ECLI:NL:GHSHE:2025:2162 Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch , 21-07-2025 / 20-002680-24
Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
35 min de lecture · 7 676 mots
Inhoudsindicatie. Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Parketnummer : 20-002680-24
Uitspraak : 21 juli 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 9 oktober 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-280466-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1989,
thans verblijvende in P.I. Zuid Oost, locatie Roermond te Roermond.
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep de is verdachte ter zake van:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en door twee of meer verenigde personen,
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 6 maanden, met aftrek van de duur van de overleveringsdetentie in het buitenland en het voorarrest in Nederland.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.
De verdediging heeft primair integrale vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Subsidiair, in geval van een bewezenverklaring, is een stafmaatverweer gevoerd, in die zin dat is verzocht in positieve mate rekening te houden met de (niet gewelddadige) rol van de verdachte.
Vonnis waarvan beroep
Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 4 juli 2019 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning of op een besloten erf, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (ongeveer) 150 euro, althans een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat
de handen van voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] vast werden gebonden en/of
voornoemde [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, werd geslagen met een knuppel en/of met een vuist tegen haar hoofd, in haar gezicht, althans tegen haar lichaam en/of
die [slachtoffer 1] de trap af werd geduwd/gedwongen en/of
(vervolgens) die [slachtoffer 1] op de grond in de woonkamer moest gaan zitten waarbij de woorden: “Blijf daar zitten, anders steek ik je neer,” althans woorden van gelijke aard of strekking, werden gebruikt.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 4 juli 2019 te Sittard gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, tezamen en in vereniging met anderen, een hoeveelheid geld die toebehoorde aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat
de handen van voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vast werden gebonden en
voornoemde [slachtoffer 1] meermalen werd geslagen met een knuppel en met een vuist tegen haar hoofd en in haar gezicht en
die [slachtoffer 1] de trap af werd gedwongen en
(vervolgens) die [slachtoffer 1] op de grond in de woonkamer moest gaan zitten waarbij de woorden: “Blijf daar zitten, anders steek ik je neer,” althans woorden van gelijke aard of strekking, werden gebruikt.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
In de hierna volgende bewijsmiddelen wordt – tenzij anders vermeld – verwezen naar het einddossier van de politie Eenheid Limburg, District Zuid-West-Limburg, Districts-recherche, onderzoek Strangnas (LB3R019139), BVH-nummer 2019103668, in de wettige vorm opgemaakt en op 25 oktober 2023 gesloten door verbalisant [verbalisant 1] , brigadier van politie, met bijlagen, bestaande uit in wettige vorm opgemaakte processen-verbaal en/of geschriften, doorgenummerde dossierpagina’s 1-310.
1. Het proces-verbaal van aangifte, doorgenummerde dossierpagina’s 46-52, voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] , mede namens [slachtoffer 2] :
(pagina 46)
V = Vraag verbalisanten
A = Antwoord aangever (hof: aangeefster)
V: Kun je in je eigen woorden vertellen wat er gisteren 3 juli 2019 en vandaag 4 juli 2019 gebeurd is bij jouw thuis op [adres 1] ?
A: Ik was thuis met mijn man [slachtoffer 2] . Mijn man ging rond 21:00 uur (het hof begrijpt: op 3 juli 2019) naar bed.
(pagina 47)
Rond 00:00 uur (het hof begrijpt: op 4 juli 2019) heb ik afgesloten en heb ik de sleutels in mijn blauwe handtas gedaan. De handtas heb ik mee naar boven genomen. In de slaapkamer staat een stoel in de hoek, waar ik mijn tas op heb gezet. Ik ben toen omstreeks 00:00 naar bed gegaan.
Toen het ongeveer 04:50 uur was, werd ik wakker. Mijn man stootte me aan met zijn arm. Ik vroeg wat er was. Maar hij bleef maar aan me stoten met zijn arm. Ik hoorde toen geluid. Ik zag toen twee mannen man voor me staan en ik zag nog 1 man bij de deur van mijn slaapkamer staan. Die mannen zeiden in het Duits: “Ruhe Ruhe”. Ik weet dat dit rustig rustig betekent. Ik zag dat een van de mannen een tie-wrap in zijn handen had. De man heeft me toen met de tie-wrap vastgebonden. Hierna liep hij om het bed heen en maakt hij mijn mans handen ook vast met de tie-wrap.
V: Waar stonden de mannen?
A: Naast mij. Ik weet niet welke man de tie-wrap vast had, maar 1 van de mannen had een hele bos tie-wraps in zijn handen. Ik zag dat ze een pet op hadden en iets voor hun mond hadden. Man 2 is om het bed heen gelopen en hij bond mijn man toen vast met een tie-wrap. Man 1 heeft me vast gebonden met de tie-wrap.
V: Wie had er een pet op?
