ECLI:NL:GHSHE:2025:1985 Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch , 10-07-2025 / 200.345.961_01

Minimumregeling t.a.v. verdeling zorg- en opvoedingstaken nadat er lange tijd geen contact is geweest. Overeenstemming t.a.v. de kinderalimentatie.

Source officielle

18 min de lecture 3 862 mots

Inhoudsindicatie. Minimumregeling t.a.v. verdeling zorg- en opvoedingstaken nadat er lange tijd geen contact is geweest.

Inhoudsindicatie. Overeenstemming t.a.v. de kinderalimentatie.

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummer : 200.345.961/01

zaaknummer rechtbank : C/01/392109/ FA RK 23-1575

beschikking van de meervoudige kamer van 10 juli 2025

inzake

[de vader]
,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. D.P.F. Arens te Amsterdam,

tegen

[de moeder]
,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. C. ten Böhmer te Veghel.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming, regio Oost-Brabant,

vestiging: [vestiging] ,

hierna te noemen: de raad.

1Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant ('s-Hertogenbosch) van 19 juni 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2Het geding in hoger beroep

De vader is op 16 september 2024 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 19 juni 2024.

De moeder heeft op 28 oktober 2024 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

De vader heeft op 9 december 2024 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

— een journaalbericht van de zijde van de vader van 10 februari 2025;

— een journaalbericht van de zijde van de moeder van 11 februari 2025;

— een journaalbericht van de zijde van de vader van 7 mei 2025 met bijlagen;

— een journaalbericht van de zijde van de moeder van 12 mei 2025 met bijlagen.

Het hof heeft de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken ten aanzien van de zorgregeling. Zij hebben hiervan gebruik gemaakt en hebben voorafgaand aan de mondelinge behandeling een gesprek gevoerd met de zaaksvoorzitter in het bijzijn van de griffier. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

De mondelinge behandeling heeft op 22 mei 2025 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3De feiten

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 5 juni 2015 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 30 juni 2015 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Partijen zijn de ouders van:

— [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2010 (hierna: [minderjarige 1] ),

— [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2012 (hierna: [minderjarige 2] ),

(hierna ook gezamenlijk: de kinderen).

De ouders hebben gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

De ouders hebben op 8 april 2015 een ouderschapsplan ondertekend, dat is opgenomen in en gehecht aan de echtscheidingsbeschikking van 5 juni 2015, waarin zij – voor zover thans van belang – de volgende ‘basisafspraken’ hebben gemaakt ten aanzien van de zorgregeling (artikel 3):

— de kinderen verblijven bij de vader van maandag 19.00 uur tot en met donderdag

uur;

— de kinderen verblijven bij de moeder van donderdag 19.00 uur tot maandag 19.00

uur;

— de vader haalt de kinderen bij wisseling van het verblijf op bij de moeder op

maandag om 19.00 uur. De kinderen hebben dan al gegeten;

— de moeder haalt de kinderen bij wisseling van het verblijf op bij de vader op

donderdag om 19.00 uur. De kinderen hebben dan al gegeten.

Ten aanzien van de kinderalimentatie zijn partijen overeengekomen (artikel 7) dat zij vanaf de datum van feitelijk uiteengaan, 27 februari 2015, de kosten van verzorging en opvoeding gezamenlijk zullen dragen, in die zin dat elke partij de daadwerkelijke kosten draagt die worden gemaakt gedurende de dagen dat de kinderen bij hem/haar verblijven. Extra kosten worden in onderling overleg gedeeld.

Op 16 oktober 2020 hebben partijen het ouderschapsplan aangepast. Artikel 3.1. van dit convenant luidt exact hetzelfde als hetgeen hiervoor is gemeld onder ‘basisafspraken’ (onder rov. 3.4.).

Verder is in artikel 2 van het ouderschapsplan van 16 oktober 2020 opgenomen – kort gezegd – dat [minderjarige 2] ingeschreven zal staan op het adres van de vader en [minderjarige 1] op het adres van de moeder.

Ten aanzien van de kinderalimentatie zijn partijen in artikel 7 overeengekomen dat wanneer de kinderen bij moeder zijn zij zorgt voor de kleding voor beide kinderen en wanneer ze bij vader zijn hij hiervoor zorgt.

