ECLI:NL:GHSHE:2025:1739 Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch , 19-06-2025 / 200.336.911_01
Wijziging gezamenlijk gezag naar eenhoofdig gezag moeder.
11 min de lecture · 2 289 mots
Inhoudsindicatie. Wijziging gezamenlijk gezag naar eenhoofdig gezag moeder.
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 19 juni 2025
Zaaknummer: 200.336.911/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/03/309231 / FA RK 22-3422
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder]
,
wonende op een bij het hof bekend geheim adres,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. M.C.L.G.J. Ruyters-Stevens,
tegen
[de vader]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
zonder advocaat.
Deze zaak gaat over de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] ;
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] ;
[minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: de kinderen.
Als informant wordt in deze zaak aangemerkt:
de gecertificeerde instelling Bureau Jeugdzorg Limburg, gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna te noemen: de GI.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Limburg, locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.
5De beschikking d.d. 27 juni 2024
Bij die beschikking heeft het hof de raad verzocht een onderzoek in te stellen naar het gezag en te rapporteren en adviseren over de volgende vragen:
welke mogelijkheden en belemmeringen ziet de raad voor gezamenlijk ouderlijk gezag over de kinderen?
wat acht de raad nodig om eventuele belemmeringen weg te nemen?
wat is het advies van de raad ten aanzien van het gezag?
welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in het kader van de voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?
Het hof heeft de raad verzocht tijdig vóór de pro forma datum van 7 november 2024 rapport en advies uit te brengen aan het hof, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen.
Het hof heeft iedere verdere beslissing aangehouden tot 7 november 2024 PRO FORMA.
6Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van:
— het rapport van de raad d.d. 15 januari 2025;
— de brief van de advocaat van de moeder d.d. 28 januari 2025.
Bij brief van 7 mei 2025 heeft het hof mededeling gedaan aan partijen dat sprake is van een rechterswisseling in deze zaak. Aan partijen is voorts de gelegenheid geboden hun eerdere standpunten geheel opnieuw voor te dragen.
De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 mei 2025.
Bij die gelegenheid zijn gehoord:
— de moeder, bijgestaan door mr. Ruyters-Stevens;
— de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
— de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] .
De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet op de mondelinge behandeling verschenen.
7De verdere beoordeling
In hoger beroep ligt het verzoek van de moeder voor om haar te belasten met het eenhoofdig gezag over de kinderen.
De raad adviseerde in het rapport van 15 januari 2025 om de beslissing over het gezag acht maanden aan te houden, om te zien of de vader meewerkt aan hulpverlening en het de ouders lukt om het gezamenlijk gezag beter vorm te geven. Tijdens de mondelinge behandeling van het hof van 15 mei 2025 heeft de raad dat advies gewijzigd, en het hof geadviseerd om het verzoek van de moeder tot wijziging van het gezamenlijk gezag van de ouders naar het eenhoofdig gezag van de moeder toe te wijzen. De raad adviseert om het gezag van de vader te beëindigen omdat hij van zijn kant niet de inzet heeft getoond die nodig was. Gebleken is dat het voor hem moeilijk was en ook nu nog is om afspraken (met de hulpverlening/de GI e.d.) te maken en deze na te komen. Daarbij komt dat de vader, ondanks dat de GI met hem het gesprek is aangegaan wat betreft de hulpverlening die voor hem nodig is, onder andere gericht op emotie-regulatie, nog altijd deze hulpverlening niet heeft ingeschakeld. Beëindiging van het gezag van de vader zal de vader mogelijk een bepaalde rust geven zodat hij zich volledig kan richten op de omgang tussen hem en de kinderen.
