Pays-Bas Gerechtshof Den Haag Divers 16 июля 2025 N° 200.352.209/01 & 200.352.209/02 NL

ECLI:NL:GHDHA:2025:2163 Gerechtshof Den Haag , 16-07-2025 / 200.352.209/01 & 200.352.209/02

Verlenging ondertoezichtstelling. Verzoek van de vader om de minderjarigen bij hem (terug) te plaatsen, afgewezen. Een beslissing over het hoofdverblijf van de minderjarigen moet worden genomen in de ontbindingsprocedure van het geregistreerd partnerschap. Door de geldende zorgregeling is de feitelijke hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de moeder. Gronden voor de ondertoezichtstelling...

Source officielle

14 min de lecture 3 050 mots

Inhoudsindicatie. Verlenging ondertoezichtstelling. Verzoek van de vader om de minderjarigen bij hem (terug) te plaatsen, afgewezen. Een beslissing over het hoofdverblijf van de minderjarigen moet worden genomen in de ontbindingsprocedure van het geregistreerd partnerschap. Door de geldende zorgregeling is de feitelijke hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de moeder. Gronden voor de ondertoezichtstelling zijn nog steeds aanwezig. Geen zicht op constructieve samenwerking en herstel van de ouderrelatie. Vanwege de beslissing in de hoofdzaak geen belang meer bij het schorsingsincident.

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team familie

zaaknummers : 200.352.209/01 en 200.352.209/02

rekestnummer rechtbank : JE RK 24-2181

zaaknummer rechtbank : C/09/676670

beschikking van de meervoudige kamer van 16 juli 2025

inzake

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. P.L.J. Woesthoff te Huizen,

tegen

Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,

gevestigd te Leiden,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. B.S. Bernard te Soest.

In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

locatie: Den Haag,

hierna te noemen: de raad.

1Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag van 9 januari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna: de bestreden beschikking.

2Het geding in hoger beroep

De vader is op 11 maart 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

De moeder heeft op 28 april 2025 een verweerschrift ingediend.

De gecertificeerde instelling heeft op 1 mei 2025 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

— op 17 april 2025 een brief van de raad met daarin de mededeling dat de raad niet ter zitting zal verschijnen;

van de zijde van de vader:

— op 18 april 2025 per e-mail een journaalbericht van diezelfde datum met bijlagen, op 22 april 2025 tevens ingekomen per post;

— op 2 mei 2025 een e-mail, met daarin het verzoek om het verweerschrift met bijlagen van de gecertificeerde instelling buiten beschouwing te laten;

van de zijde van de moeder:

— op 1 mei 2025 per e-mail een bericht dat de moeder niet ter zitting zal verschijnen.

De mondelinge behandeling heeft op 2 mei 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

— de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

— de advocaat van de moeder;

— namens de gecertificeerde instelling [vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling 1] en [vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling 2] .

De moeder en de raad zijn, zoals aangekondigd, niet ter zitting verschenen.

De advocaat van de vader heeft ter zitting een pleitnota overgelegd.

Zoals ter zitting van het hof reeds is meegedeeld, is aan de gecertificeerde instelling – op dier verzoek – uitstel verleend voor het indienen van een verweerschrift. De verweertermijn is verlengd tot aan de zitting. Het verweerschrift is een dag voor de zitting bij het hof binnengekomen en de griffie van het hof heeft het verweerschrift, inclusief de bijgevoegde productie, in de ochtend van 2 mei 2025 per e-mail naar de advocaat van de vader gezonden. De advocaat van de vader heeft bezwaar gemaakt tegen de late indiening van het verweerschrift en het hof verzocht de stukken buiten beschouwing te laten. Het hof heeft het verzoek afgewezen en een korte leespauze ingelast teneinde de advocaat van de vader in de gelegenheid te stellen het verweer van de gecertificeerde instelling met de vader te bespreken.

Na de mondelinge behandeling is van de zijde van de vader op 8 mei 2025 een wrakingsverzoek ingediend, gericht tegen mrs. I. Reijngoud en M.L.C.C. Lückers, welk verzoek door de wrakingskamer bij beslissing van 12 juni 2025 is afgewezen.

Gezien de afwijzing van het wrakingsverzoek kan het hof thans in de onderhavige procedure beslissen.

3De feiten

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

De vader en moeder zijn op 26 oktober 2020 een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan.

Ten tijde van het geregistreerd partnerschap zijn uit de moeder geboren:

— [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] , en

— [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] .

De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.

De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland heeft bij beschikking van 18 januari 2024 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 18 januari 2024 onder toezicht gesteld tot 18 januari 2025.

De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland heeft bij beschikking van 16 juli 2024 de machtiging om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de moeder verlengd tot 18 januari 2025. Bij deze beschikking heeft de kinderrechter tevens de gecertificeerde instelling De Jeugd & Gezinsbeschermers vervangen door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west.