De moeder heeft in eerste aanleg wijziging verzocht van de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 5 juni 2015 en het daarin opgenomen ouderschapsplan van 8 april 2015, zoals gewijzigd op 16 oktober 2020, in die zin dat:

I. het contact tussen [minderjarige 1] en de vader wordt hersteld en opgebouwd middels professionele begeleiding en de uiteindelijke zorgregeling wordt vastgesteld conform het advies van deze professionele begeleiding, dan wel dat er een zorgregeling wordt vastgesteld die de rechtbank juist acht;

II. het contact tussen [minderjarige 2] en de vader wordt onderzocht door professionele begeleiding en de uiteindelijke zorgregeling wordt vastgesteld conform het advies van deze professionele begeleiding, dan wel dat er een zorgregeling wordt vastgesteld die de rechtbank juist acht;

III. het hoofdverblijf van [minderjarige 2] bij de moeder wordt bepaald, alsmede dat hij op haar adres wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;

IV. de vader per 6 juli 2023, dan wel per datum wijzing van het verzoek, dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen met een bedrag van € 152,- per maand, althans met ingang van een zodanige datum en met een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht.

De vader heeft bij zelfstandig verzoek wijziging verzocht van het ouderschapsplan van 16 oktober 2020 en dan met name de basisafspraken onder 3.1. en verzocht te bepalen dat de kinderen (en in ieder geval [minderjarige 2] ) bij hem verblijven van maandag uit school tot en met donderdag 19:00 uur.

Bij beschikking van 22 september 2023 heeft de rechtbank:

— het verzoek van de moeder tot wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige 2] afgewezen;

— de verzoeken van beide partijen tot wijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [minderjarige 2] afgewezen;

— de beslissing ten aanzien van het verzoek van de moeder tot wijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [minderjarige 1] aangehouden in afwachting van het ingezette hulpverleningstraject;

— de beslissing ten aanzien van het verzoek tot kinderalimentatie aangehouden.

De vader heeft bij zelfstandig verzoek d.d. 28 september 2023 wijziging verzocht van het ouderschapsplan van 16 oktober 2020 en verzocht te bepalen dat de moeder aan hem dient te voldoen:

— ten aanzien van [minderjarige 1] een bedrag van € 128,- per maand;

— ten aanzien van [minderjarige 2] een bedrag van € 143,- per maand, primair met ingang van de datum van de beschikking, dan wel subsidiair met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift (28 juli 2023).

4De omvang van het geschil

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, met wijziging van de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 5 juni 2015 en het daarin opgenomen ouderschapsplan van 8 april 2015, zoals gewijzigd op 16 oktober 2020:

— de door de moeder aan de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] bepaald op € 12,85 per maand met ingang van 28 juli 2023;

— de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] bepaald op € 152,- per maand met ingang van 28 juli 2023 tot 19 juni 2024 en op € 69,85 per maand met ingang van 19 juni 2024;

— het meer of anders verzochte afgewezen.

De door de moeder aan de vader te betalen bijdrage voor [minderjarige 2] bedraagt met ingang van 1 januari 2024 ingevolge de wettelijke indexering € 13,65 per maand en met ingang van 1 januari 2025 € 14,54 per maand.

De door de vader aan de moeder te betalen bijdrage voor [minderjarige 1] bedraagt met ingang van 1 januari 2025 € 74,39 per maand.

De vader verzoekt in principaal hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen en de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 5 juni 2015 en het daarin opgenomen ouderschapsplan van 8 april 2015, welk ouderschapsplan is herzien op 16 oktober 2020, te wijzigen voor wat betreft de te betalen bijdragen in de kosten van de kinderen en, in zoverre opnieuw rechtdoende, te bepalen dat:

— de moeder met ingang van 28 juli 2023 aan de vader dient te betalen een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] van € 95,35 per maand, dan wel een door het hof te bepalen bedrag;

— de moeder met ingang van 19 juni 2024 aan de vader dient te betalen een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] van € 83,67 per maand, dan wel een door het hof te bepalen bedrag;

— de vader over de periode van 28 juli 2023 tot 19 juni 2024 aan de moeder dient te betalen een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] van € 33,03 per maand, dan wel een door het hof te bepalen bijdrage en dat deze bijdrage met ingang van 19 juni 2024 nader wordt vastgesteld op nihil.

De grief van de vader ziet op zijn draagkracht (grief 1 in principaal hoger beroep).

