ECLI:NL:OGEAA:2024:314 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba , 04-09-2024 / AUA202400830

Lar - Het gerecht komt daarom tot de slotsom dat niet is gebleken dat de maatregelen die in Venezuela worden genomen tegen een beroepsmilitair zoals appellant die weigert zijn dienst te vervullen, zoals een veroordeling tot een gevangenisstraf of het ontslag uit het leger, gelet op de rechtmatige uitoefening door de betrokken staat van zijn recht om over een krijgsmacht te beschikken, kunnen wo...

Source officielle

29 min de lecture 6 372 mots

Inhoudsindicatie. Lar — Het gerecht komt daarom tot de slotsom dat niet is gebleken dat de maatregelen die in Venezuela worden genomen tegen een beroepsmilitair zoals appellant die weigert zijn dienst te vervullen, zoals een veroordeling tot een gevangenisstraf of het ontslag uit het leger, gelet op de rechtmatige uitoefening door de betrokken staat van zijn recht om over een krijgsmacht te beschikken, kunnen worden aangemerkt als dermate onevenredig of discriminerend dat zij zijn te rekenen tot daden van vervolging. Het gerecht is van oordeel dat verweerder niet mocht volstaan met een beoordeling van de door appellant destijds verstrekte gegevens. Verweerder had ook de actuele situatie in Venezuela in ogenschouw moeten nemen.

Uitspraak van 4 september 2024

Lar nr. AUA202400830

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

[Appellant],

wonende in Aruba,

APPELLANT,

gemachtigde: drs. M.L. Hassell,

gericht tegen:

DE MINISTER VAN ARBEID, ENERGIE EN INTEGRATIE,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: de advocaat mr. L.J. Pieters

PROCESVERLOOP

Appellant heeft op 12 augustus 2018 een verzoek gedaan om internationale bescherming (het asielverzoek).

Appellant heeft op 20 juli 2022 bezwaar gemaakt tegen de fictieve afwijzende beschikking.

Bij beslissing van 6 februari 2024 (de bestreden beslissing) heeft verweerder het bezwaar van appellant, ongegrond verklaard.

Tegen de bestreden beslissing heeft appellant op 14 maart 2024 pro-forma beroep ingesteld bij dit gerecht. Op 26 april 2024 heeft appellant de gronden van zijn beroep aangevuld.

Het gerecht heeft de zaak behandeld op de zitting van 21 augustus 2024. Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde.

De uitspraak is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

Waar gaat deze zaak over?

Appellant is in 1986 geboren in Venezuela en heeft de Venezolaanse nationaliteit. Hij was beroepsmilitair in Venezuela. Hij heeft medio 2018 zijn land verlaten en is toen naar Aruba gereisd. Hij heeft op Aruba een asielverzoek ingediend en wil erkend worden als vluchteling om op Aruba legaal te kunnen wonen en werken. Daarmee wil hij ook voorkomen dat hij wordt teruggezonden naar Venezuela. Hij vreest daar opgepakt en veroordeeld te worden als deserteur. Appellant beroept zich tevens op de huidige situatie in Venezuela, die snel verslechtert. Afwijzing van het asielverzoek is volgens appellant in strijd met het Vluchtelingenverdrag en het EVRM.

Verder heeft appellant aangevoerd dat verweerder ten onrechte de afwijzende beslissing heeft genomen zonder voorafgaand advies van de bezwaaradviescommissie en zonder hem te horen. Volgens appellant vormt het horen een essentieel onderdeel van de verplichte bezwaarschriftprocedure. Hij verzoekt het gerecht de bestreden beslissing te vernietigen en te bepalen dat verweerder hem alsnog over zijn bezwaren zal horen.

Het gerecht zal hierna eerst het asielrelaas van appellant bespreken en daarna de vraag beantwoorden of de procedure correct is verlopen.

