ECLI:NL:GHDHA:2025:2904 Gerechtshof Den Haag , 12-11-2025 / 200.346.925/01 en 200.346.925/02
Partneralimentatie. Meerdere wijzigingen van omstandigheden. Het hof berekent de partneralimentatie opnieuw voor drie perioden. Van de vrouw kan in redelijkheid worden verlangd dat zij het door de man te veel betaalde aan partneralimentatie aan de man terugbetaalt.
Calcul en cours · 0
Inhoudsindicatie. Partneralimentatie. Meerdere wijzigingen van omstandigheden. Het hof berekent de partneralimentatie opnieuw voor drie perioden. Van de vrouw kan in redelijkheid worden verlangd dat zij het door de man te veel betaalde aan partneralimentatie aan de man terugbetaalt.
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummers : 200.346.925/01 en 200.346.925/02
rekestnummer rechtbank : FA RK 23-5588
zaaknummer rechtbank : C/10/663128
beschikking van de meervoudige kamer van 12 november 2025
inzake
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. M.Y.M. Renken te Zoeterwoude,
tegen
[de vrouw] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. K.H. de Vries te Capelle aan den IJssel.
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 5 juli 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna te noemen: de bestreden beschikking).
2Het geding in hoger beroep
De man is op 4 oktober 2024 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Het hoger beroep is bij het hof ingeschreven onder het zaaknummer 200.346.925/01. Daarbij heeft de man tevens een verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde bestreden beschikking ingediend. Dit schorsingsverzoek is bij het hof ingeschreven onder het zaaknummer 200.346.925/02.
De vrouw heeft op 4 december 2024 een verweerschrift ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de man:
— een journaalbericht van 18 oktober 2024 met bijlage, ingekomen op 21 oktober 2024;
— een journaalbericht van 9 juli 2025 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
— een journaalbericht van 29 augustus 2025 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
— een journaalbericht van 9 september 2025 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
van de zijde van de vrouw:
— een e-mail van 17 juli 2025;
— een journaalbericht van 1 september 2025 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
— een journaalbericht van 9 september 2025 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.
De mondelinge behandeling heeft op 11 september 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
— de man, bijgestaan door zijn advocaat;
— de advocaat van de vrouw.
De vrouw is met bericht van verhindering niet verschenen. De advocaat van de man heeft ter zitting een pleitnotitie overgelegd.
3De feiten
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
Partijen zijn op [datum] 2003 te [plaats] met elkaar gehuwd.
Bij (tussen)beschikking van de rechtbank Rotterdam van 18 november 2019 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De echtscheiding is op 13 december 2019 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 22 januari 2021 is, voor zover in hoger beroep van belang, bepaald dat de man € 680,- per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie), telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
Bij beschikking van dit hof van 4 mei 2022 is, voor zover in hoger beroep van belang, voormelde beschikking van de rechtbank Rotterdam van 22 januari 2021 vernietigd en bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van 22 januari 2021, een partneralimentatie van € 424,- per maand dient te voldoen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
4De omvang van het geschil
Bij de bestreden beschikking is — met wijziging van de beschikking van dit hof van 4 mei 2022 — de partneralimentatie met ingang van 4 november 2023 bepaald op € 1.626,- per maand.
Voorts is bepaald dat de partneralimentatie per 1 januari 2024 moet worden verhoogd gelijk aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a Burgerlijk Wetboek (BW).
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de proceskosten zijn gecompenseerd aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het meer of anders verzochte is afgewezen.
De man verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
In het incident:
1. de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking ten aanzien van de partneralimentatie te schorsen voor de duur van de procedure in hoger beroep;
2. dan wel, de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking ten aanzien van de partneralimentatie te schorsen voor de duur van de procedure in hoger beroep, voor zover de daarbij aan de man opgelegde partneralimentatie een bedrag van € 424,- bruto per maand te boven gaat.
In de hoofdzaak:
3. de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover is bepaald dat de man aan de vrouw een partneralimentatie van € 1.626,- per maand dient te voldoen, en opnieuw rechtdoende: vast te stellen dat de beschikking van dit hof van 4 mei 2022 wijzigt in die zin, dat de daarbij aan de man opgelegde partneralimentatie met ingang van 4 november 2023 op nihil wordt gesteld, dan wel een beslissing die het hof juist acht.
