ECLI:NL:GHSHE:2025:1439 Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch , 22-05-2025 / 200.342.887_01
IPR. Gerechtelijke ontkenning vaderschap. Voorvraag vaderschap. Nu de man en de vrouw, zo heeft het hof in een met deze zaak samenhangende zaak geoordeeld, ten tijde van de geboorte van de kinderen met elkaar waren gehuwd, is de man de juridische vader van beide kinderen.
13 min de lecture · 2 686 mots
Inhoudsindicatie. IPR. Gerechtelijke ontkenning vaderschap. Voorvraag vaderschap. Nu de man en de vrouw, zo heeft het hof in een met deze zaak samenhangende zaak geoordeeld, ten tijde van de geboorte van de kinderen met elkaar waren gehuwd, is de man de juridische vader van beide kinderen.
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 22 mei 2025
Zaaknummer: 200.342.887/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/02/409875 / FA RK 23-2432 en C/02/413548 / FA RK 23-4147
in de zaak in hoger beroep van:
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. A.A. Broekman-de Feijter,
In deze zaak worden als belanghebbenden aangemerkt:
[de man]
,
zonder bekende woon- en/of verblijfplaats binnen en buiten Nederland,
hierna te noemen: de man.
[minderjarige 1]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2020, hierna: [minderjarige 1] ,
vertegenwoordigd door mr. V.J.C. Pieters, advocaat te Vlissingen , in haar functie als bijzondere curator over de minderjarige,
[minderjarige 2]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2022, hierna: [minderjarige 2] ,
vertegenwoordigd door mr. V.J.C. Pieters, advocaat te Vlissingen , in haar functie als bijzondere curator over de minderjarige.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
locatie: [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.
In het kort:
Deze procedure gaat over een verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap.
1Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 maart 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2Het geding in hoger beroep
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 25 juni 2025, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, zo nodig onder aanvulling van gronden, het verzoek van de vrouw tot ontkenning van het door het huwelijk ontstane vaderschap van de man met betrekking tot de minderjarige [minderjarige 2] en het verzoek van de bijzondere curator tot ontkenning van het door het huwelijk ontstane vaderschap van de man met betrekking tot de minderjarige [minderjarige 1] , gegrond te verklaren, alsnog toe te wijzen.
Bij ‘verweerschrift’ met producties, ingekomen ter griffie op 22 augustus 2024, heeft de bijzondere curator verzocht de verzoeken van de vrouw in hoger beroep toe te wijzen.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 april 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
— de vrouw, bijgestaan door mr. Broekman-de Feijter en de tolk A. Salomon (tolknr 22528);
-de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
-de bijzondere curator.
Op deze mondelinge behandeling is gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld de zaak over de echtscheiding met nummer 200. 342.112.
De man is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
— het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 1 maart 2024;
— het V8-formulier met bijlage van de advocaat van de vrouw d.d. 21 november 2024;
— de tijdens de mondelinge behandeling door de advocaat van de vrouw overgelegde geboorteakte van [minderjarige 3] (zie 3.7.).
3De beoordeling
De feiten
De vrouw is in 2016 vanuit Eritrea naar Nederland gekomen. Sinds 13 oktober 2016
heeft zij een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd.
In de verhoren bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) heeft de vrouw aangegeven gehuwd te zijn. Op 22 november 2016 heeft de vrouw een zogenaamde Verklaring onder Ede (hierna: VOE) afgelegd bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente 1] . Zij heeft daarin verklaard dat zij op 26 januari 2012 in [plaats] , Eritrea met de man is gehuwd. Op basis van deze verklaring staat de vrouw in de Basisregistratie Personen (BRP) als gehuwd geregistreerd.
In 2017 heeft de vrouw bij de IND, onder overlegging van een huwelijksakte waarin is vermeld dat zij op 26 januari 2012 in [plaats] , Eritrea, met de man is gehuwd, een aanvraag ingediend voor nareis van de man. De IND heeft die huwelijksakte op echtheid onderzocht en heeft deze vals bevonden.