De moeder handhaaft het door haar aangevoerde standpunt in hoger beroep. Zij is het eens met het gewijzigde advies van de raad. De moeder wijst op tussentijdse voorvallen waaruit de noodzaak volgt om het gezag van de vader te beëindigen. Zo heeft zij een kort geding-procedure moeten starten om met de kinderen op vakantie te kunnen gaan en gaf de vader geen toestemming voor de aanvraag van ID-kaarten voor de kinderen. Ook weigerde hij mee te werken aan de aanmelding voor school van het derde kind van partijen ( [minderjarige 3] ). Hoewel de vader op de mondelinge behandeling bij de rechtbank verklaarde het aanmeldingsformulier alsnog te zullen ondertekenen, rende hij na het einde van de mondelinge behandeling weg en moest de ondertekening alsnog via de GI geregeld worden. De moeder benadrukt dat het gezamenlijk gezag niet nodig is om ervoor te zorgen dat zij meewerkt aan de omgang tussen de vader en de kinderen. Ten onrechte wordt er door de GI de indruk gewekt dat door de houding van de moeder de begeleide contacten bij [instantie 1] zijn gestopt. De moeder heeft in de afgelopen jaren meegewerkt aan de omgang tussen de vader en de kinderen en zal dit blijven doen. Ze wil graag een eindbeslissing.
. Van de kant van de vader is geen verweer gevoerd.
De GI benoemt tijdens de mondelinge behandeling van het hof dat er nog geen stappen zijn gezet in de onderlinge communicatie tussen de ouders. De overdracht vanuit [instantie 2] had meer tijd nodig dan gebruikelijk. Ook liet de intake bij de GI op zich wachten. Verder werkte het feit dat de vader tijdelijk in detentie verbleef vertragend. De GI heeft inmiddels met zowel de vader als de moeder afzonderlijk gesprekken gevoerd.
Met de vader is medio april 2025 gesproken over concrete mogelijkheden wat betreft de voor hem in te zetten hulpverlening. Hoewel de vader heeft verklaard dat er al een onderzoek is gedaan, weigert hij daarover de GI verder te informeren. Tot op dit moment is er aan de kant van de vader niets op dat vlak ondernomen. De GI herkent het verhaal van de moeder over de houding van de vader op de mondelinge behandeling bij de rechtbank en ziet een patroon bij de vader wat betreft het niet verlenen van toestemming ten aanzien van gezagskwesties. Toch is de GI voorstander van het behoud van het gezag bij de vader om ervoor te zorgen de (begeleide) omgang tussen de vader en de kinderen weer kan worden hervat en worden opgepakt. De GI acht dit in het belang van de kinderen.
. Het hof overweegt het volgende.
Uit het dossier is gebleken dat de laatste jaren voor de ouders en de kinderen zeer onrustig en onveilig waren. Na een periode van bird nesting is de moeder met de kinderen uit Limburg vertrokken en verbleef zij met de kinderen in een Blijf van mijn Lijf huis in [plaats] . Er was sprake van grensoverschrijdend gedrag van de vader jegens de moeder. Uit het raadsrapport van 27 maart 2023 (dat als bijlage bij het rapport van januari 2025 is gevoegd; het meest recente raadsrapport moet volgens de raad in samenhang hiermee gelezen worden) blijkt dat de vader een zeer fors strafblad heeft, met ook recente veroordelingen. De vader is onder meer strafrechtelijk veroordeeld voor huiselijk geweld, partnermishandeling en stalking jegens de moeder, ook in hoger beroep. Ook gold er een contactverbod.
Op dit moment loopt er bij de rechtbank nog een procedure in het kader van de omgang; de mondelinge behandeling daarvoor is op 25 juni 2025 bepaald. De BOR II-regeling die in dat kader is uitgevoerd bij [instantie 1] heeft laten zien dat het (begeleide) contact tussen de vader en de kinderen in beginsel goed verliep; de kinderen en de vader genoten van het contact. Desondanks zijn de contacten voortijdig gestopt. Dit kwam onder andere doordat de vader zich niet hield aan de gemaakte afspraken en de samenwerking met de vader moeizaam verliep; de vader hield zich niet aan de gestelde voorwaarden. Gebleken is dat het de vader niet lukt om zonder ondersteuning op een constructieve manier in gesprek te gaan met de hulpverlening. De vader staat onvoldoende open voor een visie of een advies dat niet past bij zijn eigen beeld of overtuiging. Tijdens het laatste BOR-traject maar ook uit eerdere verslagen volgt dat dit gedrag van de vader een forse belemmering vormt voor de voortgang van het contact met de kinderen. De vader lijkt te vervallen in een patroon waarin hij alles meerdere malen ter discussie stelt, waardoor zelfs het voeren van een gesprek onmogelijk wordt, aldus de GI. Hierdoor lukt het de vader niet om te kijken naar zijn eigen aandeel en te denken vanuit het kindperspectief. De GI benoemt in het raadsrapport dat de vader grenzen over gaat, tegen het belang van de kinderen in.
