ECLI:NL:GHSHE:2025:1575 Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch , 05-06-2025 / 200.351.542_01
Gezagsbeëindiging vanwege het verstrijken van de aanvaardbare termijn. De onzekerheid over het opgroeiperspectief mag niet langer voortduren.
16 min de lecture · 3 498 mots
Inhoudsindicatie. Gezagsbeëindiging vanwege het verstrijken van de aanvaardbare termijn. De onzekerheid over het opgroeiperspectief mag niet langer voortduren.
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 5 juni 2025
Zaaknummer : 200.351.542/01
Zaaknummer 1e aanleg : C/01/392342 / FA RK 23-1673
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. F. Pool,
tegen
Raad voor de Kinderbescherming,
regio Oost-Brabant, locatie [locatie] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de raad.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
Gezinshuis [gezinshuis],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: het gezinshuis.
In het kort:
De moeder is het er niet mee eens dat de rechtbank het ouderlijk gezag over haar zoon [minderjarige] heeft beëindigd.
1Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, van 19 december 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2Het geding in hoger beroep
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 24 februari 2025, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:
primair: het verzoek van de raad tot beëindiging van het gezag van de moeder en benoeming van de GI tot voogd alsnog af te wijzen;
subsidiair: de beslissing op het verzoek van de raad tot beëindiging van het gezag van de moeder en benoeming van de GI tot voogd aan te houden voor de duur van zes maanden.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 30 april 2025, heeft de raad verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen als zijnde ongegrond en de voormelde beschikking te bekrachtigen.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 mei 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
— mr. J. Brouwer, waarnemend voor mr. F. Pool, namens de moeder;
— de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
— de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] ;
— het gezinshuis, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger gezinshuis] .
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
— het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 21 november 2024.
3De beoordeling
De moeder en de heer [de vader] (hierna: de vader) hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Tijdens deze relatie is geboren:
— [minderjarige] (hierna: [minderjarige]), op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] .
De vader heeft [minderjarige] erkend. De moeder oefent alleen het gezag over [minderjarige] uit.
De vader woont niet in Nederland en [minderjarige] heeft geen contact met hem.
[minderjarige] staat sinds 17 januari 2020 onder toezicht van de GI. De maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 17 januari 2025.
[minderjarige] woont sinds augustus 2018 niet meer bij de moeder. In augustus 2018 is hij op verzoek van de moeder geplaatst in een crisisgroep van [instantie] . [minderjarige] verblijft sinds 18 december 2018 in het gezinshuis [gezinshuis] , aanvankelijk op vrijwillige basis en vanaf 17 januari 2020 op grond van een daartoe strekkende machtiging uithuisplaatsing. De aan de GI verleende machtiging tot uithuisplaatsing is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 25 juni 2024 tot 17 januari 2025.
Tussen [minderjarige] en de moeder geldt een omgangsregeling waarbij [minderjarige] één keer per maand gedurende het weekend twee nachten bij de moeder thuis blijft slapen. De moeder gaat verder eenmaal per maand voor de duur van één uur naar het gezinshuis. In de overige weekenden hebben de moeder en [minderjarige] een belmoment.
Bij de rechtbank
Bij de bestreden — uitvoerbaar bij voorraad verklaarde — beschikking heeft de rechtbank het gezag van de moeder beëindigd en de GI benoemd tot voogd.
Bij het hof
De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. Zij voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, – kort samengevat – het volgende aan.
Grief I: Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld dat een beëindiging van het gezag van de moeder op dit moment geen strijd oplevert met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), omdat de maatregel wel degelijk noodzakelijk is en er geen lichtere maatregelen zijn om de belangen van [minderjarige] te beschermen.