A: De man die mij geslagen had, dat is ook de man die mij heeft vastgebonden. Ik noem
hem vanaf nu in mijn verklaring man l. Hij begon op me in te slaan omdat ik begon te schreeuwen. Hij trok het laken over me heen en sloeg me met een honkbalknuppel. Hij sloeg me hierna met zijn vuist op mijn lip en op mijn oog. Dat heeft een hele tijd geduurd. Ik deed toen het laken uit. Toen kwam er een andere man en samen trokken ze me uit bed. Een man stond naast me en een man stond achter me. Ze duwden me zo de trap af. Ze riepen: “Geld geld geld.” Ik ging op mijn kont, tree voor tree, de trap af. Toen ik onder kwam moest ik op de grond van de woonkamer gaan zitten. Man 1 zei: “Blijf daar zitten, anders steek ik je neer.” Hij zei dit in de Duitse taal. Hij sloeg me toen nog een paar keer. Ik voelde dat man 1 de achterkant van mijn hoofd en schouders raakte. Hij duwde ook telkens mijn hoofd naar beneden zodat ik niks kon zien. Ik schreeuwde een paar keer. Het heeft zeker 5 minuten geduurd tot ik niks meer hoorde. Ik ben toen aan mijn tie-wraps gaan trekken en kreeg ze los. Ik zag toen in de hal op de grond de sleutel van de voordeur liggen. Ik ben daar op handen en voeten heen gekropen. Ik zag toen ik buiten kwam dat de politie buiten op straat stond.
V: Je was in je woning met je man [slachtoffer 2] . Wat kunt u over zijn persoonlijke situatie
vertellen?
A: In 2007 heeft hij een herseninfarct en een CVA gekregen. Sindsdien kan hij niet meer praten en ook niet goed meer lopen.
(pagina 49)
A: Ik had [mijn] beurs in mijn handtas gedaan en die handtas stond op de slaapkamer op [een] stoel.
(pagina 50)
V: U geeft aan dat u door de mannen naar beneden toe bent genomen. Hoe ging dit
precies?
A: Ja door 2 mannen. Ze trokken aan me en zeiden in het Duits: “Kom mee kom mee.” Ze pakten me aan mijn armen en trokken me omhoog. Ze trokken me toen aan mijn armen van het bed af en trokken me naar de trap. Ik zag dat het koord van het rolluik van het raam in het trappenhuis om de trap hadden gewikkeld, zodat het rolluik open bleef. Ze trokken me toen naar beneden toen ik boven aan de trap was. Men trok mij op mijn kont. 1 man ging voor me staan op de trap, pakte me bij mijn bovenarm en trok me zo naar beneden. Ik ging dus op mijn kont, tree voor tree, naar beneden. De man trok mij mee. Ik wilde namelijk niet mee. Ik weet dat man 1 bij me is gebleven, ik weet niet welke andere man er nog bij was. Man 1 was de man die voor me stond op de trap.
V: Hoe zag man 1 eruit?
A: Hij was niet zo groot. De mannen hadden allemaal ongeveer dezelfde lengte. Man 1 (…) had een pet op en voor zijn neus en mond had hij een zwart kapje.
(pagina’s 50-51)
A: Wat ik aan de ogen en voorhoofd kon zien, zag ik dat het geen blanke man was. De man was licht getint.
(pagina 51)
V: Hoe zag man 2 eruit?
A: Hij was in het donker gekleed. Hij was even groot als ik ben. Ik ben 1 meter 64 groot. Hij had een slank postuur, het was geen dikke. Hij had een pet op en een zwart kapje voor zijn mond en neus waardoor je alleen zijn ogen kon zien.
V. En hoe zag man 3 eruit?
A: De heb ik maar heel even gezien bij de slaapkamer deur. Hij was even groot als de andere mannen en droeg ook een pet en een kapje voor zijn mond en neus.
V: Hoe praatten ze?
A: In het Duits. Ik hoorde dat het geen Duitsers waren, maar wel buitenlanders. (…) Ik hoorde dat ze onderling aan het fluisteren waren, maar ik kon niet horen in welke taal dit was.
V: Heb je pijn?
A: Ik heb een dikke blauwe lip. Mijn linker oog is blauw en gezwollen. Ik heb nu geen pijn, maar dat zal zeker nog wel komen.
V: Wat is er uit de woning mee genomen?
A: Ik heb dit nog niet kunnen bekijken. Ik heb het vermoeden dat men het geld uit mijn portemonnee heeft meegenomen. Dit is de portemonnee die nu op de bank in de woonkamer ligt.
2. Het proces-verbaal van verhoor aangever, doorgenummerde dossierpagina’s 58-61, voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] :
(pagina 58)
V = Vraag verbalisanten
A = Antwoord aangever (hof: aangeefster)
(pagina 59)
A: Welke spullen zijn weg: Ja, alleen het geld uit mijn beurs. (…) De beurs lag leeg op de bank in de woonkamer. Ze hebben 150 euro eruit gehaald en wat kleingeld. Alles uit de tas was omgekiept. De tas stond boven op de groene rieten stoel. De tas lag daarna op het bed. De beurs lag leeg op de bank met de autosleutel.
3. Het proces-verbaal van verhoor aangever, doorgenummerde dossierpagina’s 62-69, voor zover inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer 2] :
(pagina 62)
Wij verbalisanten merken op dat aangever in 2007 een herseninfarct heeft gehad en een CVA heeft gekregen. Sindsdien kon hij niet meer praten. Het verhoor is derhalve samengesteld uit gesloten vragen waarop de aangever met zijn hoofd ja of nee kan knikken en als hij het niet weet hij zijn beide schouders kan ophalen.
(pagina 63)
V: Vragen verbalisanten
A: Antwoord aangever
V: Heeft u de daders van de overval gezien?
A: Ja.
(pagina 64)
V: Waren het drie daders?
A: Ja.