Na bezwaar heeft de bestuursrechter in de rechtbank Den Haag het beroep van de vrouw gegrond verklaard (op grond van – kort gezegd – een motiveringsgebrek en de schending van hoor en wederhoor) en het bestreden besluit vernietigd. De IND is opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van vrouw met inachtneming van uitspraak.
In bezwaar heeft de IND haar eerdere conclusie gehandhaafd. De aanvraag voor nareis is afgewezen.
Sinds november 2021 is er geen contact meer geweest tussen de man en de vrouw.
Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 maart 2023 is het verzoek van de vrouw tot verklaring voor recht dat het huwelijk van partijen niet rechtsgeldig tot stand is gekomen, althans in Nederland niet kan worden erkend als een rechtsgeldig huwelijk, afgewezen.
Bij besluit van 7 mei 2024 heeft het college van B&W van de gemeente [gemeente 2] het verzoek van de vrouw om niet langer als gehuwd in de BRP geregistreerd te staan en/of de kinderen van de vrouw niet binnen dit huwelijk zijn geboren, afgewezen.
De vrouw heeft in Nederland drie kinderen gekregen:
— [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2020;
— [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2022;
— [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2024.
De biologische vader van de kinderen is de heer [biologische vader] (hierna: [biologische vader] ).
De vrouw wenst het huwelijk met de man door echtscheiding te laten ontbinden. Bij de beschikking van 5 maart 2024 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant het verzoek van de vrouw de echtscheiding tussen partijen uit te spreken en het verzoek om bij wijze van nevenvoorziening te bepalen dat het ouderlijk gezag over de kinderen uitsluitend door de vrouw zal worden uitgeoefend, afgewezen.
In het hoger beroep van de vrouw tegen die beslissing (zaaknummer 200.342.112/01) heeft het hof bij beschikking van 22 mei 2025, voor zover thans van belang, de beschikking van 5 maart 2024 de rechtbank Zeeland-West-Brabant vernietigd en alsnog de echtscheiding tussen de man en de vrouw uitgesproken.
De juridische voorvraag of tussen de man en de vrouw op 26 januari 2012 te [plaats] , Eritrea een rechtsgeldig huwelijk tot stand is gekomen, is in die beschikking bevestigend beantwoord.
Ook in de onderhavige procedure wordt van dat rechtsfeit uit gegaan.
De vrouw heeft de Eritrese nationaliteit. Van de man is de nationaliteit onbekend.
Van de man is geen woon- of verblijfplaats bekend. Hij heeft voor zover bekend nooit in Nederland gewoond.
De beslissing in eerste aanleg
Bij de bestreden beschikking van 29 maart 2024 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant het verzoek van de moeder, alsmede het verzoek van de bijzondere curator tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de man over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , afgewezen.
De standpunten
De vrouw kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
Bij de weergave van het standpunt van de vrouw, de bijzondere curator en de raad, heeft het hof hetgeen is aangevoerd ten aanzien van de geldigheid van het huwelijk niet opgenomen.
De vrouw voert — samengevat — het volgende aan.
De man is niet de biologische vader van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Omdat de kinderen binnen het huwelijk met de man zijn geboren, is hij wel geregistreerd als hun juridische vader en dragen de kinderen zijn achternaam. De biologische vader van de kinderen is [biologische vader] . De vrouw wil dat de juridische werkelijkheid in overeenstemming komt met de biologische werkelijkheid: dat [biologische vader] juridisch vader kan worden en dat de kinderen niet meer de achternaam van de man dragen.
De bijzondere curator vindt dat de rechten van de vrouw, [minderjarige 2] en [minderjarige 1] , en [biologische vader] op grond van artikel 8 EVRM worden geschaad als de juridische situatie niet in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie.
De raad adviseert — kort samengevat — het volgende.