Er is niet voldaan aan de vereisten die het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) stelt aan een gezagsbeëindiging, ongeacht of wordt voldaan aan de vereisten van artikel 1:266 lid 1 BW. Daar waar onze wetgever ervan uitgaat dat het gezag reeds beëindigd kan worden als de ouders niet binnen een aanvaardbare termijn in staat zijn de verzorging en opvoeding van het kind op zich te nemen, is het EHRM van oordeel dat slechts sprake kan zijn van beëindiging van het ouderlijk gezag wanneer voortzetting van de familieband schadelijk is voor het kind. Deze lijn is in latere jurisprudentie van het EHRM en in Nederlandse jurisprudentie bevestigd. Gezagsbeëindiging is niet noodzakelijk om de gewenste duidelijkheid omtrent het toekomstperspectief van [minderjarige] te geven. De onzekerheid kan reeds worden weggenomen op het moment dat alle betrokken partijen kunnen instemmen met zijn verblijf elders en zij dit uitstralen naar [minderjarige] . De moeder benadrukt ten stelligste dat zij hiervoor openstaat, althans dat zij aan de slag wenst te gaan met de hulpverlening om dit in goede banen te leiden. Er zijn dus minder ingrijpende alternatieven voorhanden om [minderjarige] duidelijkheid te geven over zijn toekomstperspectief. Het middel (gezagsbeëindiging) treft geen doel (duidelijkheid over het opgroeiperspectief). Het belang van [minderjarige] verzet zich niet tegen het verlengen van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing. De moeder is bovendien in staat [minderjarige] niet te betrekken in de strijd die zij voert. De verlengingen van de kinderbeschermingsmaatregelen zouden schriftelijk kunnen worden afgedaan en uiteindelijk kan er worden toegewerkt naar een vrijwillig kader. De moeder maakt verder geen misbruik van haar gezag. Zij verleent altijd haar toestemming voor gezagsbeslissingen.
Grief II: Ten onrechte heeft de rechtbank het subsidiaire verzoek van de moeder om de beslissing op het verzoek van de raad aan te houden voor de duur van zes maanden, afgewezen.
Het verzoek om de zaak aan te houden was er (tevens) op gericht om bij [minderjarige] meer duidelijkheid te creëren over zijn opgroeiperspectief zodat een gezagsbeëindigende maatregel kan worden voorkomen. Het is nooit de intentie van de moeder geweest om de onduidelijkheid die [minderjarige] ervaart in stand te houden. Zij wenst deze juist weg te nemen. De moeder staat achter het opgroeiperspectief van [minderjarige] en wil hulp krijgen om dit naar [minderjarige] uit te kunnen dragen. De moeder wil graag de kans krijgen om te laten zien dat zij vorderingen maakt in het acceptatieproces en dat zij uit zichzelf [minderjarige] emotionele toestemming geeft om niet bij haar op te groeien.
De raad voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, – kort samengevat – het volgende aan.
In reactie op grief I:
De rechtbank heeft de juiste overweging gemaakt en de gezagsbeëindigende maatregel terecht toegewezen. Een lichtere maatregel, zoals het in stand laten van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing en in de toekomst toewerken naar een vrijwillig kader, wordt niet in het belang van [minderjarige] geacht. De moeder heeft een onvolledig beeld van haar zoon. Dit maakt het voor haar lastig om beslissingen te nemen die in het belang van [minderjarige] zijn. [minderjarige] ervaarde veel onduidelijkheid en spanning over zijn toekomstperspectief. Door deze onzekerheid was [minderjarige] snel boos en gefrustreerd. Hij had een terugval in zijn gedrag op school en in het gezinshuis. De uitspraak van de rechtbank heeft voor duidelijkheid en rust bij [minderjarige] gezorgd. Hoewel het positief is dat de moeder lijkt te berusten (ook al is haar eigen wens anders) in het besluit rondom het opgroeiperspectief van [minderjarige] , is dit nog pril. Er is bij de moeder een mate van ambivalentie ten aanzien van de plaatsing van [minderjarige] . Zo heeft de moeder zich tot aan september 2024 middels hoger beroep tegen de machtiging tot uithuisplaatsing verzet. De moeder heeft pas recent aangegeven dat zij achter de plaatsing zou staan. De moeder draagt aan dat de verlengingen van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing schriftelijk afgedaan kunnen worden en er uiteindelijk kan worden toegewerkt naar een vrijwillig kader. Deze situatie is voor [minderjarige] te belastend en kan, gezien de tijdelijke aard van deze maatregels, voor onzekerheid zorgen. De indruk kan gewekt worden dat er nog gewerkt wordt aan een terugkeer naar huis. Ook wanneer de beslissingen rondom een verlenging schriftelijk afgedaan zouden worden, kan dit nog steeds voor onduidelijk en stress zorgen bij [minderjarige] . Een gezagsbeëindigende maatregel is noodzakelijk om de ontwikkeling van [minderjarige] te blijven waarborgen en om ervoor te zorgen dat [minderjarige] rust en duidelijkheid ervaart in waar hij op mag groeien.