V: Waren het mannen?
A: Ja.
V: Hadden de mannen iets voor het gelaat?
A: Ja.
V: Was dat een doek?
A: Ja.
(pagina 66)
V: Hebben de mannen u vastgebonden met tie-wraps?
A: Ja.
V: Kon U op dat moment nog doen wat u wilde doen?
A: Nee.
V: Droegen de daders tijdens de overval handschoenen?
A: Ja.
V: Kunt u [op een tekening van de slaapkamer] aanwijzen waar de daders stonden?
O: De aangever wees een dader aan aan de zijde van het bed waar zijn vrouw had gelegen. Deze dader kreeg de vermelding 1. Aangever wees een tweede dader aan aan de zijde waar hijzelf had gelegen. Deze dader kreeg de vermelding 2.
V: Was de derde dader op de slaapkamer?
A: Nee.
V: Kunt u aanwijzen welke dader uw vrouw heeft geslagen?
A: Nummer 1.
V: Kunt u aanwijzen welke dader uw vrouw heeft vastgebonden?
A: Nummer 2.
V: Kunt u aanwijzen welke dader u heeft vastgebonden?
A: Nummer 1 en 2.
(pagina 68)
V: Hebben de daders uw vrouw mee naar beneden genomen?
A: Ja.
V: Bent u toen boven gebleven?
A: Ja.
V: Is toen een van de daders bij u gebleven?
A: Ja.
V: Welke dader is bij u gebleven?
A: Nummer 2.
4. Het proces-verbaal van verhoor getuige, doorgenummerde dossierpagina’s 99-101, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige [getuige 1] , wonende op [adres 2] :
(pagina 99)
Op 4 juli 2019, omstreeks 04.45 uur, werden mijn vrouw en ik wakker omdat wij een luide kreet hoorden. Kort daarna dacht ik te horen dat er iemand “liggen” riep. Dit was naar mijn mening een mannenstem.
Omstreeks 04.50 uur hoorden we weer geluid. Ik hoorde een soort leef geluid en een kreunend geluid. Ik dacht dat dit kreunend geluid van de bewoner op [adres 1] was. We hebben toen beiden onze oren aan de muur die grenst aan de woning van onze buren gedaan. Ik hoorde ook mannenstemmen praten.
(pagina’s 99-100)
Ik vond dit vreemd aangezien de man die naast ons woont, op [adres 1] , niet kan praten.
(pagina 100)
Toen ik dit allemaal hoorde vertrouwde ik het niet. Mijn vrouw en ik besloten toen om
naar buiten te gaan om te gaan kijken. Omstreeks 05.00 uur zijn mijn vrouw en ik via de voordeur naar buiten gelopen. Ik zag dat de rolluiken aan de voorzijde van de woning van onze buren, op [adres 1] , (…) op een ventilatie stand stonden. Ik zag door de gaatjes van de rolluiken dat er een lamp brandde in de woonkamer. Mijn vrouw en ik trokken de conclusie dat dit foute boel was, dit in combinatie met de 'luide kreet' waarvan wij wakker werden. We zijn hierop terug naar binnen gegaan en hebben meteen de politie gebeld.
De politie was zeer snel ter plaatse, naar mijn gevoel binnen 5 minuten, dit moet
omstreeks 05.15 uur zijn geweest. Ik zag dat de politie direct naar de woning is
gelopen.
Op dat moment zag ik iemand in onze achtertuin over het muurtje klimmen, dit muurtje
staat tussen onze tuin en de tuin van de buren op [adres 1] . Ik zag deze persoon
in onze tuin springen en daarna over het muurtje klimmen rechts naast het poortje van
onze achtertuin die uitkomt op de brandgang achter onze woning. Ik zag dat deze
persoon achtervolgd werd door een politieagent. Ik zag dat de persoon die achtervolgd
werd door deze politieagent als volgt uitzag: man, slank postuur, circa 170 / 175 cm
groot, droeg een zwart vest met op de schouders een groen of blauw vlak en een
donkerkleurige capuchon, zwarte trainingsbroek met op de zijkant een lange verticale
dunne streep. Ik dacht dat deze streep de kleur groen had.
Ik ben naar buiten gegaan om het poortje voor de politie open te maken. Toen ik dat
deed zag ik iemand vanaf de tweede verdieping aan de zijkant van de woning van onze
buren, op [adres 1] , uit het raam springen en via het dak van de garage vluchten.
5. Het proces-verbaal van verhoor getuige, doorgenummerde dossierpagina’s 103-104, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige [getuige 1] :
(pagina 103)
Toen de politie kwam aanrijden stond ik in de woonkamer (…) bij het raam van de achtertuin. Ik wilde de situatie in de gaten houden. Ik zag dat het buiten al behoorlijk licht was, voorbij de schemering. Toen hoorde ik iemand schreeuwen: “Staan blijven, staan blijven!” Ik zag vrij direct erna iemand over het muurtje van de buren, op [adres 1] , in onze tuin springen. Ik zag dat deze persoon helemaal in het zwart was gekleed. Ik zag dat hij een zwarte broek, zwarte trui en een zwarte capuchon droeg. Ik zag dat hij, volgens mij, een sjaal voor zijn gezicht droeg, donker van kleur. Op zijn schouders, tot aan de helft van zijn bovenarmen, zag ik aan beide kanten een gekleurd vlak. In mijn beleving waren deze groen van kleur.