Het asielverzoek

De bestreden beslissing

2. Aan de bestreden beslissing is ten grondslag gelegd, dat appellant niet als vluchteling kan worden aangemerkt in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Daarbij is opgemerkt dat strafvervolging wegens desertie in beginsel niet kwalificeert als vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag en dat de in het UNHCR Handboek beschreven uitzonderingen zich niet voordoen, zodat geen sprake is van een beschermde grond. Verder ontbreekt volgens verweerder een gegronde vrees tot vervolging, omdat appellant met de door hem overgelegde verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk wordt vervolgd door de Venezolaanse autoriteiten, zodat er geen actor van vervolging is. Verder heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat er een redelijke mate van waarschijnlijkheid is dat hij zal worden veroordeeld bij terugkeer naar Venezuela. Verweerder meent dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn vrees voor vervolging nu, thans zes jaar later, nog gegrond is. Verder zijn er beschermingsmogelijkheden in zowel eigen land, als in Colombia. Daarbij betrekt verweerder dat appellant heeft verklaard dat zijn echtgenote en dochter zowel de Venezolaanse als de Colombiaanse nationaliteit hebben.

Om dezelfde redenen meent verweerder dat er geen strijd is met het verbod van refoulement, zoals neergelegd in artikel 3 EVRM.

Het asielrelaas

Appellant is op [datum] 1986 in Venezuela geboren en heeft de Venezolaanse nationaliteit. Hij heeft vanaf 2005 13 jaren als beroepsmilitair gediend in het leger van Venezuela. Appellant heeft verklaard dat hij tot vier keer toe om ontslag uit het leger heeft gevraagd, maar dat die verzoeken zijn afgewezen en dat hij na een afwijzing telkens werd overgeplaatst. Hij stelt de laatste jaren voor zijn vertrek te hebben gewerkt bij legereenheden in Caracas, Monagas (Maturin), Falcon en Punto Fijo.

Appellant heeft verklaard op 6 juli 2018 zijn legereenheid te hebben verlaten. Op 8 juli 2018 is hij vanuit Valencia in Venezuela naar Aruba gereisd, waar hij legaal is binnengekomen. Vervolgens is appellant op 9 juli 2018 van Aruba naar Curaçao gereisd om op 10 juli 2018 vanuit Curaçao weer legaal Aruba in te reizen. Op 12 augustus 2018 heeft appellant een asielaanvraag ingediend. In het kader van zijn aanvraag om asiel is hij op 16 augustus 2018 gehoord door twee personen van Instituto Alarma y Seguridad Aruba (IASA) en nadien op 22 februari 2021 door medewerkers van Departamento di Integracion, Maneho y Admision di Stranhero (DIMAS). De gemachtigde van appellant heeft op zitting verklaard dat de partner van appellant haar man is nagereisd en medio december 2018, met hun dochter, op Aruba is aangekomen en dat zij sindsdien in gezinsverband op Aruba samenwonen.

Appellant stelt dat hij bij terugkeer naar Venezuela opgepakt zal worden, omdat hij geregistreerd staat als deserteur. Hij vreest te worden veroordeeld voor desertie of te worden ingezet in het leger tegen zijn eigen bevolking.