De vrouw verzoekt het hof bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet dit toelaat, op voormelde gronden:
In het incident:
— de verzoeken van de man tot schorsing van de werking van de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde bestreden beschikking af te wijzen;
In de hoofdzaak:
— de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, dan wel zijn grieven te passeren, dan wel af te wijzen;
— opnieuw rechtdoende de bestreden beschikking te bekrachtigen, zo nodig met verbetering van de gronden;
— kosten rechtens.
5De motivering van de beslissing
Procesorde
Het hof overweegt als volgt. Op verzoek van het hof heeft de vrouw bij journaalbericht van 9 september 2025 een draagkrachtberekening in het geding gebracht. Het hof voegt die in het procesdossier toe. De vrouw heeft daarnaast nog andere stukken in het geding gebracht. Het hof laat die stukken buiten beschouwing, nu die buiten de termijn van tien dagen zijn ingekomen en bovendien naar het oordeel van het hof niet eenvoudig te doorgronden. Het hof acht de indiening van deze stukken dan ook in strijd met een goede procesorde. Het hof laat eveneens de door de man bij journaalbericht van 9 september 2025 ingekomen stukken buiten beschouwing, om dezelfde redenen als hiervoor ten aanzien van de stukken van de vrouw van die datum vermeld.
Schorsingsverzoek
Ten aanzien van het verzoek van de man tot (gedeeltelijke) schorsing van de werking van de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking, overweegt het hof als volgt. De man heeft bij dit verzoek geen belang meer omdat het hof in deze beschikking een inhoudelijke beslissing in de hoofdzaak geeft over het hoger beroep van de man. Het hof zal de man daarom niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van het schorsingsverzoek.
Partneralimentatie
Wijzigingen van omstandigheden
Een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst met betrekking tot levensonderhoud kan worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen (artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Niet in geschil is dat zich meerdere wijzigingen van omstandigheden hebben voorgedaan, waaronder de omstandigheid dat de vrouw met ingang van 4 november 2023 met pensioen is gegaan, als gevolg waarvan haar inkomen is gedaald.
Ook niet in geschil is dat zich na de bestreden beschikking opnieuw wijzigingen van omstandigheden hebben voorgedaan, te weten:
— de geboorte van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2024;
— de verkoop en levering van de voormalige echtelijke woning op 20 juni 2025 en het wijzigen van de woonlasten van de man op 1 augustus 2025.
Ingangsdatum
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op de juiste gronden de ingangsdatum op 4 november 2023 heeft bepaald. Het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd door de vrouw kan worden aangemerkt als een rechtens relevante wijziging van een omstandigheden. De man heeft vanaf die datum ook rekening kunnen houden met een wijziging nu het zelfstandig verzoek van de vrouw tot verhoging van de partneralimentatie in eerste aanleg reeds eerder werd ingediend, namelijk op 22 september 2023.
Gelet op het vorenstaande onderscheidt het hof derhalve de volgende (3) perioden:
— de periode van 4 november 2023 tot 10 september 2024;
— de periode van 10 september 2024 tot 1 augustus 2025;
— om pragmatische redenen gaat het hof uit van de periode vanaf 1 augustus 2025.
Periode van 4 november 2023 tot 10 september 2024
Behoefte van de vrouw
Niet in geschil is dat de behoefte van de vrouw € 3.249,- netto per maand bedraagt in 2021. Geïndexeerd naar 2022 bedraagt haar behoefte € 3.311,- netto per maand. Geïndexeerd naar 2023 bedraagt haar behoefte € 3.423,- netto per maand.
De aanvullende behoefte van de vrouw
Niet in geschil is dat de vrouw in 2023 een bruto AOW-uitkering ontving van € 9.942,- en een bruto pensioenuitkering van € 10.191,- en dat haar netto besteedbaar inkomen in 2023 € 1.399,- netto per maand bedraagt.
De aanvullende behoefte van de vrouw bedraagt in 2023 € 2.024,29 netto per maand.