(pagina 104)
Toen liep ik naar de achterdeur, die toegang verschaft naar onze achtertuin, om deze open te maken. Toen ik de tuin inliep, zag ik deze persoon over het muurtje klimmen,
rechts naast het poortje die toegang verschaft naar de brandgang. Ik zag dat hij zijn
handen op het muurtje zette en hij zich naar boven trok en zo over het muurtje klom.
Ik heb de handen kunnen zien van deze persoon. Ik dacht te zien dat zijn handen licht getint waren.
Toen zag ik een politieagent achter deze persoon aanrennen. Ik zag dat deze politieagent vanuit de tuin van de buren, op [adres 1] , kwam.
Op dat moment draaide ik me om en zag ik in mijn ooghoek, in een flits, vermoedelijk
een persoon uit het raam van de eerste verdieping van de buren, op [adres 1] , op
het dak van de garage, van dezelfde buren, springen. Dit gebeurde terwijl de twee
aanwezige politieagenten achter de eerste persoon aan het rennen waren.
6. Het proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde dossierpagina’s 17-20, met fotobijlage op pagina’s 21-42, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
(pagina 17)
Op 4 juli 2019, omstreeks 05.12 uur, ontvingen wij de melding om te gaan naar [adres 1]
. Melder gaf aan dat zij geschreeuw hoorde bij de buren,
melder dacht dat er inbrekers in de woning aanwezig waren.
Wij waren als eerste patrouille ter plaatsen. Ik zag dat de woning [adres 1] een hoekwoning betrof. Collega [verbalisant 3] bevond zich aan de voorzijde van de woning. Ik, [verbalisant 2] , liep via de rechterzijde naar de achterzijde van de woning. Ik zag dat de achtertuin van de woning omheind was middels een stenen muur. Ik keek over deze muur en had zicht op de achterzijde van de woning. Ik zag dat de achterdeur van de woning geopend was. Ik zag dat door de achterdeur een persoon naar buiten, de achtertuin in, kwam lopen. Ik kan deze persoon als volgt beschrijven:
— man
— blank
— 1.75 — 1.85 meter lang
— normaal postuur
— gezicht was bedekt waardoor alleen huid rond de ogen zichtbaar was.
Ik zag dat de man mij aankeek en hierop naar de linkerhoek liep. Hierop riep ik de man luidkeels aan met de woorden: “Politie, staan blijven.” Ik zag dat de man zijn pas versnelde en over de afscheidingsmuur tussen de woning [adres 1] en [adres 2] klom en aldaar in de achtertuin sprong. Ik zag dat de man over een stalen tuinpoort, welke uitkwam in een brandgang gelegen achter de woningen, klom. Ik had [daarna] geen zicht meer op de verdachte.
Ik liep vervolgens terug naar achtertuin van [adres 2] . Aldaar sprak ik een mannelijk persoon welke aangaf dat hij de verdachte had zien rennen en dat hij meende dat hij gezien had dat een tweede verdachte via het dak van [adres 1] weg was gelopen in de richting van de [locatie] .
(pagina 18)
Ik ben vervolgens de woning, [adres 1] , via de achterzijde ingelopen. In de woning hoorde ik van de boven verdieping zacht onduidelijk geschreeuw komen. Ik liep de trap op naar de bovenverdieping. Ik zag dat het raam, gelegen in het trappenhuis, open stond en dat het trekkoord van het rolluik uitgetrokken was en over de trap leuning hing waardoor het rolluik geopend was. Ik zag dat in slaapkamer 1 een tweepersoons bed stond. Ik zag dat op het bed een man zat. Ik zag dat deze man zijn polsen bij elkaar hield. Ik zag dat de polsen met elkaar verbonden waren middels een witte tie-wrap. [Met een] schaartje heb ik de tie-wrap van de polsen van het mannelijke slachtoffer geknipt. Deze tie-wrap heb ik vervolgens op een klein kastje naast het bed gelegd .
Hierop ben ik samen met de man mee naar beneden gelopen. Nadat de man plaats had genomen aan de eettafel ben ik naar de voorzijde van de woning gelopen. Ik zag dat in de aldaar geparkeerde politiehondenbus een vrouw zat. Ik ben naar de vrouw toe gelopen. Ik zag dat het linker oog van de vrouw blauw was. Hierop heb ik de vrouw uit de hondenbus begeleid en ook de woning van [adres 1] in genomen. Binnen in de woning heb ik de gegevens van beide slachtoffers genoteerd. De man bleek te zijn:
[slachtoffer 2] , geboren op [geboortedag 2] 1953. De vrouw bleek te zijn: [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedag 3] 1952.
Ik vroeg aan [slachtoffer 1] of zij mij kon vertellen wat er gebeurd was. Ik hoorde haar het volgende zeggen:
Dit alles is al voor 05.00 uur begonnen.
Mijn man maakte mij wakker, toen ik wakker werd zag ik een drietal personen in mijn slaapkamer staan.
De personen hebben mij en mijn man tie-wraps om onze polsen gedaan.
Ik ben door twee mannen naar beneden gebracht, één man bleef bij mijn man.
(pagina 19)
Ze droegen donkere kleding en handschoenen, ik meen werk handschoenen.
Ik ben tegen mijn hoofd geslagen.
Van de situatie ter plaatsen heb ik foto's gemaakt. Deze foto's zijn als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd.