Ter onderbouwing van de vrees tot vervolging heeft appellant enkele documenten in geding gebracht. Zo heeft appellant op 10 juni 2024 kopieën van een brief ingediend, waaruit volgt dat appellant was uitgenodigd om zich te verantwoorden voor een Militair Tribunaal op 15 december 2018 terzake van desertie. Appellant heeft verder een lijst overgelegd, opgemaakt en ondertekend in mei 2024 door een inspecteur-generaal van de Venezolaanse militaire luchtmacht, met daarop “namen van personen die zonder rechtvaardiging de militaire dienst hebben verlaten”. Op deze lijst met 89 namen is onder nr 19 ook appellant vermeld. Verder is door appellant ingebracht een bevel gedateerd 3 juni 2024, opgemaakt door de inspecteur-generaal van de directie speciale onderzoeken van het Venezolaanse leger, waarin een aantal personen — waaronder appellant — wordt meegedeeld dat er onderzoek is uitgevoerd naar “vermeend ongeautoriseerd en ongerechtvaardigd verblijf buiten de militaire eenheid, vestiging of installatie” op basis van de Militaire Disciplinewet, dat appellant binnen een termijn van maximaal vijftien werkdagen na de publicatie van deze kennisgeving dient te verschijnen bij de Directie Bijzondere Onderzoeken om als verdachte te worden gehoord, dat hij — in overeenstemming artikel 49 van de Grondwet van Venezuela — recht heeft op toegang tot het dossier, en dat hij zich op de dag van het interview kan laten vergezellen door een juridische professional.” Dit bevel is uitgevaardigd door een generaal-majoor van de Venezolaanse Militaire Luchtmacht, overeenkomstig Resolutie nr. [nummer] van [datum] 2022, gepubliceerd in de Staatscourant van de Bolivariaanse Republiek Venezuela nr. [nummer] van 28 juli 2022.

Het juridisch kader

4. Het juridisch kader voor deze zaak is opgenomen in een bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak. Het gaat daarbij om de artikelen 1A en 33, eerste lid, van het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 van het EVRM en de paragrafen 167 tot en met 174 van het UNHCR-Handbook over procedures en criteria voor de vluchtelingenstatus en richtlijnen voor internationale bescherming. Verder zijn relevant de artikelen 17 en 20 over de hoorplicht in de bezwaarprocedure uit de Landsverordening administratieve rechtspraak.

De beoordeling

Het gerecht bespreekt eerst de vraag of verweerder appellant terecht niet als vluchteling in de zin van het Vluchtelingeverdrag heeft aangemerkt. Het gerecht stelt daarbij voorop dat de veiligheidssituatie in Venezuela, hoewel zorgelijk, niet zodanig is dat elke Venezolaanse burger alleen al door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt op ernstige schade of onmenselijke behandeling. Het ligt in beginsel op de weg van appellant om met betrekking tot zijn situatie feiten en omstandigheden aan te dragen die zijn vrees in vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen.

Appellant was naast burger van Venezuela tevens beroepsmilitair. Hij heeft 13 jaar in actieve dienst het leger van Venezuela gediend. Niet is gebleken dat appellant in de periode voor zijn vertrek uit Venezuela had te vrezen voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging. Zijn vier verzoeken om ontslag uit militaire dienst zijn afgewezen. Daarbij verdient vermelding dat de redenen waarom appellant om ontslag had verzocht volgens zijn eigen verklaringen niet zijn gelegen in zijn ras, godsdienst, nationaliteit, of het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging. Hij wilde ontslag om zijn vader op de boerderij te kunnen helpen of om dichter bij huis gelegerd te zijn. Niet is gebleken dat appellant tot medio 2018 te vrezen had voor vervolging in eigen land. Dat is anders geworden doordat hij de militaire dienst zonder toestemming heeft verlaten en naar Aruba is gegaan.

Uit de beperkte gedingstukken in het dossier leidt het gerecht af dat appellant is opgeroepen zich te verantwoorden voor desertie voor een militair gerecht in december 2018. Verder leidt het gerecht uit de lijst van mei 2024 en de aankondiging van 3 juni 2024 af dat het onreglementaire vertrek van appellant uit de Venezolaanse militaire dienst ook in 2024 nog de aandacht heeft van de militaire gezagsdragers. Het gerecht acht aannemelijk dat appellant bij terugkeer naar Venezuela zich zal hebben te verantwoorden voor desertie. Ook acht het gerecht het risico reëel dat hem dan vanwege desertie een gevangenisstraf zal worden opgelegd.