In hoger beroep is voorts komen vast te staan dat de rechtbank Midden-Nederland bij beschikking van 18 april 2025 de voorlopige zorgregeling, zoals vastgesteld bij beschikking van 8 januari 2025, heeft gehandhaafd. Voorts is het verzoek van de vader tot onmiddellijke terugplaatsing van de minderjarigen bij hem afgewezen.

4De omvang van het geschil

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , hierna te noemen: de minderjarigen, verlengd tot 18 januari 2026. Voorts is de vader niet-ontvankelijk verklaard in zijn zelfstandig verzoek om te gelasten dat de minderjarigen per datum beschikking terug gaan naar hem.

De vader verzoekt de bestreden beschikking betreffende de verlenging van de ondertoezichtstelling te vernietigen en opnieuw beschikkende, te bepalen dat de minderjarigen worden teruggeplaatst bij hem. Tevens verzoekt de vader de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking te schorsen, totdat het hof heeft beslist in de hoofdzaak.

De vader verzet zich tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen en voert daartoe aan dat de uitspraak van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd is en het recht op hoor en wederhoor is geschonden, omdat niet is ingegaan op zijn verweer. Om die reden kan de uitspraak van de rechtbank volgens de vader als niet volledig en niet rechtsgeldig worden beschouwd. De vader stelt dat een verlenging van de ondertoezichtstelling alleen toelaatbaar is als er zicht is op terugkeer van de minderjarigen naar hem. De hulpverlening is gedurende een jaar volledig tot stilstand gekomen en de stilstand duurt voort, zodat de vader geen vertrouwen heeft in een gedegen oplossing binnen het kader van de ondertoezichtstelling. Verder voert hij aan dat de moeder geen uitdrukkelijk verweer heeft gevoerd tegen het zelfstandig verzoek van de vader.

Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft de vader nog het volgende aangevoerd. Zorgen over ontbrekende of belastende communicatie tussen de ouders word niet onderbouwd door de gecertificeerde instelling. Juist de gecertificeerde instelling is er de oorzaak van dat er onduidelijkheden zijn. De gecertificeerde instelling heeft erkend dat de problemen voortkomen uit het gebrek aan een vaste jeugdbeschermer. Inzage of informatie van diverse instanties (over de minderjarigen) krijgt de vader niet. Een ondertoezichtstelling is niet bedoel om enkel de situatie te monitoren. Er worden bij rechterlijke instanties onwaarheden verspreid, zoals onder meer het feit dat de vader niet zou willen communiceren met de gecertificeerde instelling. De vader kan de rechtbank niet volgen in het oordeel dat [minderjarige 1] speltherapie moet krijgen. Die overweging is niet gemotiveerd en evenmin de beslissing dat de ondertoezichtstelling verlengd moet worden. De huisarts vindt speltherapie niet nodig en zelfs overbodig.

Door de uithuisplaatsing zijn de minderjarigen uit hun vertrouwde omgeving gehaald. De vader ziet de minderjarigen, mede vanwege het stilleggen van de hulpverlening door de gecertificeerde instelling, vrijwel niet. Bij de rechtbank Midden-Nederland loopt momenteel een ontbindingsprocedure van het geregistreerd partnerschap, met als onderwerp van geschil onder meer de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen, de zorgregeling en de partner- en kinderalimentatie. De rechtbank heeft de zaak aangehouden, waardoor het feitelijk hoofdverblijf van de minderjarigen bij de moeder is komen te liggen. De vader benadrukt dat de hoofdverblijfplaats niet officieel is bekendgemaakt of vastgelegd in een beschikking. Ten aanzien van het hoofdverblijf is dus geen sprake van een bindende beslissing. Juridisch gezien is de overweging van de rechtbank onjuist dat het feitelijk verblijf van de minderjarigen bij de moeder met zich brengt dat een verlenging van de uithuisplaatsing bij de moeder niet nodig is. De gecertificeerde instelling schiet tekort in het naleven van de juiste juridische procedures. De machtiging tot uithuisplaatsing moet door de rechtbank formeel worden verlengd of opgeheven.