Draagkracht van de man
In geschil is de draagkracht van de man. Het betreft de volgende posten:
— de bijstandsnorm;
— het woonbudget;
— de verwervingskosten;
— de advocaatkosten;
— de schulden;
— de inburgeringskosten en opleidingskosten van de echtgenote van de man;
— de reiskosten naar Marokko.
Bijstandsnorm
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op de juiste gronden heeft geoordeeld dat moet worden uitgegaan van de bijstandsnorm voor een alleenstaande. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze, na een eigen afweging, tot de zijne. In hoger beroep is niet gebleken van feiten of omstandigheden die leiden tot een ander oordeel. Ook het feit dat er inmiddels een kind is geboren uit de relatie tussen de man en zijn huidige partner maakt dit niet anders, ook nu moet zij geacht worden in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien.
Woonbudget
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op het moment van het geven van de beschikking op de juiste gronden heeft geoordeeld dat moet worden uitgegaan van het woonbudget. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze, na een eigen afweging, tot de zijne. In hoger beroep is niet gebleken van feiten of omstandigheden die leiden tot een ander oordeel. Nu de woning feitelijk is verkocht zal het hof de woonkosten van de man na datum verkoop opnieuw gaan beoordelen.
Verwervingskosten
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op de juiste gronden heeft geoordeeld dat geen rekening moet worden gehouden met de verwervingskosten. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de man een kostendekkende reiskostenvergoeding van zijn werkgever ontvangt om met het openbaar vervoer te reizen. Het hof is van oordeel dat de man onvoldoende heeft onderbouwd waarom niet van hem verlangd kan worden dat hij met het openbaar vervoer reist.
Advocaatkosten
Het hof houdt geen rekening met de door de man opgevoerde advocaatkosten van € 350,- per maand. Het hof overweegt dat niet in geschil is dat de man binnen afzienbare termijn liquide middelen ontvangt in verband met de verkoop en levering van de voormalige echtelijke woning aan een derde. De man ontvangt ten minste een bedrag van € 43.760,80 (zoals blijkt uit de nota van afrekening van de notaris overgelegd als productie 42 bij journaalbericht van 29 augustus 2025 en bijlage 1 bij journaalbericht van 9 juli 2025). De man kan in staat worden geacht om de schuld bij zijn advocaten af te lossen uit de op korte termijn vrij te komen overwaarde van de voormalige echtelijke woning.
Schulden
Transitielening
Uit de processtukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de man een transitielening voor de verduurzaming van zijn woning op 27 november 2023 is aangegaan van € 7.499,-. De man lost € 68,67 per maand af op deze lening. Deze schuld van de man is eerst ontstaan na de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding, zijnde 26 maart 2019. Door de man is onvoldoende onderbouwd – gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw – dat deze lening niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is.
Huwelijkse schulden
Het hof is van oordeel dat de man ook in hoger beroep onvoldoende inzage heeft gegeven in de huwelijkse schulden terwijl deze wel door de vrouw zijn betwist. De man stelt dat de hoogte van de huwelijkse schulden 1.700.000,- MAD bedraagt en dat hij hier maandelijks gemiddeld € 300,- op aflost. Door de man zijn weliswaar enkele stortingsbewijzen overgelegd maar het hof acht dit onvoldoende om aan te nemen dat de schulden bestaan. Gelet op het voorgaande zal het hof de schulden buiten beschouwing laten bij het berekenen van de draagkracht van de man.
Belastingaanslag
Naar het oordeel van het hof heeft de man ook in hoger beroep onvoldoende inzage gegeven ter onderbouwing van de door hem gestelde lening bij zijn familie om een Marokkaanse belastingschuld van € 5.000,- te voldoen. Door de man is weliswaar een afschrift (en de vertaling daarvan) van de [belastingadministratie] belastingadministratie overgelegd. Hieruit blijkt geenszins dat de belastingaanslag betrekking heeft op de woning van de man dan wel dat de man maandelijks aflost op deze schuld.
Inburgerings- en opleidingskosten van de echtgenote van de man
Het hof zal geen rekening houden met de inburgerings- en opleidingskosten van de echtgenote van de man. Het hof is van oordeel van de echtgenote van de man mag worden verwacht dat zij deze kosten zelf voldoet.