Het gerecht is dus, anders dan verweerder in de bestreden beslissing, van oordeel dat er wel degelijk een actor van vervolging is (de militaire overheid) en ook dat er gegronde vrees is — ook nu nog in 2024 — dat appellant bij terugkeer naar Venezuela zal worden vervolgd en veroordeeld voor desertie. Daarbij is van belang dat ook andere beroepsmilitairen die het land zijn ontvlucht bij terugkeer worden gearresteerd op beschuldiging van desertie. Het gerecht vindt hiervoor steun in het rapport van het Commissariaat-Generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 13 mei 2024 “COI Focus Venezuela; houding van de autoriteiten ten aanzien van migratie’. En tevens in het Algemene Ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Nederland uit juni 2020. In dat ambtsbericht is in paragraaf 3.4 ‘Dienstweigeraars en deserteurs’ het volgende vermeld:

“Er is een beroepsleger dat bestaat uit verschillende gradaties sergeanten (tropas profesionales) en het kader van officieren. Een vertrouwelijke bron zei dat in tegenstelling tot veel andere landen Venezuela een disproportioneel groot aantal officieren kent. Veel van deze officieren hebben geen of weinig militaire opleiding genoten, maar zijn vanwege hun banden met de regerende partij tot officier gepromoveerd, aldus de bron. Een vertrouwelijke bron geeft aan dat het mogelijk is om als beroepssoldaat ontslag te nemen. Het hangt daarbij natuurlijk af van de omstandigheden waarin je ontslag neemt, aldus de bron. Op medische grond is het bijna altijd mogelijk, maar als je het niet eens bent met de regering kun je in de problemen komen, voegt hij aan zijn betoog toe.

Het voorbeeld van een luitenant die ooit aanhanger van Chávez was geweest, maar zijn sympathie voor de overheid onder het bewind van Maduro had verloren, wordt door Reuters in een artikel aangehaald. Naast zijn baan in het leger was de militair gaan studeren en had ook bijeenkomsten van de oppositie bezocht. Toen hij zijn superieuren had verteld dat hij het leger wilde verlaten, werd hij in 2017 door agenten van de DGCIM ontboden om naar het DGCIM-hoofdkwartier te komen. Naar eigen zeggen werd hem daar onder andere verraad en rebellie ten laste gelegd. Uiteindelijk zat hij zes maanden vast, waarbij hij fysiek werd mishandeld. Na schuld bekend te hebben werd hij vrijgelaten en uit het leger gezet.

Straffen voor dienstplichtweigering en/of desertie

Conform de Código Orgánico de Justicia Militar (Organiek Wetboek van Militaire Rechtspraak) deserteert een militair wanneer hij zich op een illegale manier aan zijn actieve dienst onttrekt en dit willens en wetens doet. Hier gaat het om een militair in actieve dienst die behoort tot de drie eerdergenoemde categorieën (officieren, beroepsleger of rekruten). Voor desertie kunnen straffen van een half jaar tot acht jaar opgelegd worden. De strafmaat hangt van verschillende factoren af. In vredestijd zijn de straffen lager dan in tijd van oorlog. Ook de reden voor desertie kan tot een hogere straf leiden, bijvoorbeeld deelname aan een complot of desertie tijdens verblijf in het buitenland. Tevens is de rang van de militair bepalend voor de strafmaat. Desertie betekent altijd ontslag uit het leger.

De militair die zijn toegewezen commando verlaat of de functies die hem zijn toegewezen niet uitvoert, zal eveneens gestraft worden. Een officier kan hiervoor twee tot vier jaar gevangenisstraf krijgen en een soldaat/rekruut een tot twee jaren. Indien de militair zijn post verlaat wanneer het leger op campagne is, of in dergelijke omstandigheden dat de strijdkrachten schade ervan ondervinden, kan de straf drie keer zwaarder uitvallen volgens de Venezolaanse wet.

De facto straffen in het geval van desertie of dienstweigering

De ICG meldt dat veel officieren van de verschillende onderdelen van de Venezolaanse strijdkrachten in detentie zitten. Sommigen van hen zijn volgens de ICG waarschijnlijk officieren van de GNB die weigerden om met geweld demonstraties neer te slaan. Vertrouwelijke bronnen bevestigen dit bericht en zeggen gedeserteerd te zijn omdat ze de opdracht hadden gekregen met scherp op demonstranten te schieten. Ze waren na gedeserteerd te zijn naar het buitenland gevlucht, omdat de Venezolaanse autoriteiten naar eigen zeggen naar hen op zoek waren.