In reactie op grief II:
Het aanhouden van de beslissing op het verzoek van de raad is niet in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] ervaarde voor de uitspraak veel onduidelijkheid. Door de procedure in hoger beroep tegen de machtiging uithuisplaatsing (2023) is het verzoek van de raad al ruim anderhalf jaar aangehouden. Voor [minderjarige] is de aanvaardbare termijn om in onzekerheid over zijn opgroeiperspectief te verkeren meer dan verstreken.
De GI voert – kort samengevat – het volgende aan.
Het contact tussen de GI en de moeder is wisselend. In het begin moest alles bij de moeder bezinken. De moeder was bang dat zij geen moeder meer kon zijn. De GI heeft toen aangegeven dat de betrokkenheid van de moeder juist heel fijn is. Ondanks dat het gezag nu niet meer bij de moeder ligt, wil de GI de moeder wel blijven betrekken. Zo is de moeder uitgenodigd voor verschillende gesprekken toen er bij [minderjarige] werd gestart met medicatie. Zij is echter niet op deze gesprekken verschenen. Hoewel de moeder stelt dat de omgangsmomenten goed gaan, verlopen deze momenten volgens [minderjarige] wisselend. Hij moet bijvoorbeeld mee naar het werk van de moeder of mee boodschappen doen. [minderjarige] is niet altijd positief over de omgangsmomenten. De laatste tijd ziet het gezinshuis veel verschuivingen inzake de omgangsmomenten. De omgangsmomenten worden verzet of [minderjarige] wordt eerder teruggebracht of later opgehaald. Dit maakt de omgangsmomenten voor [minderjarige] onduidelijk en onveilig. Nu is gezegd dat [minderjarige] in het gezinshuis kan wonen, heeft dit voor veel rust en duidelijkheid bij [minderjarige] gezorgd. Hij was bang dat hij terug naar zijn moeder zou moeten. Dit heeft voor veel spanningen gezorgd.
Mw. [vertegenwoordiger gezinshuis] verklaart – kort samengevat – het volgende.
[minderjarige] heeft uitgesproken dat hij in het gezinshuis wil blijven wonen. Dit was vanwege zijn loyaliteit voor de moeder lastig voor hem. Cognitief gezien heeft hij goed door dat hij weinig grip op de situatie heeft en het de moeder veel verdriet zou doen wanneer hij zou kiezen voor het gezinshuis. [minderjarige] heeft veel angsten ontwikkeld tijdens zijn eerdere crisisplaatsing. Het zou [minderjarige] rust geven wanneer de voogdij bij de GI blijft. De grootste angst van het gezinshuis is dat, indien de moeder het gezag blijft behouden, [minderjarige] elk jaar opnieuw zal worden bevraagd over de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing. Bij [minderjarige] zit een diepe angst over de plek waar hij mag verblijven. Nu de moeder in het buitenland verblijft, vindt er geen omgang tussen de moeder en [minderjarige] plaats. [minderjarige] vindt het lastig wanneer de omgang wordt verzet of niet doorgaat. Bovendien heeft [minderjarige] een jonger zusje aan wie hij zich tijdens de omgang dient aan te passen. Dat vindt hij moeilijk. Het lukt de moeder hierbij niet goed om op te vangen wat er gebeurt, of hem op tijd hierin te begeleiden. De moeder heeft geen goed zicht op wie [minderjarige] is en wat hij nodig heeft. [minderjarige] ervaart dan ook veel onveiligheid in het contact met de moeder. De moeder volgt bovendien de ontwikkelingen van [minderjarige] niet heel nauwgezet. Het stukje wat de moeder kan doen om haar moederrol op te pakken, lijkt haar niet te lukken. Verder speelt het cultuurverschil voor de moeder een rol. Het gezinshuis respecteert haar geloof. Wat het betekent om moslim te zijn, dient de moeder [minderjarige] echter zelf bij te brengen. De moeder vertaalt de situatie daarentegen anders en stelt dat er niks gebeurt.
Het hof overweegt het volgende.
Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien
een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
de ouder het gezag misbruikt.