Reiskosten naar Marokko
Het hof is van oordeel dat de man ook in hoger beroep onvoldoende heeft gesteld, laat staan onderbouwd, om aan te nemen dat de reiskosten naar Marokko noodzakelijk zijn. Van de man mag worden verwacht dat hij deze kosten uit zijn vrije ruimte voldoet.
Conclusie periode van 4 november 2023 tot 10 september 2024
Uit het voorgaande volgt dat de grieven van de man met betrekking tot zijn draagkracht in de periode van 3 november 2023 tot 10 september 2024 falen. Het hof zal de bestreden beschikking in zoverre bekrachtigen.
Periode van 10 september 2024 tot 1 augustus 2025
Behoefte van de vrouw
Niet in geschil is dat de behoefte van de vrouw geïndexeerd naar 2024 € 3.636,- per maand bedraagt.
Aanvullende behoefte van de vrouw
Het hof zal voor het eigen inkomen van de vrouw in deze periode uit gaan van een AOW-uitkering van € 9.954,- per jaar, en een pensioenuitkering van € 10.192,- per jaar, zoals blijkt uit de betaalspecificaties van april 2024 (overgelegd als bijlage 17 bij de brief van 17 mei 2024 in eerste aanleg). Het netto besteedbaar inkomen van de vrouw bedraagt € 1.414,- per maand in 2024.
Het voorgaande betekent dat de vrouw nog een aanvullende behoefte heeft van (€ 3.636,- — € 1.414,-) € 2.222,- netto per maand.
Draagkracht van de man
Inkomen van de man
Het hof zal voor het inkomen van de man in deze periode uitgaan van zijn jaaropgave 2024 (overgelegd als productie 32 bij journaalbericht van 29 augustus 2025) waaruit een inkomen blijkt van € 71.946,- bruto in 2024. Daarnaast ontvangt de man een pensioenuitkering van € 5.872,- bruto in 2024 van het verevende ouderdomspensioen van de vrouw, zoals blijkt uit de jaaropgave 2024 van het ABP (overgelegd als productie 37 bij journaalbericht van 29 augustus 2025).
De rechtbank heeft in haar berekening rekening gehouden met de feitelijke hypotheekrente van € 4.173,- die de man betaalt en de helft van het eigenwoningforfait ten bedrage van € 569,-. Door partijen is hiertegen geen grief gericht en de man heeft heel 2024 in de voormalig echtelijke woning gewoond en deze lasten voldaan, zodat ook het hof aan de zijde van de man ook in deze periode hier rekening mee houdt.
Gelet op het vorenstaande berekent het hof het netto besteedbaar inkomen van de man in 2024 op € 4.351,- per maand.
Bijstandsnorm, woonbudget, verwervingskosten, advocaatkosten, schulden, inburgerings- en opleidingskosten van de echtgenote van de man en de reiskosten naar Marokko
Bij de berekening van de draagkracht van de man zal het hof – zoals hiervoor bij periode I overwogen – de verwervingskosten, de advocaatkosten, de schulden, de inburgerings- en opleidingskosten van de echtgenote van de man en de reiskosten naar Marokko van de man buiten beschouwing laten. Het hof zal rekening houden met de bijstandsnorm voor alleenstaande en het woonbudget, gelet op hetgeen hierover reeds is overwogen bij periode I.
Geboorte [minderjarige]
Het hof overweegt als volgt. In hoger beroep is vast komen te staan dat de man met zijn huidige echtgenote op [geboortedatum] 2024 ouder is geworden van [minderjarige] . Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting acht het hof het redelijk dat, gelet op de feitelijke situatie van de echtgenote van de man, de man volledig in de behoefte van [minderjarige] voorziet.
Het hof berekent de behoefte van [minderjarige] op basis van het gezinsinkomen in 2024. Het netto besteedbaar inkomen van de man bedraagt € 4.351,- in 2024. De echtgenote van de man had in 2024 geen inkomen. Op basis van de behoeftetabel 2024 stelt het hof de behoefte van [minderjarige] vast op € 611,- per maand in 2024.
Nu de man volledig dient te voorzien in de behoefte van [minderjarige] , zullen deze kosten van € 611,- per maand in mindering worden gebracht op de draagkracht van de man.
