ECLI:NL:GHSHE:2025:697 Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch , 14-03-2025 / 20-001709-24

Mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn echtgenoot. Een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht voorhanden hebben, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat het vals of vervalst is.

Source officielle

14 min de lecture 3 018 mots

Inhoudsindicatie. Mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn echtgenoot.

Inhoudsindicatie. Een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht voorhanden hebben, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat het vals of vervalst is.

Parketnummer : 20-001709-24

Uitspraak : 14 maart 2025

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 12 juni 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-041703-23 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1983,

wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het onder 1 primair tenlastegelegde en is ter zake van:

1 subsidiair:

mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn echtgenoot,

en

2:

een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht voorhanden

hebben, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat het vals of vervalst is,

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 weken, waarvan 8 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met de volgende bijzondere voorwaarden:

— dat veroordeelde gedurende de proeftijd geen contact zal opnemen, zoeken of

hebben — in welke vorm dan ook, ook niet via derden — met [slachtoffer]

, geboren op [geboortedag 2] 1984, wonende te [adres 2]

;

— dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd niet zal bevinden in de provincie

Limburg aan het adres [adres 2] ,

waarbij de reclassering opdracht is gegeven om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorts heeft de politierechter beslist op de vordering van de benadeelde partij. De vordering is toegewezen tot een bedrag van € 3.618,20, bestaande uit € 2.868,20 aan materiële schade en € 750,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 februari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en opnieuw rechtdoende de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 weken, waarvan 8 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren.

Door en namens verdachte is ten aanzien van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde vrijspraak bepleit. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Voorts is een straftoemetingsverweer gevoerd en is verweer gevoerd ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, onder aanvulling van de bewijsvoering, behalve voor wat betreft de kwalificatie van het onder 2 bewezenverklaarde, de opgelegde straf en de strafmotivering en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij.

Bewijsmiddelen

Feit 1 subsidiair

In het geval tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring onder 1 subsidiair opgenomen in een aanvulling op dit arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht. De politierechter heeft immers in het beroepen vonnis volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, zonder de inhoud van die bewijsmiddelen weer te geven, terwijl het hof, gelet op de bepleite vrijspraak van dit feit, gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359, derde lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Feit 2

Aan de door de politierechter gebruikte bewijsmiddelen voor het onder 2 bewezenverklaarde wordt als bewijsmiddel toegevoegd: de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 28 februari 2025.

Bewijsoverwegingen

Feit 1 subsidiair

In hoger beroep is van de zijde van de verdachte ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde aangevoerd dat van mishandeling geen sprake is geweest en dat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De verdachte ontkent zijn toenmalige echtgenote bij de keel te hebben gepakt en geknepen en haar te hebben geslagen. Voorts heeft hij gesteld dat de dochter van zijn ex-echtgenote altijd al tegen hem werd opgezet door haar moeder, zijn ex-echtgenote en dat daarom hetgeen zij heeft gezegd tegenover de politie niet betrouwbaar is.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof is van oordeel dat de zijdens verdachte bepleite vrijspraak van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit wordt weersproken door de bewijsmiddelen. Het hof heeft, gelet op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, geen reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van die, van de lezing van de verdediging afwijkende, bewijsmiddelen te twijfelen. De verdachte bevestigt dat er sprake was van een ruzie tussen hem en zijn toenmalige echtgenote. Gezien de waarnemingen van de verbalisanten en de zich in het politiedossier bevindende foto’s van het letsel, acht het hof het niet aannemelijk dat het slachtoffer het letsel, rode striemen bij de keel, zichzelf heeft toegebracht dan wel dat het letsel mogelijk is ontstaan bij het afweren, zoals de verdachte heeft gesuggereerd. Het past veeleer bij de verklaring van het slachtoffer. Uit de medische gegevens leidt het hof bovendien af dat het slachtoffer eerder bij de huisarts meldingen heeft gedaan van geweld jegens haar en dat zij op de huisarts daarbij een reële indruk maakte en de verdachte niet afviel. Zo heeft ze ook eerder geen aangifte willen doen. Het hof ziet dan ook geen aanwijzingen dat het slachtoffer de verdachte ten onrechte zou hebben willen belasten of beschadigen.

Dat de 13-jarige dochter van het slachtoffer, die getuige was van de ruzie, niet betrouwbaar zou zijn en de kant van haar moeder zou kiezen, voor zover al juist, maakt dat niet anders.

Voor zover de verdachte nog bedoeld heeft een beroep te willen doen op een noodweersituatie waartegen hij zich mocht verdedigen, is het hof van oordeel dat hetgeen door de verdachte daaromtrent is aangevoerd, te weten dat het slachtoffer hun zoon bij de verdachte wilde weghalen waardoor een duw- en treksituatie is ontstaan, op zichzelf geen noodweersituatie inhoudt.

Het verweer wordt in al zijn onderdelen verworpen.

Feit 2

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde wenst het hof op te merken dat, hoewel de verdachte verklaard heeft dat hij het valse rijbewijs als grapje van een vriend heeft gekregen en dat het als speelgoed werd gebruikt, er naar het oordeel van het hof sprake is van een zeer goed gelijkend, haast niet van echt te onderscheiden Lets rijbewijs welk slechts afwijkend is door de gebruikte beveiligings- en printtechnieken. Dat het speelgoed zou zijn, vermag het hof niet in te zien maar maakt het ook niet anders. Voor strafbaarheid op grond van artikel 231 Sr. volstaat bovendien het hebben van feitelijke zeggenschap.