De raad heeft laten weten dat het in het belang van de kinderen is dat hun biologische vader hun juridisch vader wordt en dat zij in zijn nabijheid kunnen opgroeien.
De overwegingen van het hof
Het hof overweegt het volgende.
Rechtsmacht
Het internationale karakter van de zaak vraagt een beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter.
Toepasselijk recht
Op grond van artikel 10:93 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is op de ontkenning van het vaderschap hetzelfde recht van toepassing als op de familierechtelijke betrekking. Ingevolge artikel 10:92 lid 1 BW is op het bestaan van de familierechtelijke betrekking van toepassing het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de ouders of, indien dit ontbreekt, het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van de ouders, en als die ook ontbreekt, het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. Lid 3 van dit artikel bepaalt dat het tijdstip van de geboorte van het kind bepalend is.
Nu de vrouw ten tijde van de geboorte van de kinderen een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd had, wordt de persoonlijke staat van de vrouw op grond van artikel 10:17 BW beheerst door het recht van haar woonplaats. Artikel 10:17 lid 2 BW bepaalt dat de rechten die de vrouw vroeger heeft verkregen en die uit de persoonlijke staat voortvloeien, in het bijzonder de rechten voortvloeiende uit het huwelijk, worden geëerbiedigd. Naar het oordeel van het hof is ten aanzien van de kinderen geen sprake van vroeger uit het huwelijk of anderszins verkregen rechten nu de kinderen in Nederland zijn geboren en de vrouw op dat tijdstip reeds over een verblijfsvergunning beschikte als bedoeld in artikel 10:17 lid 1 BW. De vrouw heeft derhalve geen rechten verkregen op basis van het Eritrese recht.
Het voorgaande betekent dat voor de toepassing van artikel 10:92 BW niet kan worden aangesloten bij een gemeenschappelijke nationaliteit van de man en de vrouw.
Ten tijde van de geboorte van de kinderen hadden de man en de vrouw evenmin een gemeenschappelijke gewone verblijfplaats, zodat dient te worden aangesloten bij de gewone verblijfplaats van de kinderen ten tijde van hun geboorte.
De kinderen zijn in Nederland geboren en zij hadden ten tijde van hun geboorte hun gewone verblijfplaats in Nederland. Gelet op het voorgaande is Nederlands recht van toepassing op het bestaan van de familierechtelijke betrekking.
Dat betekent dat op de tenietdoening van een familierechtelijke betrekking tussen de man en de kinderen eveneens Nederlands recht van toepassing.
Voorvraag vaderschap
In artikel 1:199 BW is bepaald dat de vader van een kind is de man die, op het tijdstip van de geboorte van het kind, met de vrouw uit wie het kind is geboren is gehuwd. Nu de man en de vrouw, zo heeft het hof in de zaak met nummer 200.342.112/01 geoordeeld, ten tijde van de geboorte van de kinderen met elkaar waren gehuwd, is de man de juridische vader van beide kinderen.
Inhoudelijke beoordeling
Op grond van artikel 1:200 lid 1 sub a en b BW kan gegrondverklaring van de ontkenning van het door het huwelijk of geregistreerd partnerschap ontstaan vaderschap worden verzocht door de moeder, op de grond dat de man niet de biologische vader is van het kind. Lid 5 van dit artikel bepaalt dat het verzoek tot gegrondverklaring door de moeder moet worden ingediend binnen één jaar na de geboorte van het kind.
Ingevolge lid 6 wordt het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning vaderschap door
het kind bij de rechtbank ingediend binnen drie jaren nadat het kind bekend is geworden met het feit dat de man vermoedelijk niet zijn biologische vader is. Indien het kind evenwel gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit feit, kan het verzoek tot uiterlijk drie jaren nadat het kind meerderjarig is geworden, worden ingediend.
Het hof stelt vast dat de vrouw voor [minderjarige 2] het verzoek op 23 mei 2023, en derhalve binnen één jaar na de geboorte van [minderjarige 2] , heeft ingediend.