De vader is in deze hoger beroepsprocedure beide keren niet op de mondelinge behandeling van het hof verschenen, heeft zich ook niet laten vertegenwoordigen door een advocaat en heeft geen verweer gevoerd. Voorafgaand aan de laatste mondelinge behandeling heeft het hof telefonisch contact opgenomen met de GI om zich ervan te verzekeren dat de vader op de hoogte was van de mondelinge behandeling; dat was het geval. De vader is desalniettemin niet verschenen en heeft het hof dus niet in de gelegenheid gesteld zijn standpunt te vernemen en hem vragen te stellen. Hierdoor is het voor het hof onduidelijk gebleven of hij de aanbevelingen ten aanzien van een onderzoek / individuele hulp vanuit de raad en de GI heeft opgevolgd. Dit komt voor het rekening en risico van de vader. In ieder geval kan niet worden vastgesteld dat de vader van hulp heeft geprofiteerd.
Gebaseerd op het verloop van de afgelopen jaren acht het hof de vader niet in staat om met de moeder de samenwerking aan te gaan over de kinderen, zelfs niet met tussenkomst van hulpverlening (van onder meer de GI en de omgangsbegeleiding).
De communicatie tussen de ouders is een andere zorg die het hof laat meewegen in de beoordeling. Er is geen enkele ouderlijke communicatie.
De moeder informeert de vader (via de GI) maandelijks over de kinderen. Verder verloopt de communicatie via de GI. De GI wenst in het kader van de ondertoezichtstelling in te zetten op solo parallel ouderschap, maar tot op heden is dit (ondanks de adviezen van de diverse betrokken hulpverleners) niet van de grond gekomen.
Het hof ziet op dit moment geen perspectief op verbetering van de communicatie op korte termijn. Bovendien zijn de kinderen erbij gebaat als er rondom hen voortvarend beslissingen kunnen worden genomen. Gebleken is dat er zich in de afgelopen periode meerdere gezagsgeschillen hebben voorgedaan; de moeder heeft onder meer een kort geding procedure moeten starten om met de kinderen op vakantie te kunnen gaan en gaf de vader geen toestemming voor de aanvraag van ID-kaarten voor de kinderen. Ook weigerde hij mee te werken aan de aanmelding voor school van [minderjarige 3] . Verder volgt uit het meest recente raadsrapport dat de vader heeft verklaard dat hij wilde wachten met het geven van zijn toestemming aan de moeder voor het verkrijgen van de identiteitsbewijzen van de kinderen tot de uitkomst van het raadsonderzoek.
Vanuit beide ouders zijn er geen mogelijkheden om te werken aan de communicatie. Op die manier wordt het zeer moeilijk — zo niet onmogelijk — om met elkaar houdbare afspraken te maken over de kinderen. Voor de ontwikkeling van de kinderen acht het hof het van essentieel belang dat de moeder — als enige verzorgende ouder van de kinderen — in staat wordt gesteld om zelfstandig beslissingen te nemen met betrekking tot hun verzorging en opvoeding.
Onder al deze beschreven omstandigheden acht het hof het in het belang van de kinderen noodzakelijk dat het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en dat het eenhoofdig gezag aan de moeder wordt toegewezen. De bestreden beschikking dient te worden vernietigd en het verzoek van de moeder met betrekking tot het gezag zal alsnog worden toegewezen.
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling van het hof benoemd dat, hoewel er zorgen zijn over de rol van de moeder in het kader van de omgang tussen de vader en de kinderen, de raad geen zorgen heeft dat de moeder zich zal terugtrekken bij toekenning van het eenhoofdig gezag aan de moeder. Het is volgens de raad aan de GI om daarop toe te zien in het kader van de ondertoezichtstelling en daarin de moeder te sturen.
8De beslissing
Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 25 oktober 2023 voor zover daarbij het verzoek van de moeder ten aanzien van het gezag is afgewezen;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
bepaalt dat het ouderlijk gezag over de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] ;
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] ;
[minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] ,
aan de moeder alleen toekomt;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. Goes, E.M.C. Dumoulin, K.A. Boshouwers en is in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...