoger beroep.
De Heffingsambtenaar concludeert tot ongegrondverklaring van het principale hoger beroep. Hij concludeert in het incidentele hoger beroep tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en bevestiging van de uitspraak op bezwaar.
Beoordeling van het principale en het incidentele hoger beroep
Toezendplicht met betrekking tot in bezwaar verzochte stukken
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Heffingsambtenaar in de bezwaarfase de toezendplicht heeft geschonden. Hij stelt daartoe dat de Heffingsambtenaar ten onrechte niet de matrix, de KOUDV-factoren, de waarden van de deelobjecten en de grondstaffel heeft toegezonden aan zijn gemachtigde, terwijl daar wel om is verzocht en de Heffingsambtenaar gehouden was deze aan de gemachtigde te doen toekomen gelet op de artikelen 6 :17 en 7:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verder voert belanghebbende aan dat de Heffingsambtenaar ten onrechte niet de in het bezwaarschrift gevraagde gegevens van “zes referentiewoningen” ter onderbouwing van de vastgestelde waarde heeft verstrekt.
Op grond van artikel 40, lid 2, Wet WOZ dient aan degene te wiens aanzien een beschikking als bedoeld in de Wet WOZ is genomen, en die een voldoende specifiek verzoek doet tot het verstrekken van bepaalde gegevens die niet in het taxatieverslag zijn opgenomen, maar die wel ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde van de onroerende zaak, een afschrift van die gegevens te worden verstrekt. De hiervoor bedoelde gegevens kunnen ook betrekking hebben op de voor de waardevaststelling gebruikte vergelijkingsobjecten. De gegevens dienen voortvarend en in ieder geval uiterlijk bij het doen van uitspraak op bezwaar te worden verstrekt. Aan dit een en ander doet niet af dat de overige gegevens op de zaak betrekking hebbende stukken zijn die daarom tevens voorafgaand aan het horen in een bezwaarprocedure op grond van artikel 7:4, lid 2, Awb ter inzage moeten worden gelegd (HR 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052, BNB 2023/156 en HR 14 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106).
Naar aanleiding van het in het bezwaarschrift gedane verzoek (zie 2.2) heeft de Heffingsambtenaar het taxatieverslag aan belanghebbende verstrekt. De uitspraak op bezwaar vermeldt dat de gemeente Den Haag niet werkt met grondstaffels, KOUDV- en liggingsfactoren, indexeringsgegevens en onderdeelwaarden, zodat deze stukken niet aan belanghebbende konden worden verstrekt. Voorts heeft de Heffingsambtenaar aangevoerd dat de matrix pas in de beroepsfase wordt opgesteld door de taxateur. Het Hof heeft geen reden hieraan te twijfelen. De Heffingsambtenaar heeft zijn toezendplicht dus niet geschonden.
Verder heeft de Heffingsambtenaar onweersproken gesteld dat een hoorgesprek met goedvinden van belanghebbende niet heeft plaatsgevonden. Belanghebbende heeft dus ook niet gebruikgemaakt van het inzagerecht. Van schending van de toezendplicht van artikel 7:4, lid 4, Awb kan alsdan evenmin sprake zijn. Dit geldt eveneens voor de gestelde schending van artikel 6 :17 Awb. Dit artikel regelt alleen, voor het geval er een gemachtigde is, aan wie stukken moeten worden gezonden, en niet welke stukken moeten worden gezonden (vgl. HR 20 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7148, BNB 2000/359).
Voor wat betreft het verzoek om meer dan de drie in het taxatieverslag aangedragen vergelijkingsobjecten en de daarbij behorende objectkenmerken aan te dragen, geldt dat een verplichting daartoe niet uit wet- of regelgeving dan wel jurisprudentie volgt zolang niet aannemelijk is geworden dat de gegevens van andere vergelijkingsobjecten ten grondslag hebben gelegen aan de vastgestelde waarde van de onroerende zaak.
Op de zaak betrekking hebbende stukken
Belanghebbende betoogt in hoger beroep (wederom) dat de Heffingsambtenaar niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Belanghebbende verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1316, BNB 2018/182. Volgens belanghebbende heeft de Heffingsambtenaar ten onrechte geen iWOZ-kaarten en bouwtekeningen van de door de Heffingsambtenaar gebruikte vergelijkingsobjecten overgelegd in de beroeps- en hogerberoepsfase.
iWOZ is een door de Vereniging Nederlandse Gemeenten samengestelde verzameling van objectgegevens en foto’s van te koop aangeboden woningen in Nederland. Anders dan belanghebbende betoogt, behoren de iWOZ-gegevens en bouwtekeningen van de door de Heffingsambtenaar gebruikte vergelijkingsobjecten niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42, lid 1, Awb. De Heffingsambtenaar is daarom in beginsel niet verplicht deze gegevens over te leggen. Dit kan anders zijn in het geval de Heffingsambtenaar bij het bepalen van de waarde heeft gebruikgemaakt van de iWOZ-kaarten en/of de bouwtekeningen om daaruit de kenmerken van de (vergelijkings)objecten af te leiden die van belang zijn voor de beslechting van geschilpunten, maar daarvoor biedt het dossier geen aanknopingspunten. Daarbij komt dat de bouwtekeningen in principe voor eenieder toegankelijk zijn in de lokale gemeentearchieven. Er is dus geen aanleiding om de Heffingsambtenaar op te dragen iWOZ-kaarten en bouwtekeningen van de vergelijkingsobjecten over te leggen.