Het Venezolaanse leger ziet zich geconfronteerd met grote aantallen soldaten en officieren die deserteren. De redenen lopen dienaangaande uiteen. Sommige militairen zijn het niet eens met de huidige overheid of de bevelen die ze moeten uitvoeren, maar het feit dat de voedselschaarste ook de legerrangen, en met name de onderofficieren en soldaten, heeft bereikt doet vele militairen besluiten om te deserteren. Eind 2019 zouden ongeveer 6000 leden van de sergeanten, c.q. tropa

profesional, van de GNB zijn gedeserteerd, een derde van het totale aantal sergeanten binnen dit legeronderdeel. Volgens vertrouwelijke bronnen hebben de Venezolaanse autoriteiten niet de middelen en ook niet de wil om al deze deserteurs op te sporen en te bestraffen. Een bron zei dat hij soldaten kende die naar Colombia waren gevlucht, maar nog regelmatig naar Venezuela terugkeerden om familie te bezoeken.

Discriminatoire berechting of straffen op grond van ras, religie, nationaliteit, etc. bij dienstweigering of desertie

Het is niet bekend of er sprake is van discriminatoire berechting of straffen door de Venezolaanse autoriteiten op grond van ras, religie, nationaliteit, etc. bij dienstweigering of desertie. Onderzoek daarnaar heeft geen informatie opgeleverd.”

Op grond van wat hiervoor is overwogen, acht het gerecht aannemelijk dat appellant bij terugkeer heeft te vrezen voor vervolging en een veroordeling voor desertie. Uit de door appellant ingebrachte gedingstukken kan echter niet zonder meer worden afgeleid dat appellant bij terugkeer niet een fair trial te wachten staat. Uit die stukken volgt dat hij is opgeroepen zich te komen verantwoorden, waarbij is vermeld dat en wanneer hij zijn dossier kan komen inzien en dat hij zich kan laten bijstaan door een juridisch raadsman. Uit de beschikbare informatie kan niet worden afgeleid dat appellant bij terugkeer een andere of substantieel zwaardere straf boven het hoofd hangt dan andere beroepsmilitairen die zijn veroordeeld voor desertie. Dat appellant een onevenredig zware straf boven het hoofd hangt, zoals zijn gemachtigde heeft betoogd, volgt het gerecht niet. Aannemelijk is dat hij bij terugkeer gearresteerd en vervolgd zal worden voor desertie, dat hem een gevangenisstraf zal worden opgelegd en dat hij zal worden ontslagen uit het leger.

Het gerecht komt daarmee toe aan bespreking van de vraag of dit voldoende om gegronde vrees voor vervolg aannemelijk te achten waardoor appellant als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag moet worden aangemerkt?

Verweerder heeft onder verwijzing naar het UNHCR Handbook aangegeven dat strafvervolging voor desertie in beginsel niet kwalificeert als vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Ook de enkele angst om te worden ingezet in een gewapend conflict is daarvoor niet voldoende. Op die hoofdregel bestaan uitzonderingen. De te beantwoorden vraag is of in het geval van appellant zich een van die uitzonderingen voordoet. Daarbij is het aan appellant om aannemelijk te maken dat zich een uitzonderingssituatie voordoet. Het gerecht verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 24 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2782.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege ras, religie, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging gegronde vrees heeft voor onevenredige of discriminatoire bestraffing wegens desertie. Ook heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat zijn desertie was ingegeven door ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren op grond van zijn godsdienstige of een andere diepgewortelde overtuiging die zijn desertie voorschrijft. Appellant heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij in 2018 tot desertie is gekomen, omdat hij niet betrokken wenste te worden bij een militaire actie die is veroordeeld door de internationale gemeenschap als strijdig met de grondbeginselen van humaan gedrag of die in strijd is met fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat hij heeft besloten tot desertie, omdat hij gegronde vrees had in een conflict te worden ingezet tegen zijn eigen volk of familie. De door appellant genoemde omstandigheden, zijn vrees voor een toekomstig conflict tussen Venezuela en de Verenigde Staten van Amerika en het gegeven dat hij niet als militair wil worden ingezet bij controles op supermarkten, zijn daarvoor onvoldoende.