Fotobijlage – eigen waarneming van het hof:
Op de foto’s (foto 2 en foto 3) op doorgenummerde dossierpagina's 22 en 23 is een bank te zien. Op het zitvlak van de bank ligt een beurs.
Op de foto (foto 10) op doorgenummerde dossierpagina 30 is een bed te zien. Op het matras van het bed ligt een tas en daarnaast liggen diverse (kleine) voorwerpen. De aard van deze voorwerpen past bij de inhoud van een (leeg gegooide) tas.
7. Het geschrift, te weten een Forensisch Geneeskundige Letselbeschrijving zonder benoeming als deskundige, doorgenummerde dossierpagina’s 73-78, voor zover inhoudende als relaas van forensisch artsen M. Nysten en W. Govaerts:
(pagina 73)
Datum onderzoek: 9 juli 2019
Betrokkene: mw. [slachtoffer 1]
Letselbeschrijving:
(pagina 74-75)
Lichaamsdeel:
[Samengevat] zijn meerdere huidverkleuringen en/of zwellingen zichtbaar op het hoofd (op het voorhoofd, rondom het linker oog, boven het rechter oog, boven de bovenlip en aan de onderzijde van de kin), op de rechter arm (op de binnenzijde van de bovenarm, op de achterzijde van de onderarm en op de rechterpols), op de linker arm (op de linker pols en aan de bovenzijde van de linker hand) en op de rug. Een groot deel van deze letsels zijn bloeduitstortingen, het andere deel bestaat uit schaafwonden.
(pagina 77)
Opgegeven toedracht:
Op 4 juli in de vroege ochtend stonden plots 2 mannen naast het bed, een 3e persoon stond naast de deurpost. De handen van mevrouw werden vastgebonden met witte smalle tie-wraps, daarna ook die van haar echtgenoot. Vervolgens werden lakens over het hoofd van mevrouw en meneer gedaan. Toen mevrouw wat lucht probeerde te
halen werd zij met vuisten en daarna met een houten ronde stok op het gelaat (o.a. lip en ogen) geslagen. Daarna werd zij aan haar rechter arm uit bed getrokken en op de billen/rug de trap afgetrokken.
Verwondingen overeenkomstig met de opgegeven toedracht.
8. Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 25 september 2024, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte [verdachte] :
[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn me komen ophalen in Roemenië. (…) We zijn [in Sittard] ergens gestopt. Ik ben het huis in gegaan. In de gang zag ik twee personen met maskers of iets anders over hun hoofd. Eén hield de haren van de vrouw vast en was haar aan het slaan. De andere man stond naast het bed. De man die in bed lag was vastgebonden.
9. Het proces-verbaal van verhoor verdachte, toetsing rechtmatigheid inverzekering-stelling en vordering tot bewaring, door de rechter-commissaris d.d. 27 oktober 2023, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte [verdachte] :
De twee mannen waarmee ik was zijn naar binnen gegaan in dat huis. Ik ben ook naar binnen gegaan. Ik zag dat ze een vrouw bij de haren hadden gepakt en haar van de trap naar beneden trokken aan haar haar. Met ‘ze’ bedoel ik die twee mannen. De [ene] man heette [medeverdachte 1] of [medeverdachte 1] (het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 1]) en de andere heette [medeverdachte 2] of [medeverdachte 2] (het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 2]). Ik ken hen uit de stad waar ik woonde in Roemenië.
10. Het proces-verbaal van verhoor getuige, doorgenummerde dossierpagina’s 106-109, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige [getuige 2] :
V: Vraag verbalisant
A: Antwoord getuige
(pagina 107)
A: Ik vertrok die ochtend (het hof begrijpt: 4 juli 2019) naar de loods op de Nusterweg. Ik werk als buschauffeur bij [bedrijf] . Ik reed de bocht om naar de Vrangendael (het hof begrijpt: te Sittard).
V: Hoe laat was dat?
A: Even na half zes in de ochtend, op 4 juli 2019, kan ook vijf na half zes zijn geweest.
V: Kunt u omschrijven wat u zag?
A: Er waren twee personen op de Vrangendael, die net deden of ze aan het trimmen waren. Ze hadden er niet de kleding voor aan. (…) Ze maakten bewegingen met hun armen, zwaaiden met hun armen en maakten een soort van buigingen alsof ze aan het sporten waren. Maar ze trokken meteen daardoor mijn aandacht.
V: Kunt u de personen omschrijven, die u gezien heeft? Persoon 1 / persoon 2?
A: Persoon 1 was vrij smal en mager, vrij groot, rond de 1.75 m-1.80 m. Persoon 2 had een normaal postuur. Ze hadden allebei een baardje. Persoon 1 had een dunnere baard en Persoon 2 had een iets vollere baard.
V: Wat is u verder aan deze personen opgevallen?
A: (…) Later hebben ze met me gesproken.
(pagina 108)
V: Wat heeft u toen gedaan?
A: (…) Ik reed naar de Nusterweg, de loods van [bedrijf] , om met mijn werk te beginnen.
Daarna ben ik naar het perron van Sittard gereden. Ik had mijn bus geparkeerd op de halte van het perron, bij halte A, tegen het station aan. Op het moment dat ik in mijn bus stapte, (…) zag ik dezelfde personen in mijn richting lopen.