De vader betwist de stelling van de gecertificeerde instelling dat de zorgregeling in december 2024 is uitgebreid. Vanaf 16 juli 2024 tot heden is er niet gewerkt aan herstel van de omgang. De klacht van de vader ten aanzien van de onttrekking aan het ouderlijk gezag is gegrond verklaard. De vader wordt in het veiligheidsplan neergezet als een mogelijke bedreiging terwijl de moeder volledig buiten beeld blijft. De vader voelt zich gediscrimineerd. Hoor en wederhoor is essentieel en de door de gecertificeerde instelling getroffen maatregelen, zoals het beperken van de zorgregeling kunnen leiden tot ouderverstoting. De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn onterecht gebruikt om de moeder met de minderjarigen te laten verhuizen. Aan de vader, die mede het gezag over de minderjarigen heeft, is geen toestemming gevraagd voor de verhuizing. Bovendien voldoet de moeder niet aan de verplichting om de omgang tussen de minderjarigen en de vader te bevorderen. Niet gemotiveerd is waarom een terugkeer van de minderjarigen naar de vader geen mogelijkheid is. De vader is bang dat de moeder met de minderjarigen naar Letland wil vluchten. De minderjarigen hebben meermaals aangegeven niet bij de moeder te willen wonen. Dat de vader niet-ontvankelijk is verklaard in zijn zelfstandig verzoek kan hij niet volgen. Vóór de uithuisplaatsing verbleven de minderjarigen bij de vader. Aangezien er nu geen machtiging uithuisplaatsing meer is moeten de minderjarigen onmiddellijk terug naar de vader.

De moeder verzoekt het hof de verzoeken van de man af te wijzen. De moeder stelt dat de vader allerlei ongefundeerde aannames jegens haar doet. Zij houdt geen informatie van anderen achter en wil graag overleggen, maar de vader blijft verwijten maken richting de moeder en de betrokken instanties waardoor elk begin van een jeugdhulptraject wordt belemmerd. Voorts is voor de vierde keer ten onrechte herhaald dat de vader bang is voor vluchtgevaar van de moeder samen met de minderjarigen naar Letland. Dat de moeder niet geïntegreerd is in de Nederlandse samenleving en zich de Nederlandse cultuur niet eigen maakt blijkt nergens uit. De minderjarigen geven, in tegenstelling tot hetgeen de vader beweert, aan dat zij graag bij haar wonen en de moeder meent dat alleen een onderzoek door de gecertificeerde instelling een objectief beeld kan scheppen. Aangezien de vader niet mee wil werken is het scheppen van een objectief beeld lastig.

De gecertificeerde instelling kan zich verenigen met de beslissing van de rechtbank. De gecertificeerde instelling betwist dat de bestreden beschikking onvoldoende gemotiveerd is en dat vaders recht op hoor en wederhoor is geschonden. Voor de gecertificeerde instelling staat vast dat de ouders geen constructief contact in het belang van de minderjarigen met elkaar kunnen hebben. Nog afgezien van het feit dat vaststelling dan wel wijziging van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen niet aan de gecertificeerde instelling is in het kader van de ondertoezichtstelling, ziet de gecertificeerde instelling ook geen reden om de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen te wijzigen. Betwist wordt dat de vader geen contact kan krijgen met de gecertificeerde instelling. Meermaals, aanvankelijk door de tijdelijke jeugdbeschermer en nadien door de vaste jeugdbeschermer, is geprobeerd om met de vader in gesprek te komen maar de vader heeft aangegeven eerst het hoger beroep af te willen wachten en heeft meermaals afwijzend op uitnodigingen gereageerd. De gecertificeerde instelling is niet betrokken geweest bij de aanmelding van de minderjarigen bij het kinderdagverblijf en de school omdat dat een taak is voor ouders die het gezag hebben. Het is aan het kinderdagverblijf en de school om de moeder en de vader te informeren. De vader heeft, daarnaar gevraagd, verklaard dat het klopt dat hij de minderjarigen van de opvang heeft laten halen omdat plaatsing op de opvang zonder zijn toestemming was gerealiseerd. De stelling van de vader dat de tijdelijke jeugdbeschermer onwaarheden heeft verspreid is een ongefundeerde zware aantijging. De gecertificeerde instelling wil graag in samenwerking met beide ouders kunnen beoordelen of speltherapie voor [minderjarige 1] nodig is, maar dat kan pas worden ingezet als er rust is in de thuissituatie en de strijd tussen de ouders over is.

De gecertificeerde instelling meent dat de vader geen wijziging van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen kan vragen in de onderhavige procedure die een beroep tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling betreft.

In het veiligheidsplan zijn afspraken opgenomen met als doel het contact tussen de ouders met betrekking tot de zorgregeling zo rustig mogelijk te laten verlopen. Er is aan vader meerdere malen verzocht zijn kant van het verhaal te vertellen maar hij heeft daar tot op heden geen gehoor aan gegeven. De gecertificeerde instelling stelt voorts dat er geen sprake is van ouderverstoting aangezien er een zorgregeling is waar beide ouders aan meewerken. Er zijn bij de gecertificeerde instelling geen signalen bekend dat de moeder de minderjarigen mee zou willen nemen naar Letland. De minderjarigen gaan naar een Nederlandse school en een Nederlands kinderdagverblijf en leren in ieder geval op die plek de Nederlandse taal.