De moeder verzoekt in incidenteel hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat:

I. de huidige zorg- en contactregeling zoals vastgelegd in het ouderschapsplan van 8 april 2015 en herzien d.d. 16 oktober 2020 wordt gewijzigd in die zin dat er tussen de vader en [minderjarige 1] een zorg- en contactregeling geldt waarbij er contact plaatsvindt zo vaak en zoveel als [minderjarige 1] wenst, dan wel een zorg- en contactregeling die het hof juist acht;

II. de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] primair € 206,- per maand bedraagt en subsidiair € 186,55 per maand, dan wel een bijdrage die het hof juist acht.

Kosten rechtens.

De grieven van de moeder zien op:

— de zorgregeling ten aanzien van [minderjarige 1] (grief I in incidenteel hoger beroep);

— de zorgkorting ten aanzien van [minderjarige 1] (grief II in incidenteel hoger beroep).

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5De motivering van de beslissing

Verdeling van zorg- en opvoedingstaken [minderjarige 1] (grief I in incidenteel hoger beroep)

De rechtbank heeft het volgende overwogen.

Partijen — en de raad — zijn het er over eens dat toegewerkt moet worden naar contactherstel tussen [minderjarige 1] en de vader. De moeder heeft volstrekt onvoldoende onderbouwd waarom er geen contact kan zijn tussen de vader en [minderjarige 1] , anders dan de stelling dat [minderjarige 1] dit niet wil. Weliswaar stellen beide partijen dat het momenteel niet goed gaat met [minderjarige 1] maar op geen enkele wijze is onderbouwd dan wel gebleken waarom contact met de vader zoals partijen eerder zijn overeengekomen niet in het belang van [minderjarige 1] zou zijn. Het had op de weg van partijen gelegen om het eerder ingezette hulpverleningstraject (bij [instantie] ) voort te zetten, dan wel – via de gemeente – een ander hulpverleningstraject te starten. Partijen hebben echter stilgezeten. Gelet op deze gang van zaken ziet de rechtbank geen heil in een UHA traject, zoals ter zitting door de raad is voorgesteld. Temeer ook omdat het niet duidelijk is wat de reden is dat er geen contact tussen de vader den [minderjarige 1] kan zijn. Dit alles maakt dat de rechtbank van oordeel is dat het verzoek van de moeder tot wijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [minderjarige 1] moet worden afgewezen.

In haar eerste grief voert de moeder het volgende aan.

[minderjarige 1] weigert sinds juni 2022 naar de vader te gaan volgens de overeengekomen zorgregeling, omdat hij zich bij zijn vader niet op zijn gemak voelt en moeite heeft met de manier waarop de vader met hem communiceert en voor hem zorgt. [minderjarige 1] is bang voor de vader en hij voelt zich bij hem niet veilig, omdat de vader vaak boos op hem wordt en hem kleineert. De hulpverlening die is ingeschakeld om het contact te herstellen is, ondanks inspanningen van de moeder, helaas niet van de grond gekomen. De vader heeft nagelaten om een actieve houding aan te nemen en zich in te spannen voor contactherstel.

Sinds de bestreden beschikking is er feitelijk niets veranderd. Hoewel de moeder probeert [minderjarige 1] te stimuleren om contact te hebben met de vader, merkt zij dat de stap voor [minderjarige 1] te groot is, gelet op de tijd dat er geen contact is geweest en de problemen waar [minderjarige 1] tegen aan loopt in het contact met zijn vader. De vader heeft ook geen pogingen ondernomen om het contact te herstellen of zelfs maar te informeren hoe het met [minderjarige 1] gaat.

De moeder is van mening dat de zorgregeling gewijzigd moet worden in die zin dat [minderjarige 1] naar eigen inzicht contact kan hebben met de vader.

Indien de vader op enig moment contactherstel wenst met behulp van hulpverlening, zal de moeder daaraan haar medewerking geven in het belang van [minderjarige 1] .

De vader voert het volgende verweer. Bij brief 12 augustus 2024 is de moeder verzocht om [minderjarige 1] op 19 augustus 2024 samen met zijn broer naar de vader te brengen voor de hervatting van de zorgregeling (te weten van maandag 19:00 uur tot donderdag 19:00 uur). De advocaat van de moeder heeft toen voorgesteld, omdat er zo lang geen contact is geweest, om eerst wat kortere contactmomenten af te spreken, zoals het eten van een ijsje / maaltijd of naar de film gaan. Dit voorstel heeft de vader afgewezen en hij heeft aangegeven dat hij wil dat [minderjarige 1] samen met zijn broer naar hem toe komt zoals in het ouderschapsplan is overeengekomen. [minderjarige 1] is op 19 augustus 2024 niet naar de vader gegaan en sindsdien is er ook geen contact meer geweest.