Het netto besteedbaar inkomen van de man bedraagt € 4.351,- per maand. De draagkrachtformule wordt als volgt toegepast: 60% x [NBI— (0,3 x NBI + 1.270,-)]. De draagkracht van de man bedraagt dan afgerond € 1.776,- per maand. Na aftrek van de kinderbijdrage van € 611,- per maand die de man voldoet ten behoeve van [minderjarige] resteert een draagkracht van € 455,- netto per maand, zijnde € 721,- bruto per maand. Het hof verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekeningen.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bepalen dat de man aan de vrouw met ingang van 10 september 2024 een bijdrage in haar levensonderhoud van € 721,- bruto per maand dient te voldoen.
Wettelijke indexering
Het hof acht het in deze zaak redelijk en billijk om rekening te houden met de wettelijke indexering gelet op het feit dat de man loontrekkend is en het hof ervan uit gaat dat zijn inkomen is gestegen. Gelet op deze wettelijke indexering bedraagt de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw per 1 januari 2025 € 768,- bruto per maand.
Periode vanaf 1 augustus 2025
Behoefte van de vrouw
Niet in geschil is dat de behoefte van de vrouw geïndexeerd naar 2025 € 3.872,- per maand bedraagt.
Aanvullende behoefte van de vrouw
Inkomen van de vrouw
Het hof gaat in deze periode uit van een AOW uitkering van € 10.452,- bruto per jaar en een pensioenuitkering van € 10.380,- bruto per jaar zoals blijkt uit de betaalspecificaties uit 2025 (overgelegd als bijlage 5 bij journaalbericht van 1 september 2025). Het netto besteedbaar inkomen van de vrouw bedraagt € 1.462,- per maand.
Interen op haar vermogen
Het hof overweegt als volgt. Uit de aan het hof overgelegde stukken en het besprokene ter zitting is gebleken dat partijen de voormalige echtelijke woning op 20 juni 2025 hebben verkocht en geleverd aan een derde. In dat kader heeft de vrouw een bedrag van € 148.351,65 ontvangen (minus de boete voor het niet tijdig leveren van de voormalige echtelijke woning). Ter zitting heeft de advocaat van de man gesteld dat van de vrouw in redelijkheid kan worden verlangd dat zij met een bedrag van € 392,- per maand kan interen. Ondanks het verweer van de vrouw acht het hof het redelijk en billijk, mede gezien de omvang van het bedrag dat de vrouw heeft ontvangen en haar leeftijd, dat zij maandelijks met een bedrag van € 392,- inteert op haar vermogen. Door de vrouw zijn geen stukken overgelegd waar uit blijkt dat het volledige door de vrouw ontvangen bedrag is opgesoupeerd. Het hof gaat er derhalve vanuit dat de vrouw nog beschikt over dit vermogen.
Het voorgaande betekent dat de vrouw nog een aanvullende behoefte heeft van (€ 3.872,- — (€ 1.462,- + € 392,-) € 2.018,- netto per maand.
Draagkracht van de man
Inkomen van de man
Het hof gaat voor deze periode uit van een netto besteedbaar inkomen van € 4.390,- per maand.
Bijstandsnorm, verwervingskosten, advocaatkosten, schulden, inburgerings- en opleidingskosten van de echtgenote van de man en de reiskosten naar Marokko
Bij de berekening van de draagkracht van de man zal het hof – zoals hiervoor bij periode I overwogen – de verwervingskosten, de advocaatkosten, de schulden, de inburgerings- en opleidingskosten van de echtgenote van de man en de reiskosten naar Marokko van de man buiten beschouwing laten. Het hof zal, gelet op hetgeen hierover reeds is overwogen in periode I, rekening houden met de bijstandsnorm voor alleenstaande.
[minderjarige]
Het hof zal voor deze periode eveneens rekening houden met de kosten die de man voldoet ten behoeve van [minderjarige] . Het hof heeft de behoefte van [minderjarige] onder periode II berekent op € 611,- in 2024. Na indexering bedraagt de behoefte van [minderjarige] in 2025 € 651,- per maand.