5De motivering van de beslissing

Gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting verenigt het hof zich met het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dat berust.

Ten aanzien van het verzoek van de vader om te bepalen dat de minderjarigen worden (terug)geplaatst bij de vader, is het hof van oordeel dat de beslissing over het hoofdverblijf van de minderjarigen genomen moet worden in de lopende procedure van partijen inzake de ontbinding van het geregistreerd partnerschap. Verder onderschrijft het hof het oordeel van de rechtbank dat een verlenging van de verleende machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen bij de moeder niet noodzakelijk is om het verblijf van de minderjarigen bij de moeder te waarborgen. Bij beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 8 januari 2025 is de voorlopige zorgregeling tussen de man en de minderjarigen — zoals vastgesteld in de beschikking van 2 juli 2024 — gewijzigd en bepaald dat de vader de minderjarigen één keer per twee weken vanaf vrijdagochtend tot zondagavond bij zich heeft. De rechtbank Midden-Nederland heeft in haar beschikking van 18 april 2025 deze voorlopige zorgregeling gehandhaafd. Hieruit volgt dat de feitelijke hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de moeder is komen te liggen. Gelet op de overweging van de rechtbank, waarbij de rechtbank mede in aanmerking heeft genomen dat beide ouders het ouderlijk gezag uitoefenen en het zwaartepunt van de zorgregeling bij de moeder ligt, passeert het hof de stelling van de vader dat de beslissing om de uithuisplaatsing niet te verlengen onvoldoende gemotiveerd is. Dat de vader zich niet kan vinden in die beslissing doet aan het vorenstaande niet af. Het verzoek van de vader om de minderjarigen bij hem te plaatsen wordt gelet op dat wat hiervoor is overwogen, dan ook niet toegewezen.

Uit het verhandelde ter zitting volgt dat de ouders over en weer zorgen hebben over elkaar. De vader heeft aangevoerd dat de moeder lijdt aan een postnatale depressie, heeft angst dat de moeder met de minderjarigen naar Letland gaat en niet meer terugkeert en voelt zich niet veilig bij de moeder omdat zij hem psychisch en fysiek zou mishandelen. De moeder heeft daarentegen aangevoerd dat sprake is van een dominante, controlerende houding van de vader jegens haar en de minderjarigen. Zij voelt zich vanwege (verborgen) opnameapparatuur in huis niet veilig en moeder maakt zich zorgen over de vele verbale conflicten tussen haar en de vader in het bijzijn van de minderjarigen. De verwijten over en weer en de aanhoudende conflicten tussen de ouders maken dat de minderjarigen nog steeds in hun ontwikkeling worden bedreigd. Er is inmiddels een vaste jeugdbeschermer maar er is nog steeds geen zicht hoe de communicatie tussen de ouders verbeterd kan worden zodat de minderjarigen niet meer klem komen te zitten tussen hen. Dat er pas in een laat stadium een vaste jeugdbeschermer is aangesteld, betreurt het hof maar vast staat dat de vader in de periode waarin er een tijdelijke jeugdbeschermer beschikbaar was, maar ook nu, niet bereid lijkt te zijn om mee te werken met de gecertificeerde instelling door zicht te bieden in zijn thuissituatie. De vader wil pas meewerken als het hoofdverblijf van de minderjarigen bij hem is en hij heeft nadrukkelijk ter zitting gesteld niet in te zien waarom hij binnen een ondertoezichtstelling mee moet werken. Bovendien wil de vader vooraf horen wat het doel is van een gesprek als de jeugdbeschermer hem daarvoor uitnodigt. Het hof acht het in het belang van de minderjarigen dat de vader gaat meewerken en met de jeugdbeschermer in gesprek gaat zonder vooraf voorwaarden te stellen. Zo lang hij dat niet doet is er geen zicht op een constructieve samenwerking en herstel van de verstoorde ouderrelatie. Het hof is van oordeel dat de minderjarigen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en dat de gronden voor een ondertoezichtstelling nog steeds aanwezig zijn. Uitsluitend door mee te gaan werken kan de impasse worden doorbroken, kan eventuele noodzakelijke hulpverlening op gang komen en kan aan de onderlinge verhoudingen tussen de vader en de moeder worden gewerkt.

Aangezien het hof inhoudelijk in de hoofdzaak beslist, heeft de vader geen belang meer bij zijn verzoek de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking te schorsen. Het hof zal de vader in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.

Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6De beslissing

Het hof:

in de zaak met nummer 200.352.209/02:

verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking;

in de zaak met nummer 200.352.209/01:

bekrachtigt de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I. Reijngoud, M.L.C.C. Lückers en B. Breederveld, bijgestaan door A.J. Suderée als griffier, en is op 16 juli 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.


Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.