De moeder heeft geen enkele reden aangevoerd waarom er geen contact zou kunnen zijn. De vader vermoedt dat de moeder niet in staat is om ferm tegen [minderjarige 1] op te treden en hem te verplichten om samen met zijn broer naar de vader toe te gaan dan wel hem uit te leggen waarom dit in zijn belang is. Het is voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] van groot belang dat er wel contact is tussen hem en zijn vader. [minderjarige 1] is nu 14 jaar oud en ondanks het feit dat hij begint te puberen is dat een te jonge leeftijd om [minderjarige 1] zelf te laten beslissen of hij omgang heeft met zijn vader en in welke vorm. Daar moet een kind niet mee worden belast. Het is aan de ouders om dit te bepalen of, als dat niet lukt, aan de rechter. Daarnaast is [minderjarige 1] op een leeftijd dat hij niet kan overzien welke gevolgen het niet hebben van contact met zijn vader voor hem heeft.

De vader is van mening dat [minderjarige 1] een vaderfiguur nodig heeft die hem sturing geeft en corrigeert waar nodig. De vader acht het gelet op dit alles in het belang van [minderjarige 1] dat de omgangsregeling wordt hervat zodat hij een positieve invloed op [minderjarige 1] kan uitoefenen.

De mondelinge behandeling bij het hof is enige tijd geschorst geweest om partijen de gelegenheid te geven in onderling overleg tot afspraken te komen. Dit overleg heeft ertoe geleid dat de vader heeft aangegeven dat hij bereid is om mee te werken aan een opbouwregeling voor herstel van contact tussen hem en [minderjarige 1] , waarbij [minderjarige 1] één keer per week bij de man komt eten. De vrouw heeft aangegeven dat zij [minderjarige 1] hiertoe niet wil moeten dwingen. Hierdoor hebben partijen uiteindelijk geen overeenstemming bereikt die het hof in zijn beschikking kan opnemen. Het hof zal daarom in het navolgende een beslissing nemen over de zorgregeling.

Het hof stelt voorop dat er, afgezien van het feit dat [minderjarige 1] zelf aangeeft absoluut geen contact te willen met zijn vader, geen redenen zijn waarom de zorgregeling zoals opgenomen in het ouderschapsplan niet in het belang van [minderjarige 1] is. De realiteit is echter dat er op dit moment bijna drie jaar geen contact meer is geweest tussen de vader en [minderjarige 1] en dat [minderjarige 1] — zoals tijdens het gesprek met hem duidelijk is geworden — een behoorlijke weerstand heeft tegen dit contact.

Onder deze omstandigheden acht het hof het niet in het belang van [minderjarige 1] om een zorgregeling op te leggen die inhoudt dat hij, zonder enige opbouw, van maandagavond tot en met donderdagavond bij zijn vader verblijft.

Het hof acht het echter ook niet in het belang van [minderjarige 1] om, zoals voor de moeder is verzocht, geheel bij hem neer te leggen of en zo ja, wanneer en hoe vaak, hij naar zijn vader gaat. Dit zal er naar verwachting in resulteren dat [minderjarige 1] er voor kiest om geen contact met zijn vader te hebben omdat het voor hem erg lastig is om het contact weer aan te gaan. Het hof acht het wel in het belang van [minderjarige 1] dat het contact met zijn vader wordt hersteld, omdat het voor de evenwichtige ontwikkeling van een minderjarige heel belangrijk is dat hij contact heeft met allebei zijn ouders en het hof geen aanleiding ziet om het huidige ontbreken van contact te laten voortduren. Het is voor [minderjarige 1] erg belangrijk dat de vader echt naar [minderjarige 1] luistert en begrip toont voor de gevoelens van weerstand bij [minderjarige 1] en dat de vader dit – wellicht voorafgaand aan het eerste contact – op een voor [minderjarige 1] prettige manier bespreekbaar maakt. Ook is het erg belangrijk voor [minderjarige 1] dat hij zich welkom en gewenst voelt bij de vader en de stiefmoeder en hun gezin. Het is aan hen om daar actie in te ondernemen. Het hof geeft in overweging het eerste contactmoment in te leiden met een kaartje of eventueel een cadeautje van de vader aan [minderjarige 1] .