Woonbudget
Het hof overweegt als volgt. Na de verkoop van de voormalige echtelijke woning is de man met ingang van 1 augustus 2025 een appartement gaan huren. Niet is geschil dat de maandelijkse huur € 1.870,- per maand bedraagt. Wel is in geschil of met deze woonlasten volledig rekening moet worden gehouden.
Het hof is van oordeel dat rekening moet worden gehouden met de werkelijke woonlasten van de man, nu de man eveneens onderdak moet verlenen aan zijn minderjarige kind en de echtgenote van de man op dit moment feitelijk geen inkomen heeft. Het hof houdt geen rekening met de door de man gesteld servicekosten, lokale belastingen en gebruikslasten omdat deze lasten zijn verdisconteerd in de bijstandsnorm. Het hof zal rekening houden met de woonlasten van de man van € 1.870,- per maand.
Conclusie
Rekening houdend met de werkelijke woonlasten van de man, resteert aan de zijde van de man een draagkracht van € 726,- netto per maand. Hierop dient de bijdrage aan [minderjarige] van € 651,- per maand in 2025 in mindering te worden gebracht. Gelet op het vorenstaande resteert aan de zijde van de man een draagkracht van € 75,- netto per maand, zijnde € 119,- bruto per maand. Het hof verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekeningen.
Gelet op het vorenstaande zal het hof bepalen dat de man aan de vrouw met ingang van 1 augustus 2025 een bijdrage in haar levensonderhoud van € 119,- bruto per maand dient te voldoen.
Terugbetaling
Gelet op de verlaging van de partneralimentatie met terugwerkende kracht, dient volgens vaste jurisprudentie onderzocht te worden of aan de zijde van de vrouw een verplichting tot terugbetaling van hetgeen zij te veel aan onderhoudsbijdrage heeft ontvangen in redelijkheid kan worden aanvaard. In dit kader overweegt het hof dat de vrouw recent een aanzienlijk bedrag aan overwaarde heeft ontvangen door de verkoop van de voormalig gezamenlijke echtelijke woning. Het hof is van oordeel dat niet is gebleken dat dit bedrag in de afgelopen (zeer korte) periode is opgesoupeerd. Om deze redenen is het hof van oordeel dat van de vrouw in redelijkheid kan worden verlangd dat zij het door de man te veel betaalde aan partneralimentatie terugbetaald aan de man.
Het hof zal, anders dan door de man verzocht, geen concreet bedrag ten aanzien van de terugbetaling opnemen in het dictum. Het hof is hier niet toe in staat nu het hof door partijen onvoldoende geïnformeerd is welke bedragen inmiddels zijn betaald en welk bedrag er terugbetaald dient te worden.
Bewijsaanbod
Tot slot doet de vrouw een algemeen bewijsaanbod. Zij heeft dit aanbod echter op geen enkele wijze nader gespecificeerd. Van een partij die bewijs aanbiedt, mag worden verwacht dat zij voldoende concreet toelicht op welke van haar stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft en bewijs van feiten aanbiedt die van belang zijn voor de door het hof te nemen beslissing. Dit heeft de vrouw nagelaten, zodat het hof aan het bewijsaanbod voorbij zal gaan.
Proceskosten
Het hof zal gezien de familierechtelijke aard van de procedure de proceskosten in hoger beroep compenseren.
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.
6De beslissing
Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn schorsingsverzoek in hoger beroep;
vernietigt de bestreden beschikking voor zover deze betrekking heeft op de partneralimentatie vanaf 10 september 2024 en, in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in haar levensonderhoud met ingang van 10 september 2024 tot 1 januari 2025 op € 721,- bruto per maand;
bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in haar levensonderhoud met ingang van 1 januari 2025 tot 1 augustus 2025 op € 768,- bruto per maand;
bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in haar levensonderhoud met ingang van 1 augustus 2025 op € 119,- bruto per maand;
bepaalt dat de vrouw de eventueel teveel ontvangen uitkering in haar levensonderhoud over de periode van 10 september 2024 tot en met heden dient terug te betalen aan de man;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, A. Zonneveld en Z. Gademan, bijgestaan door mr. F. Spieker als griffier, en is op 12 november 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...