V: Hoe laat zag u de personen weer?
A: Dat was precies twee minuten over zes, want dan vertrek ik altijd.
V: Waaraan herkende u de personen?
A: Ik zag meteen dat het die twee mannen waren, die ik eerder had gezien.
V: Waar zag u dit aan?
A: Aan hun kleding, aan hun gezicht, hun uiterlijk met donkere baard.
V: Wat gebeurde er vervolgens?
A : Ze kwamen allebei op mijn bus aangelopen en stapten in. De persoon met de vollere baard, die ik Persoon 2 noem, wilde kaartjes kopen. Hij vroeg eerst: “Karte.” Ik vroeg waar ze naar toe wilden. Ik hoorde dat ze met elkaar in een voor mij vreemde taal spraken. (…) Het leken mij Oostblok types. Ik vroeg in het Duits waar ze naar toe wilden. Die persoon 2 antwoordde: Uurmond (het hof begrijpt dat mogelijk Roermond werd bedoeld). Hij antwoordde: Ja. Hij wilde me twee briefjes van vijf euro geven. Ik zei: No, nur Karte. Toen pakte persoon 1 een pinpas en hield het pasje bij het betaalapparaat, maar dat lukte niet. (…) Ze stapten allebei rustig uit.
11. Het proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde dossierpagina 110, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
Op 5 juli 2019 toonde ik aan de getuige [getuige 2] de in dit proces-
verbaal ingevoegde afbeelding. Deze afbeelding is afkomstig van de veiliggestelde camerabeelden, opgenomen in de [bedrijf] Bus, lijn 33 Sittard, welke [getuige 2] voornoemd als buschauffeur op 4 juli 2019 bestuurde. Op de afbeelding zijn twee onbekende mannen te zien.
Ik hoorde dat [getuige 2] verklaarde: “De twee mannen op de foto zijn de twee
mannen waarover ik eerder verklaarde en die ik op 4 juli 2019 in de vroege
ochtenduren zowel op de Vrangendael als op Perron A te Sittard in mijn bus heb gezien.
De man gekleed in het lichte t-shirt en het vest is de man die ik als Persoon 1 omschreef. De andere man, in het donker gekleed is de man die ik als Persoon 2 omschreef.”
12. Het proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde dossierpagina’s 125-130, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 4] :
(pagina 125)
Op 4 juli 2019, omstreeks 05.00 uur, werden de bewoners van perceel [adres 1] in hun woning overvallen.
Beelden cameratoezicht gemeente Sittard herkenning [medeverdachte 1] en [verdachte]
Ruim een half uur nadat de daders van de overval waren gevlucht, zijn twee mannen
met Oost-Europees uiterlijk al lopend richting (bus)station te zien op diverse
stadstoezicht camerabeelden. Deze mannen zijn duidelijk in elkaars gezelschap.
(pagina 126)
Onderzoek camerabeelden in bus- [bedrijf]
Op het (bus) station zijn de voornoemde mannen in een [bedrijf] bus gestapt. Van deze
[bedrijf] -bus werden de beelden gevorderd. De beelden van de [bedrijf] -bus werden bekeken en op deze beelden waren dezelfde personen te zien als op de beelden van cameratoezicht Sittard.
(pagina 128)
Herkenning [medeverdachte 1] en [verdachte]
Door ons ons verbalisanten werd de man, die op de beelden een sportvest draagt met een verticale groene streep op beide mouwen, op grond van de door de Roemeense autoriteiten verstrekte foto, aan zijn gelaat herkend als zijnde: [verdachte] , geboren [geboortedag 1] 1989 (het hof begrijpt: [geboortedag 1] 1989) te [geboorteplaats 1] .
(pagina 129)
De andere op de beelden afgebeelde persoon werd door ons (het hof begrijpt: verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] ) op grond van de door de Roemeense autoriteiten verstrekte foto aan zijn gelaat herkend als zijnde: [medeverdachte 1] , geboren [geboortedag 4] 1984 te [geboorteplaats 2] .
13. Het proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde dossierpagina’s 131-139, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 4] :
(pagina 131)
Op 4 juli 2019 vond op het adres [adres 1] een (…) diefstal door
middel van geweld (…) plaats. De identiteit van drie van de verdachten is vastgesteld, te weten de onderstaande verdachten [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2]
(pagina 136)
TANKEN ZONDER TE BETALEN IN SIEGBURG (BRD):
Uit het onderzoek is gebleken dat de verdachten hoogstwaarschijnlijk gebruik hebben gemaakt van een Ford Focus met het Roemeense kenteken [kenteken] . Na bevraging van het voornoemde kenteken via IRC, bleek dat op 1 juli 2019 te 13.57 uur, te
Siegburg (BRD) met het voornoemde voertuig was getankt zonder te betalen. De gebruikers van het voornoemde voertuig werden door beveiligingscamera's van het tankstation geregistreerd.
De beelden van de personen die te Siegburg (BRD) gebruik hebben gemaakt van het voornoemde voertuig werden vergeleken met de personen die middels camera's van het gemeentelijk cameratoezicht geregistreerd werden direct na het feit op 4 juli 2019 in het centrum van Sittard en in de [bedrijf] -bus plus de door de Oostenrijkse en Roemeense
autoriteiten aangeleverde afbeeldingen.