Er is geen sprake van misbruik van het gezag. De vraag die dan aan het hof voorligt, is of [minderjarige] zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en de moeder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van [minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn.
Bij artikel 1:266 lid 1 aanhef en sub a BW is blijkens de memorie van toelichting het ijkpunt voor het bepalen van de aanvaardbare termijn voor een kind de periode van onzekerheid over in welk gezin hij verder zal opgroeien die het kind kan overbruggen zonder verdergaand ernstige schade op te lopen voor zijn ontwikkeling. Wat voor een minderjarige een redelijke termijn is, is afhankelijk van zijn leeftijd en ontwikkeling. De rechter dient na te gaan of de gezagsbeëindiging in het concrete geval in redelijke verhouding staat tot het na te streven doel (proportionaliteitsbeginsel) en of het te beogen resultaat niet met een minder ingrijpend alternatief bereikt kan worden (subsidiariteitsbeginsel).
Uit artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) vloeit voort dat de beëindiging van het gezag van de ouder(s) in het belang van de minderjarige noodzakelijk dient te zijn. Iedere kinderbeschermingsmaatregel is in principe tijdelijk en moet als doel hebben om het kind weer terug naar thuis te laten keren. De overheid moet hulpverlening of andere ondersteuning inzetten die ervoor kan zorgen dat een kind weer terug naar huis kan en met het gezin wordt herenigd. De mogelijkheid van terugplaatsing moet serieus zijn overwogen en de ouders moeten in voldoende mate in het besluitvormingsproces zijn betrokken. Voor het beëindigen van het gezag is vereist dat de rechter een afweging maakt tussen de belangen van het kind en die van zijn ouder(s). Die belangenafweging kan in het nadeel van de ouder(s) uitvallen als het belang van het kind om na het verstrijken van een (aanzienlijke) periode bij het pleeggezin te kunnen blijven opgroeien zwaarder weegt dan het belang van de ouders bij gezinshereniging.
Er kan echter slechts sprake zijn van beëindiging van het ouderlijk gezag wanneer de instandhouding van het gezag van het kind schadelijk is voor de gezondheid en ontwikkeling van het kind.
Op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting, is duidelijk dat [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] kampt met complexe kindeigen problematiek op diverse levensgebieden. Er is sprake van een forse ontwikkelingsachterstand op sociaal-emotioneel en cognitief niveau. Hij laat in hoge mate hyperactief en impulsief gedrag zien en kan zich slechts korte tijd op iets concentreren. Deze problematiek, die zeer waarschijnlijk samenhangt met aanhoudende gevoelens van angst en onveiligheid vanuit belastende ervaringen in zijn jonge levensjaren, brengt met zich dat de opvoeding van [minderjarige] bovengemiddelde pedagogische kwaliteiten vergt van de opvoeder. Gezondheidspsychologen [gezondheidspsycholoog 1] en [gezondheidspsycholoog 2] hebben op grond van een bij de moeder uitgevoerd forensisch psychologisch onderzoek (via het NIFP) in maart 2024 geconcludeerd dat de specifieke ontwikkelingsbehoefte van [minderjarige] en de opvoedcapaciteiten van de moeder onvoldoende met elkaar verenigd kunnen worden binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn. Bovendien lijkt de moeder (de ernst van) de problematiek van [minderjarige] onvoldoende te onderkennen. Hiermee toont de moeder dat zij geen zicht heeft op hetgeen van de moeder wordt gevergd om tegemoet te kunnen komen aan de specifieke opvoedingsbehoeftes van haar zoon. Bij een eventuele terugplaatsing bij de moeder schatten de deskundigen een achteruitgang van [minderjarige] zijn algehele functioneren in.