Het hof ziet in het voorgaande aanleiding om een minimumregeling vast te stellen, die inhoudt dat [minderjarige 1] op donderdag vanuit school tot en met het avondeten bij de vader verblijft waarna hij na het avondeten om 19.00 uur samen met [minderjarige 2] weer naar de moeder gaat. De eerste donderdag dat [minderjarige 1] naar vader gaat zal zijn op 4 september 2025. Deze regeling is een minimumregeling die de ouders en [minderjarige 1] in onderling overleg kunnen uitbreiden, afhankelijk van hoe het gaat.

Tenslotte wil het hof de ouders nog het volgende in overweging geven.

Aan de moeder wil het hof meegeven dat het niet hebben van contact met één van zijn ouders schadelijk kan zijn voor de ontwikkeling van een kind. Het is de verantwoordelijk-heid van ouders om te waarborgen dat hun kinderen na het uiteengaan van de ouders met beide ouders onbelast contact kunnen blijven houden. De moeder zal [minderjarige 1] , voor zover ze dat niet al doet, positief moeten blijven stimuleren in het contact met zijn vader en hem hiervoor emotionele toestemming moeten blijven geven. De moeder kan en mag de keuze en daarmee de verantwoordelijkheid voor het hebben van contact met zijn vader niet (volledig) bij [minderjarige 1] neerleggen, zoals ze nu doet. Voor zover de moeder daar hulp bij nodig heeft, is het aan haar om die hulp daadwerkelijk in te schakelen.

Aan de vader wil het hof meegeven dat, hoewel het inderdaad niet aan een kind is maar aan de ouders is om te bepalen of en in welke vorm er contact plaatsvindt, er ook oog moet zijn voor de mogelijkheden en voor de leeftijd en ontwikkelingsfase waarin een kind zich bevindt. Bij [minderjarige 1] zijn er negatieve gevoelens die voortkomen uit voor hem wezenlijke belevingen in het contact met de vader en omdat er zo lang geen contact geweest is het niet reëel om van [minderjarige 1] te verwachten dat hij zonder enige opbouw ineens weer drie dagen lang bij de vader en zijn gezin gaat verblijven. Bovendien is [minderjarige 1] inmiddels 15 jaar oud en dus op een leeftijd dat hij voor een belangrijk deel zijn eigen leven heeft. De vader zal gelet hierop met [minderjarige 1] moeten meebewegen. Voor zover de vader daar hulp bij nodig heeft, is het aan hem om die hulp daadwerkelijk in te schakelen.

Beide ouders hebben hiermee zelf de nodige stappen te zetten, zodat zij [minderjarige 1] in het proces van contactherstel zo goed mogelijk kunnen begeleiden.

Kinderalimentatie (grief 1 in principaal hoger beroep en grief II in incidenteel hoger beroep)

Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen overeenstemming bereikt over de door hen te betalen kinderalimentatie. Zij hebben afgesproken dat de vader met ingang van 1 juni 2025 € 75,- per maand aan de moeder zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] . In dat bedrag is de door de moeder aan de vader voor [minderjarige 2] te betalen bijdrage in de kosten van zijn verzorging en opvoeding verrekend. Het hof zal dienovereenkomstig beslissen.

6De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant ('s-Hertogenbosch) van 19 juni 2024 voor zover daarbij het verzoek van de vrouw tot wijziging van de zorgregeling ten aanzien van [minderjarige 1] is afgewezen en voor zover het de kinderalimentatie betreft met ingang van 1 juni 2025, en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 5 juni 2015 en het daarin opgenomen ouderschapsplan van 8 april 2015, zoals gewijzigd op 16 oktober 2020;

stelt een zorg- en contactregeling vast met betrekking tot [minderjarige 1] inhoudende een minimum regeling waarbij [minderjarige 1] op donderdag vanuit school tot en met het avondeten tot 19.00 uur bij de vader verblijft, ingaande op 4 september 2025, waarbij deze regeling in onderling overleg tussen de ouders en [minderjarige 1] kan worden uitgebreid;

bepaalt dat vader aan de moeder met ingang van 1 juni 2025 € 75,- per maand zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] , de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, G.M. Goes en M.J.C. van Leeuwen, en is op 10 juli 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.


Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.