(pagina 137)
HERKENNING [medeverdachte 1] , [verdachte] EN [medeverdachte 2] :
Op de beelden van het tankstation te Sieburg werden door mij verbalisant na vergelijking van de door de buitenlandse autoriteiten aangeleverde foto's, de verdachten [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] herkend op grond van hun uiterlijk. Op de beelden is te zien dat de voornoemde verdachten gezamenlijk gebruik maken van de voornoemde
Ford Focus, voorzien van het Roemeense kenteken [kenteken] . Het betreft hier hetzelfde voertuig dat vermoedelijk bij het feit te Sittard betrokken is geweest.
14. Het proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde dossierpagina’s 113-115, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 4] :
(pagina 113)
Op 4 juli 2019 vond een diefstal door middel van geweld plaats in de woning [adres 1] . Naar aanleiding van die overval werd via het Regionale Informatie Knooppunt (RIK) bij het Centrale Justitieel Incassobureau (CJIB) geïnformeerd met welke voertuigen in de nacht van 3 op 4 juli 2019 snelheidsovertredingen zijn gepleegd in Sittard.
Uit de via de CJIB verkregen gegevens bleek met een voertuig met het kenteken [kenteken] op 4 juli 2019 te 05.20 uur, op de Leyenbroekerweg een snelheidsovertreding was gepleegd. Deze overtreding werd gepleegd ter hoogte van perceel 108, Rijstrook 1 RD. Deze snelheidsovertreding werd middels een foto geregistreerd.
(pagina 114)
Uit de via het CJIB verkregen gegevens bleek dat op 3 juli 2019, te 05.01 uur met het voertuig met het kenteken [kenteken] , een snelheidsovertreding was gepleegd ter hoogte van perceel Leyenbroekweg 108 te Sittard. Rijstrook; 1 RD. Deze snelheidsovertreding werd middels een foto geregistreerd.
(pagina 115)
Volgens de door het CJIB aangeleverde foto rijdt het bedoelde voertuig met het kenteken [kenteken] , zowel op 3 als 4 juli 2019, weg van de richting plaats delict.
De verkeersovertreding werd gepleegd ongeveer 6 minuten nadat de politie arriveerde op de plaats delict.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Daartoe is in de eerste plaats aangevoerd dat zich in het dossier onvoldoende (overtuigend) bewijst bevindt waaruit blijkt dat daadwerkelijk door de daders geld dan wel enig goed is weggenomen, nu alleen aangeefster [slachtoffer 1] hierover heeft verklaard en bovendien wisselend, terwijl dit onderdeel de kern van de tenlastelegging raakt. Hierdoor is niet voldaan aan het vereiste bewijsminimum ex artikel 342, lid 2, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Daarbij is nog opgemerkt dat de aangeefster heeft verklaard dat er biljetten van € 20,00 en € 50,00 in haar beurs zaten, terwijl in de bus van [bedrijf] is getracht met biljetten van € 5,00 te betalen. Dit is een contra-indicatie voor het wegnemen van het desbetreffende geld. Bovendien heeft de verdachte tevens getracht met zijn eigen creditcard te betalen, hetgeen eveneens een contra-indicatie is, nu iemand die betrokken is bij een woningoverval doorgaans zijn identiteit zal proberen te verhullen. De verdachte heeft dit niet gedaan.
Mocht het hof aan dit verweer voorbijgaan, is subsidiair aangevoerd dat er geen bewijs is voor de betrokkenheid van de verdachte bij de tenlastegelegde diefstal met geweld. Hij heeft daaraan geen wezenlijke of significante bijdrage geleverd. De verdachte heeft een alternatief scenario naar voren gebracht, kort gezegd inhoudende dat hij de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] amper kende, dat hij op hun verzoek enige tijd bij de auto op hen heeft gewacht, dat hij toen iemand (de aangeefster) heeft horen gillen en dat hij daarop ook de woning is binnengegaan. De verdachte heeft binnen in de woning twee mannen – naar later bleek [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] – gezien. Deze mannen hebben de aangeefster bij de haren gepakt en haar van de trap naar beneden getrokken. De verdachte is vervolgens in paniek weggerend.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Diefstal van geld
De verdediging heeft een beroep op de unus testis-regel gedaan. Anders dan de verdediging, maar met de rechtbank en de advocaat-generaal, is het hof van oordeel dat het bepaalde in het tweede lid van artikel 342 Sv – te weten, dat de rechter het bewijs dat de verdachte een aan hem tenlastegelegd feit heeft begaan niet uitsluitend kan aannemen op de verklaring van één getuige – de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet slechts een onderdeel daarvan. Bovendien wordt het verweer dat geen sprake is van diefstal van geld weerlegd door de door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Het hof overweegt daarbij nog dat het de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 1] betrouwbaar acht, ook op het punt van de diefstal van een hoeveelheid geld. Haar verklaring vindt immers voldoende steun in de andere tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen, waaronder – op het punt van de diefstal – in de foto’s van de omgekiepte tas op het bed in de slaapkamer en de op de bank in de woonkamer aangetroffen beurs. Ten slotte overweegt het hof dat de omstandigheid dat in de bus is getracht met biljetten van € 5,00 te betalen niet maakt dat er bij de diefstal geen biljetten van € 20,00 of
€ 50,00 zijn weggenomen. Ook de omstandigheid dat de verdachte vervolgens met zijn eigen creditcard heeft getracht te betalen maakt niet dat hij zich niet aan het tenlastegelegde schuldig kan hebben gemaakt.