Het gerecht komt daarom tot de slotsom dat niet is gebleken dat de maatregelen die in Venezuela worden genomen tegen een beroepsmilitair zoals appellant die weigert zijn dienst te vervullen, zoals een veroordeling tot een gevangenisstraf of het ontslag uit het leger, gelet op de rechtmatige uitoefening door de betrokken staat van zijn recht om over een krijgsmacht te beschikken, kunnen worden aangemerkt als dermate onevenredig of discriminerend dat zij zijn te rekenen tot daden van vervolging. Verweerder heeft zich in de bestreden beslissing op basis van de door appellant aangedragen gegevens terecht op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat appellant na zijn terugkeer in Venezuela vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag moet vrezen.

Hiermee is niet alles gezegd. De bestreden beslissing is grotendeels gebaseerd op gegevens die door appellant zijn verstrekt. Appellant is door verweerder voor het laatst gehoord op 22 februari 2021. Het gerecht kan verweerder volgen dat indien uitsluitend rekening wordt gehouden met die gegevens appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij na terugkeer onderworpen zal worden aan een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Verweerder heeft verwezen naar recente rechtspraak, waarin is overwogen dat de humanitaire crisis in Venezuela niet in overwegende mate is veroorzaakt door gewapend conflict, maar vooral het gevolg is van jarenlange economische crisis en politieke onrust. Uit de arresten van het EHRM van 28 juni 2011, Sufi en Elmi, paragrafen 281 en 282, en van 29 januari 2013, S.H.H. tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2013:0129JUD006036710, paragrafen 74 tot en met 77, volgt dat als een humanitaire situatie zich niet afspeelt in de context van een gewapend conflict, artikel 3 van het EVRM slechts wordt geschonden in 'very exceptional cases where the humanitarian grounds against removal are compelling' (vgl. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1054). Verweerder stelt zich op het standpunt dat van het bestaan van dergelijke zeer uitzonderlijke omstandigheden in deze niet is gebleken.

Het gerecht is van oordeel dat verweerder niet mocht volstaan met een beoordeling van de door appellant destijds verstrekte gegevens. Verweerder had ook de actuele situatie in Venezuela in ogenschouw moeten nemen. Het verbod van refoulement, zoals neergelegd in o.a. artikel 3 EVRM, een fundamenteel recht, vereist dat het bestuur zich ervan vergewist dat een rechtzoekende bij (gedwongen) terugkeer naar het land van herkomst niet een behandeling in strijd met de artikelen 2 en 3 EVRM te wachten staat. Dat vergt een ambtshalve beoordeling van de situatie ten tijde van het nemen van de beslissing (ex nunc). Van een dergelijke beoordeling door verweerder is niet gebleken.

Het gerecht gaat hieronder eerst kort in op de actuele situatie in Venezuela en daarna op de door verweerder gevolgde procedure en de vraag of de hoorplicht is geschonden.

De actuele situatie in Venezuela

Appellant heeft een beroep gedaan op de actuele situatie in Venezuela, die snel verslechtert, waardoor hij moet vrezen bij terugkeer te worden ingezet in een gewapend conflict met een buurland of bij militaire acties tegen de eigen bevolking. Daarbij heeft hij gewezen op het conflict rondom Essequibo aan de grens met Guyana, waar sprake is van militaire troepenopbouw. Tevens heeft hij gewezen op de situatie die is ontstaan na de verkiezingen in juli 2024 en het feit dat het leger wordt ingezet om demonstraties van burgers die zich niet willen neerleggen bij de verkiezingsuitslag neer te slaan. Appellant wil daaraan niet meewerken.