De bijzondere curator heeft het verzoek voor [minderjarige 1] op 4 september 2023 en derhalve tijdig, want gedurende de minderjarigheid van [minderjarige 1] , ingediend.
Van de onder lid 2, 3 (en 4) van artikel 1:200 BW genoemde beletstelen is geen sprake.
Naar het oordeel van het hof staat vast dat de man niet de biologische vader van de kinderen is. De vrouw heeft de man in augustus 2015 voor het laatst in Eritrea gezien. Eind 2021 heeft de vrouw het contact met de man volledig verloren.. De vrouw heeft een relatie met [biologische vader] , met wie zij samenwoont. [biologische vader] is blijkens de rapportage van 24 juli 2023 van het door Verilabs verrichte verwantschapsonderzoek, de biologische vader van de kinderen – en de man dus niet.
Nu ook overigens niet is gebleken dat het verzoek onrechtmatig of ongegrond is, zal het hof het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de man met betrekking tot de kinderen toewijzen.
Gelet op het bepaalde in artikel 1:202 BW wordt, nadat deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, het door het huwelijk ontstane vaderschap geacht nimmer gevolg te hebben gehad. Dit betekent dat de kinderen van rechtswege de geslachtsnaam van de moeder zullen hebben.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen en het verzoek van de vrouw en het verzoek van de bijzondere curator alsnog toewijzen.
Tot slot merkt het hof dat het op de weg van de vrouw ligt om deze beschikking openbaar te betekenen aan de man, zodat na afloop van de beroepstermijn, deze beschikking in kracht van gewijsde gaat.
Het hof zal bepalen dat de griffier op de voet van artikel 1:20e lid 1 BW niet eerder dan drie maanden na de dag van deze beschikking een afschrift daarvan zal zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [geboorteplaats minderjarige 2] en de gemeente [geboorteplaats minderjarige 1] , dit met het oog op het bepaalde in artikel 1:20 lid 1 en onder a BW juncto artikel 1:20a lid 1 BW.
Hierbij tekent het hof aan dat de ambtenaar van de burgerlijke stand zich ervan dient te vergewissen dat de beroepstermijn van drie maanden, te rekenen vanaf de dag van de openbare betekening aan de man, is verstreken en dat van deze beslissing geen cassatie is ingesteld, hetgeen betekent dat de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, voor over te gaan tot opneming van de latere vermelding van de ontkenning van het vaderschap.
De werkzaamheden van de bijzondere curator zijn hiermee geëindigd, tenzij alsnog door (een van) partijen een rechtsmiddel wordt ingesteld tegen de onderhavige beschikking.
Het hof zal de proceskosten in beide instanties compenseren, gelet op de familierechtelijke aard van de procedure.
4De beslissing
Het hof:
vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 maart 2024;
en opnieuw rechtdoende:
verklaart gegrond de ontkenning van het vaderschap van [de man] , geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] , Eritrea, ten aanzien van de minderjarigen
[minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2020;
[minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2022,
bepaalt dat de griffier op de voet van artikel 1:20e lid 1 BW niet eerder dan drie maanden na de dag van deze beschikking een afschrift daarvan zal zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [geboorteplaats minderjarige 2] en de gemeente [geboorteplaats minderjarige 1] , dit met het oog op het bepaalde in artikel 1:20 lid 1 en onder a BW juncto artikel 1:20a lid 1 BW, welke ambtenaar zich ervan dient te vergewissen zich dat de beroepstermijn van drie maanden, te rekenen vanaf de dag van de openbare betekening aan de man, is verstreken en dat van deze beslissing geen cassatie is ingesteld;
compenseert de proceskosten in beide instanties, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, A.J.F. Manders en M.A. Stammes en is op 22 mei 2025 uitgesproken in het openbaar door mr. C.M.J. Peters in tegenwoordigheid van de griffier.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...