Op te leggen sanctie

Zijdens verdachte is verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Hij heeft zijn leven weer op de rit. Hij heeft een baan alwaar hij onmisbaar is en er zijn geen schulden meer. Indien de verdachte naar de gevangenis zou moeten, zou hij zijn baan kunnen verliezen waardoor hij onnodig hard zou worden getroffen. Er is geen contact meer met aangeefster.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van zijn toenmalige echtgenote, door haar met kracht bij de keel te pakken, te knijpen en haar te slaan. Het slachtoffer heeft daardoor striemen in haar nek opgelopen. Hierdoor is het slachtoffer ernstig in haar lichamelijke integriteit aangetast. Er is in deze zaak sprake van huiselijk geweld. Bij huiselijk geweld wordt het veiligheidsgevoel van de slachtoffers in de huiselijke omgeving aangetast. Juist in een gezin behoort eenieder zich veilig en geborgen te voelen en behoren kinderen veilig en stabiel te kunnen opgroeien. Daarvan was geen sprake, aangezien de mishandeling in het bijzijn van de kinderen heeft plaatsgevonden. De verdachte heeft zich met zijn handelwijze daar geen enkele rekenschap van gegeven, hetgeen hem door het hof wordt aangerekend.

Voorts heeft de verdachte een vals Lets rijbewijs voorhanden gehad, terwijl hij wist dat dit rijbewijs vals was. Valse identiteitsdocumenten verhinderen een effectieve identiteitscontrole en bovendien wordt het vertrouwen dat in van overheidswege verstrekte identiteitsbewijzen moet kunnen worden gesteld, aangetast door het gebruik van dergelijke falsificaten. Door te handelen zoals bewezen is verklaard heeft de verdachte op dat vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer in dergelijke documenten pleegt te worden gesteld inbreuk gemaakt. Weliswaar heeft de verdachte het document slechts voorhanden gehad en niet gebruikt in het verkeer, maar dit maakt het feit niet minder strafbaar. Gelet op de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als richtsnoer voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid, geeft het oriëntatiepunt voor het bezit van een vals paspoort als indicatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

Voorts heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 16 december 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder terzake soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.

Ten slotte heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. De verdachte heeft ten overstaan van het hof naar voren gebracht dat hij werk heeft en dat het langslepende echtscheidingsproces is afgewikkeld. Een begeleide omgangsregeling met zijn zoon was vastgesteld maar zijn ex-echtgenote wilde daar niet aan meewerken en is na de uitspraak van de Raad voor de Kinderbescherming met zijn zoon met onbekende bestemming vertrokken. Hij heeft zijn zoon nu 2 jaar niet gezien.

Alles overziende, daarbij met name gelet op de ernst van de feiten, is het hof van oordeel dat de door de politierechter opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 12 weken, waarvan 8 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, passend en geboden is. In de door de verdediging aangevoerde persoonlijke omstandigheden ziet het hof onvoldoende aanleiding om tot matiging van die straf over te gaan.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Aangezien ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat het slachtoffer vermoedelijk naar het buitenland is vertrokken, ziet het hof echter aanleiding om de bijzondere voorwaarden zoals opgelegd door de politierechter thans achterwege te laten. Het hof zal derhalve deze niet opleggen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 4.368,20, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.618,20, bestaande uit een bedrag van € 2.868,20 aan materiële schade en een bedrag van € 750,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 februari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. De voeging duurt voor zover de vordering is toegewezen van rechtswege voort in hoger beroep.

Met de politierechter en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van verdachtes onder 1 subsidiair bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden. De gestelde schade van € 205,70 wegens het inwinnen van advies bij het Expertise en Studiecentrum Vroeg Signalering Neutraal Ouderschap (VSNO) is voldoende met een nota onderbouwd. Ook de geleden immateriële schade acht het hof, gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde mishandeling door het dichtknijpen van de keel en het slaan in het gezicht van de benadeelde partij, voldoende onderbouwd. Het hof begroot deze immateriële schade naar billijkheid op een bedrag van € 750,00.

Verdachte is tot vergoeding van voornoemde materiële en immateriële schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.

Anders dan de politierechter, is het hof van oordeel dat de door de benadeelde partij gestelde materiële schade voor kosten van therapie ad € 2.662,50 niet voor toewijzing vatbaar is, nu deze kostenpost niet nader met stukken is onderbouwd en onduidelijk is of de kosten daadwerkelijk door de benadeelde partij zijn gemaakt. Nader onderzoek naar de gegrondheid van deze schade zou echter een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan daarom thans in dat deel van haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Wettelijke rente

Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 februari 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Proceskosten

Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten. Beide kosten worden tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 955,70. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 februari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 231, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de kwalificatie van het bewezenverklaarde onder 2, de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.

De kwalificatie van het onder 2 bewezenverklaarde behoort te luiden als volgt:

een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht voorhanden hebben, waarvan hij weet, dat het vals is.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) weken.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 8 (acht) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 955,70 (negenhonderdvijfenvijftig euro en zeventig cent) bestaande uit € 205,70 (tweehonderdvijf euro en zeventig cent) materiële schade en € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 februari 2023 tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 955,70 (negenhonderdvijfenvijftig euro en zeventig cent) bestaande uit € 205,70 (tweehonderdvijf euro en zeventig cent) materiële schade en € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 februari 2023 tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 19 (negentien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en met inachtneming van het vorenstaande.

Aldus gewezen door:

mr. C.A. van Roosmalen, voorzitter,

mr. dr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo en mr. T. Farber, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N. van der Velden, griffier,

en op 14 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. T. Farber is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.


Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.