Waarde van de woning
De waarde van een woning wordt ingevolge artikel 17, lid 2, Wet WOZ bepaald op de waarde die daaraan dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger in de staat waarin deze zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding" (Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 43-44).
De Rechtbank heeft geoordeeld dat de Heffingsambtenaar noch belanghebbende erin is geslaagd de door hem bepleite waarde aannemelijk te maken. Daarom heeft de Rechtbank de waarde als bedoeld in artikel 17, lid 2, Wet WOZ in goede justitie vastgesteld op € 472.000. Partijen hebben niet berust in de door de Rechtbank vastgestelde waarde. Belanghebbende stelt dat de waarde moet worden vastgesteld op een lager bedrag dan de door de Rechtbank vastgestelde waarde. De Heffingsambtenaar stelt daarentegen dat de beschikte waarde de juiste is en de Rechtbank de waarde dus ten onrechte op een lager bedrag heeft vastgesteld. In hoger beroep is de omvang van het geschil over de waarde van de woning dus hetzelfde als in beroep.
De Rechtbank heeft bij haar beoordeling van de vastgestelde waarde acht geslagen op de verkopen van alle vergelijkingsobjecten die de Heffingsambtenaar en belanghebbende hebben aangedragen. Zij is daarbij tot de slotsom gekomen dat geen van beide partijen erin is geslaagd het van haar te verlangen bewijs te leveren en heeft vervolgens de waarde van de woning op een door haar zelf gekozen grondslag vastgesteld. Aldus beschouwd heeft de Rechtbank het juiste toetsingskader gehanteerd (vgl. HR 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4300, BNB 2005/378, r.o. 3.3, HR 3 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:332, BNB 2023/63, r.o. 3.2 en HR 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:571, BNB 2024/92, r.o. 4.2.2). Partijen hebben in hoger beroep geen nieuwe argumenten gebezigd of bewijsmiddelen aangedragen. Hetgeen partijen in hoger beroep over en weer hebben aangevoerd is aldus hetzelfde als in beroep, en het Hof beoordeelt en waardeert die bewijsmiddelen en argumenten niet anders dan de Rechtbank. De Rechtbank heeft daarom terecht de waarde in goede justitie vastgesteld en het Hof onderschrijft die waarde.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
De stelling dat de uitspraak op bezwaar niet deugdelijk is gemotiveerd omdat hetgeen op de hoorzitting is besproken onvolledig is weergegeven, faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. De voormalige gemachtigde van belanghebbende heeft namelijk afgezien van een hoorgesprek.
Belanghebbende stelt dat de Heffingsambtenaar het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel heeft geschonden omdat hij niet de gevraagde stukken heeft verstrekt. Aangezien de Heffingsambtenaar zijn verplichtingen als bedoeld in artikel 40, lid 2, Wet WOZ en artikel 7:4 Awb niet heeft geschonden, faalt dit betoog.
Kostenvergoeding bezwaar en proceskostenvergoeding beroep
Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat de Rechtbank voor de bezwaar- en beroepsfase een hogere wegingsfactor had moeten hanteren en belanghebbende als gevolg daarvan recht heeft op een hogere (proces)kostenvergoeding dan de Rechtbank heeft toegekend, faalt die stelling. Het Hof ziet in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen aanleiding om een hogere wegingsfactor voor de bezwaar- en beroepsfase te hanteren dan de Rechtbank heeft gedaan.
Verder geldt dat, anders dan belanghebbende kennelijk veronderstelt, de matiging van de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in artikel 30a, lid 1 en lid 2, Wet WOZ niet van toepassing is op de onderhavige bezwaar- en beroepsfase. Daarom wordt in zoverre niet toegekomen aan belanghebbendes stellingen over artikel 30a, lid 1 en lid 2, Wet WOZ.
Slotsom
Het principale hoger beroep en het incidentele hoger beroep zijn ongegrond.
Proceskosten
In het incidentele hoger beroep acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage vast op € 453,50 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (1 punt (verschijnen ter zitting) à € 907 x 0,5 (gewicht van de zaak). De Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm is niet van toepassing op de proceskosten die een belanghebbende in hoger beroep heeft gemaakt, als hij zich met succes verweert tegen een rechtsmiddel dat is ingesteld door het bestuursorgaan (HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46, r.o. 3.5.3). Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.
Wat betreft het verzoek van belanghebbende om artikel 30a, lid 4, Wet WOZ buiten beschouwing te laten, is het Hof van oordeel dat de belastingrechter niet bevoegd is een oordeel te geven over de wijze waarop de betaling van de proceskostenvergoeding dient plaats te vinden. Belanghebbende dient zich bij een geschil over de uitbetaling van de proceskostenvergoeding te wenden tot de burgerlijke rechter (vgl. HR 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:156, r.o. 5.4).
Beslissing
Het Gerechtshof:
— bevestigt de uitspraak van de Rechtbank, en
— veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 453,50.
Deze uitspraak is vastgesteld door C. Maas, Chr.Th.P.M. Zandhuis en L.D.M.A Reijs, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.
De griffier, de voorzitter,
L. van den Bogerd C. Maas
De beslissing is op 20 maart 2025 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad http://www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie http://www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 — bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 — (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 — het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. — de naam en het adres van de indiener;
b. — de dagtekening;
c. — de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. — de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...