Alternatief scenario
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de twee andere mannen uit zijn geboortestad in Roemenië kwamen maar dat hij ze nog niet kende voordat hij vanuit Roemenië met hen is meegereden; dat hij in de auto lang geslapen heeft; dat de twee mannen toen zij in Nederland waren aangekomen, tegen hem zeiden dat zij bagage moesten halen en hij in de auto kon blijven wachten; dat hij, toen hij vanuit de woning een vrouw hoorde gillen, ook die woning is binnengegaan en daar toen heeft gezien waarover hij heeft verklaard (bewijsmiddel 8 en 9), waarna hij in paniek is weggerend.
Het hof acht dit alternatieve scenario ongeloofwaardig.
In de eerste plaats heeft de verdachte eerder bij de rechter-commissaris verklaard dat hij de andere twee wel al langer kende en wel uit zijn woonplaats in Roemenië (bewijsmiddel 9). Ook [medeverdachte 2] heeft op 13 juni 2024 als getuige bij de rechter-commissaris verklaard dat hij [medeverdachte 1] en de verdachte al kende vanaf hun jeugd. Bovendien is dit alternatieve scenario strijdig met het feit dat de verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 1 juli 2019 in Duitsland hebben getracht te tanken zonder te betalen. Dat de verdachte pas de woning zou zijn binnengegaan nadat hij een vrouw in die woning hoorde gillen, wordt weerlegd door de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 1] en haar echtgenoot [slachtoffer 2] . Het hof acht deze betrouwbaar. Deze verklaringen zijn helder, gedetailleerd en vinden bevestiging in elkaar en in de verklaringen van hun buurman [getuige 1] . Het hof heeft dan ook geen reden om aan de inhoud daarvan te twijfelen en acht deze verklaringen bruikbaar voor het bewijs. Uit deze verklaringen volgt dat [slachtoffer 1] door [slachtoffer 2] wakker werd gemaakt en dat zij toen allebei 3 mannen in dan wel nabij hun slaapkamer hebben gezien. Van meet af aan – dus voorafgaand aan het eerste geweld – was sprake van de aanwezigheid van drie mannen in de woning. Twee van de drie mannen zijn vervolgens met [slachtoffer 1] naar beneden gegaan en één man is bij [slachtoffer 2] in de slaapkamer achtergebleven. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat sprake was van een gezamenlijke uitvoering door de drie mannen en daarmee van het medeplegen van het tenlastegelegde feit. Dat door het hof niet met zekerheid kan worden vastgesteld wie van de drie mannen ( [medeverdachte 2] of verdachte) boven bij [slachtoffer 2] is gebleven en wie met [slachtoffer 1] naar beneden zijn gegaan, maakt dat oordeel niet anders.
Het alternatieve scenario van de verdachte schuift het hof, net als de rechtbank, dan ook als ongeloofwaardig ter zijde. Dat de verdachte één van de drie daders is volgt genoegzaam uit de gebezigde bewijsmiddelen.
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging in al zijn onderdelen en acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich – samen met anderen – schuldig gemaakt aan een gewelddadige woningoverval in de nachtelijke uren, waarbij beide aangevers met tie-wraps werden geboeid en er op aangeefster [slachtoffer 1] aanzienlijk geweld is uitgeoefend. Het behoeft geen betoog dat een dergelijke overval in de eigen woning – de plek die bij uitstek een veilig haven zou moeten zijn – en bovendien in de voor de nachtrust bestemde tijd, veel impact heeft (gehad) op de aangevers. Overvallen leiden bovendien niet alleen bij de slachtoffers, maar ook meer in het algemeen, tot gevoelens van onrust, onveiligheid en angst in de samenleving. De verdachte heeft met die gevoelens kennelijk geen rekening gehouden toen hij, samen met de medeverdachten, besloot op een gewelddadige manier snel aan geld te willen komen. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft het hof gelet op de inhoud van het de verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 5 juni 2025, waaruit blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk is veroordeeld. Ook heeft het hof rekening gehouden met de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.
Het hof heeft voor wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf acht geslagen op de LOVS-oriëntatiepunten, dienende als indicatie voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid. Deze oriëntatiepunten geven voor een overval in een woning met licht geweld als uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren en voor een woningoverval met ander geweld een gevangenisstraf van 5 jaren. In strafverzwarende zin is daarbij nog niet meegewogen dat het feit is gepleegd in vereniging met anderen en voorts in de nachtelijke uren.
Alles afwegende kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met de door de rechtbank opgelegde en door de advocaat-generaal in hoger beroep gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 6 maanden. Het hof is van oordeel dat daarin de aard en de ernst van het bewezenverklaarde onvoldoende tot uitdrukking komen. Het hof acht een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren passend en geboden. Het hof zal daarbij bepalen dat de tijd die de verdachte in overleveringsdetentie in het buitenland en in voorlopige hechtenis in Nederland heeft doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.
De tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv, aan de orde is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens gold dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens geldt.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beveelt voorts dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in overleveringsdetentie in het buitenland heeft doorgebracht, bij de uitvoering van voornoemde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.
Aldus gewezen door:
mr. C.M. Hilverda, voorzitter,
mr. R. Lonterman en mr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,
en op 21 juli 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...