Het gerecht stelt vast dat verweerder bij de bestreden beslissing niet heeft betrokken de recente ontwikkelingen in Venezuela. Verweerder heeft ter zitting verwezen naar het ‘Algemeen Ambtsbericht Venezuela 2020’ van het ministerie van Buitenlandse Zaken van Nederland van juni 2020. Dat ambtsbericht is echter achterhaald in die zin dat met de recente ontwikkelingen in Venezuela geen rekening is gehouden. Van een meer recent ambtsbericht is niet gebleken. Uit de beperkt beschikbare objectieve informatie is duidelijk dat de spanningen in Venezuela snel oplopen en de crisis zich verder verdiept. In het bijzonder verontrustend is de inzet van het leger bij demonstraties naar aanleiding van de uitslag van de verkiezingen. Daarbij zijn doden gevallen en honderden personen gearresteerd. In een verklaring van de hoge vertegenwoordiger namens de Europese Unie van 24 augustus 2024 wordt grote zorg uitgesproken over de situatie in Venezuela. Daar in staat onder meer:

”De Venezolaanse autoriteiten moeten het recht van alle Venezolanen eerbiedigen om vreedzaam te demonstreren en vrij hun politieke mening te uiten, zonder represailles te moeten vrezen. Zij moeten afzien van buitensporig geweld, een einde maken aan de repressie en intimidatie van de oppositie en het maatschappelijk middenveld, en alle politieke gevangenen vrijlaten. Mensenrechtenschendingen moeten grondig worden onderzocht en de daders moeten ter verantwoording worden geroepen.”

De Arubaanse premier E. Wever-Croes heeft laten weten de situatie in Venezuela te monitoren en zo nodig extra maatregelen te nemen tegen een nieuwe stroom vluchtelingen uit Venezuela. Inmiddels hebben sedert 2013 ongeveer 7.7 mln Venezolanen hun land verlaten.

De procedure

Het gerecht stelt vast dat verweerder het bezwaarschrift van appellant 20 juli 2022 gericht tegen het uitblijven van een beslissing op het asielverzoek van 16 augustus 2018 heeft doorgezonden aan de LAR-adviescommissie op 4 december 2023. Daarbij is verzocht het bezwaarschrift in een hoorzitting te behandelen. Vastgesteld wordt tevens dat door de bezwaaradviescommissie (BAC) geen hoorzitting is gehouden en geen advies is uitgebracht.

Zoals hiervoor al aangegeven heeft appellant aangevoerd dat verweerder ten onrechte de afwijzende beslissing heeft genomen zonder voorafgaand advies van de bezwaaradviescommissie. Volgens appellant vormt het horen een essentieel onderdeel van de verplichte bezwaarschriftprocedure. Hij verzoekt vernietiging van de bestreden beslissing met bepaling dat verweerder alsnog appellant op diens bezwaren zal horen.

Het Hof heeft in zijn uitspraak van 19 juli 2010, ECLI:NL:OGHNAA:2010:BN5917, al eens overwogen dat indien de BAC niet binnen de daarvoor gestelde termijn een advies uitbrengt, op het bezwaarschrift mag worden beschikt zonder het advies af te wachten. In zijn uitspraak van 16 februari 2024, ECLI:NL:OGHACMB:2024:21, heeft het Hof de rechtspraak terzake verduidelijkt. In die uitspraak is het volgende overwogen:

