Pays-Bas Hoge Raad Divers 10 ноября 2017 N° 16/05288 NL

ECLI:NL:HR:2017:2821 Hoge Raad , 10-11-2017 / 16/05288

BPM; art. 10 Wet BPM (tekst 2012); art. 110 VWEU; registratie van een aangekochte, uit het buitenland afkomstige gebruikte schadeauto; bepalen van de afschrijving voor de hoogte van de verschuldigde bpm.

Source officielle

5 min de lecture 935 mots

Inhoudsindicatie. BPM; art. 10 Wet BPM (tekst 2012); art. 110 VWEU; registratie van een aangekochte, uit het buitenland afkomstige gebruikte schadeauto; bepalen van de afschrijving voor de hoogte van de verschuldigde bpm.

10 november 2017

nr. 16/05288

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 20 september 2016, nr. 14/00905, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 14/1268) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2Beoordeling van het middel

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende heeft in 2012 op aangifte een bedrag aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) voldaan voor een uit België afkomstige gebruikte personenauto (hierna: de auto); dit met het oog op het doen registreren van de auto in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens.

De auto is op 24 april 2003 in België voor het eerst toegelaten tot de openbare weg. De auto vertoonde ten tijde van de voldoening op aangifte schade.

Blijkens een aan hem uitgereikte factuur van 26 oktober 2012 heeft belanghebbende de auto aangekocht voor € 12.500.

Belanghebbende heeft het voor de auto verschuldigde bedrag aan bpm berekend met inachtneming van een vermindering (afschrijving) als bedoeld in artikel 10, lid 1, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst 2012; hierna: de Wet). Voor het bepalen van de hoogte van de afschrijving van de auto heeft hij – met toepassing van het arrest van de Hoge Raad van 2 maart 2012, nr. 11/00785, ECLI:NL:HR:2012:BV7379, BNB 2012/147 – tegenover de som van de netto‑catalogusprijs van de auto en de bpm op het tijdstip waarop de auto voor het eerst in gebruik is genomen, gezet de inkoopwaarde van een gebruikte, even oude personenauto van hetzelfde merk en type en vergelijkbare uitvoering die was vermeld in de koerslijst X‑RAY (hierna: de koerslijst), een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland. Vorenbedoelde handelsinkoopwaarde (volgens de koerslijst € 15.258) heeft belanghebbende vanwege de hiervoor in 2.1.2 bedoelde schade aan de auto verminderd met een door hem begroot schadebedrag van € 8328. Uitkomend op een bedrag van € 6930 als inkoopwaarde, heeft hij het bij de auto behorende bedrag aan bpm, bedoeld in artikel 9, leden 1 en 2, van de Wet, volgens het aldus verkregen afschrijvingspercentage verminderd.

De Inspecteur heeft de auto laten taxeren. Aan de hand van deze taxatie, gebaseerd op gecorrigeerde vraagprijzen van twee gebruikte vergelijkbare personenauto’s, heeft hij de inkoopwaarde van de auto – rekening houdend met een waardevermindering van € 7500 als gevolg van de schade – gesteld op € 12.000. Met inachtneming van de aldus bepaalde afschrijving heeft de Inspecteur van belanghebbende een bedrag van € 1393 aan bpm nageheven.

Het Hof heeft geoordeeld dat noch de door belanghebbende verdedigde noch de door de Inspecteur verdedigde inkoopwaarde van de auto bruikbaar is voor het bepalen van de afschrijving van de auto.

Het Hof heeft vervolgens “met inachtneming van alle omstandigheden” de inkoopwaarde van de auto in goede justitie op € 12.000 vastgesteld en de naheffingsaanslag dienovereenkomstig verminderd tot op een bedrag van € 1017.

Het middel betoogt dat het oordeel van het Hof dat de inkoopwaarde van de auto in goede justitie moest worden vastgesteld, ofwel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting ofwel niet naar behoren is gemotiveerd. Daarbij merkt het middel op dat het niet bestrijdt het door de Inspecteur verdedigde standpunt dat de waardevermindering als gevolg van de hiervoor in 2.1.2 bedoelde schade aan de auto € 7500 bedraagt.

Het middel slaagt. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is niet begrijpelijk dat het Hof op basis van alle voorliggende gegevens enerzijds van oordeel is dat het door de Inspecteur verdedigde bedrag van de inkoopwaarde van de auto moet worden verworpen, en anderzijds oordeelt dat de inkoopwaarde in goede justitie op dat bedrag moet worden vastgesteld.

Gelet op het hiervoor in 2.4 overwogene kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

3Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

4Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 251, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1980 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 november 2017.


Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.