Hoewel de moeder in hoger beroep zegt in te stemmen met het verblijf van [minderjarige] in het gezinshuis, spreekt zij tegelijkertijd de (invoelbare) wens uit dat [minderjarige] ooit weer thuis kan komen wonen. Evenals de raad, ziet het hof een ambivalente houding van de moeder ten aanzien van de plaatsing in het gezinshuis. Waar de moeder in het beroepschrift stelt in te kunnen stemmen met het verblijf van [minderjarige] elders, wilde de moeder ten tijde van de mondelinge behandeling bij de rechtbank nog dat er werd ingezet op thuisplaatsing. In het verzoekschrift is opgenomen dat de moeder over voldoende opvoedvaardigheden zou beschikken om de thuisplaatsing van [minderjarige] mogelijk te maken. Zij zou zelf de verzorging en opvoeding van [minderjarige] kunnen dragen. Ook uit het NIFP-onderzoek kwam naar voren dat de moeder de plaatsing van [minderjarige] (nog) niet heeft kunnen accepteren en zij altijd voor [minderjarige] zal blijven vechten. Het lukte de moeder niet altijd om één lijn met het gezinshuis te trekken. Zij zou op enig moment zelfs gedreigd hebben [minderjarige] bij het gezinshuis op te halen. Daarbij heeft de moeder tegen alle (verlengings)beslissingen over de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing hoger beroep ingesteld. Gelet hierop kan het hof niet vaststellen dat de moeder daadwerkelijk duurzaam instemt met het verblijf van [minderjarige] bij het gezinshuis. Er blijft daardoor onzekerheid bestaan over de instemming van de moeder met het opvoedperspectief van [minderjarige] , hetgeen in strijd met zijn belang is.
Zelfs indien de moeder met de plaatsing zou kunnen instemmen, is het hof er niet van overtuigd dat een plaatsing in het vrijwillige kader tot de mogelijkheden behoort. Het hof acht dit gezien de problematiek van [minderjarige] eerder onhaalbaar. Een (langdurige) plaatsing van [minderjarige] in het gezinshuis dient dan ook met een beschermingsmaatregel te worden bewerkstelligd. Het voortduren van het gezag, terwijl het perspectief van [minderjarige] blijvend in het gezinshuis ligt, zou tot gevolg hebben dat de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing jaarlijks dienen te worden verlengd. Bij elke verlenging zou [minderjarige] , ook indien deze schriftelijk worden afgedaan, opnieuw worden belast. Er zal immers telkens naar zijn mening worden gevraagd. Tot nu toe heeft de aanhoudende onduidelijkheid veel spanningen en onrust bij hem opgeroepen. [minderjarige] heeft hierdoor een terugval in zijn ontwikkeling gehad. Voorts geldt dat de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing in beginsel van tijdelijke aard dienen te zijn. Die tijdelijkheid past niet bij de huidige situatie waarin duidelijk is dat het in het belang [minderjarige] is dat zijn toekomstperspectief in het gezinshuis ligt.
Het hof is van oordeel dat de aanvaardbare termijn voor [minderjarige] is verstreken en de onzekerheid over zijn perspectief daarom niet langer mag voortduren. Het is in het belang van [minderjarige] dat de huidige opvoedsituatie in het gezinshuis, die tegemoetkomt aan wat hij nodig heeft, wordt voortgezet en dat hij hierover duidelijkheid heeft. [minderjarige] ’s gezondheid en ontwikkeling verzetten zich tegen voortzetting van het gezag van de moeder.. Het hof acht het daarom, anders dan de moeder betoogt, in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat het gezag van de moeder wordt beëindigd. De gezagsbeëindiging zal aan de voor [minderjarige] onmisbare duidelijkheid over zijn perspectief bijdragen, in die zin, dat hij dan zeker weet dat hij niet meer bij zijn moeder zal wonen. Er zijn geen minder ingrijpende alternatieven voorhanden om [minderjarige] deze duidelijkheid te geven. Onder de gegeven omstandigheden is er geen strijdigheid het recht op het familie- en gezinsleven zoals neergelegd in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Het hof wijst tot slot het subsidiaire verzoek van de moeder tot aanhouding af. Het hof acht zich op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting voldoende voorgelicht om deze beslissing verantwoord te kunnen nemen. Verder uitstel is bovendien niet wenselijk. [minderjarige] heeft de duidelijkheid van de gezagsbeëindigende maatregel nodig om zich verder zo gezond mogelijk te kunnen ontwikkelen
Het voorgaande laat onverlet dat de moeder altijd een belangrijke rol in het leven van [minderjarige] zal blijven spelen. Gezien is dat de GI en het gezinshuis de moeder zo veel mogelijk betrekken in het leven van [minderjarige] . Het hof gaat er vanuit dat dit zo zal blijven.
Het bovenstaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.
4De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, C.M.J. Peters en M.I. Peereboom-van Drunick en is op 5 juni 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...