“4.1 Volgens vaste rechtspraak van het Hof mag in gevallen waarin het bestuursorgaan het advies van de BAC niet binnen de daarvoor in artikel 19 van de Lar gestelde termijn heeft ontvangen, het bestuursorgaan in beginsel op grond van artikel 20, eerste lid, van de Lar op het bezwaarschrift beschikken zonder het advies van de BAC af te wachten (vgl. de uitspraak van het Hof van 19 juli 2010 en van 23 mei 2014, ECLI:NL:OGHACMB:2014:79.). Verschillende bestuursorganen en rechtszoekenden hebben echter gesignaleerd dat de behandeling van bezwaarschriften door de BAC zoals voorgeschreven in paragraaf 3 van de Lar niet goed functioneert als gevolg van het niet (tijdig) houden van een hoorzitting of het niet (tijdig) uitbrengen van een advies, waardoor er aan het einde van de in artikel 20, eerste lid, van de Lar genoemde termijn geen gehoor van de vreemdeling heeft plaatsgevonden en geen advies van de BAC beschikbaar is. Hierin ziet het Hof aanleiding om deze vaste rechtspraak als volgt aan te scherpen.

In gevallen waarin het bestuursorgaan het advies van de BAC niet binnen de daarvoor in artikel 19 van de Lar gestelde termijn heeft ontvangen, moet het bestuursorgaan in de eerste plaats beoordelen of zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 17, vierde lid, onder a en b, van de Lar. Dat is het geval als het bezwaarschrift naar het oordeel van het bestuursorgaan kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, of als de indiener of het bestuursorgaan er redelijkerwijs geen belang bij heeft te worden gehoord. Van dat laatste is onder andere sprake als de bezwaarde te kennen heeft gegeven geen prijs te stellen op een hoorzitting. Het bestuursorgaan kan in die gevallen op grond van artikel 20, eerste lid, van de Lar op het bezwaarschrift beschikken zonder advies van de BAC. Is van geen van de in artikel 17, vierde lid, onder a en b, van de Lar genoemde situaties sprake, dan geldt dat het bestuursorgaan er in het licht van het zorgvuldigheidsbeginsel zorg voor moet dragen dat het over alle voor het nemen van de beslissing op bezwaar benodigde informatie beschikt. Het bestuursorgaan kan er om die reden voor kiezen het bezwaarschrift terug te sturen naar de BAC met het verzoek alsnog een hoorzitting te houden en advies uit te brengen. Het bestuursorgaan kan er echter ook voor kiezen zelf vragen te stellen aan de bezwaarde of op andere wijze inlichtingen in te winnen bij de bezwaarde. Als het bestuursorgaan op bezwaar heeft beslist na overschrijding van de adviestermijn en zonder het advies van de BAC en de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, zal de bestuursrechter gelet op het vorenstaande beoordelen of het bestuursorgaan op grond van artikel 17, vierde lid, aanhef en onder a en b, van de Lar de beslissing op het bezwaarschrift kon nemen zonder het advies van de BAC af te wachten. Is dat niet het geval dan zal de bestuursrechter aan de hand van hetgeen is aangevoerd onderzoeken of er sprake is van een voldoende zorgvuldige voorbereiding van de beschikking op bezwaar. Mocht dat niet het geval zijn dan kan de bestuursrechter in het kader van finale geschillenbeslechting in de beroepsfase het bestuursorgaan alsnog in de gelegenheid stellen gebreken aan de beschikking te herstellen.”

Het gerecht komt tot de conclusie dat appellant terecht klaagt over schending van de hoorplicht. Een situatie als bedoeld in artikel 17, vierde lid, onder a en b, van de Lar doet zich niet voor. Het bezwaarschrift tegen de fictieve weigering was en is niet kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond, en ook deed zich niet de situatie voor dat appellant er redelijkerwijs geen belang bij had of heeft te worden gehoord. Verweerder mocht dus in beginsel op grond van artikel 20, eerste lid, van de Lar niet op het bezwaarschrift van appellant beschikken zonder advies van de BAC. Niet gebleken is dat verweerder alvorens op het bezwaarschrift te beschikken er zorg voor heeft gedragen dat appellant alsnog door de BAC werd gehoord, terwijl evenmin is gebleken dat verweerder zich op andere wijze heeft ingespannen om zich van de voor het nemen van de beslissing op bezwaar benodigde informatie te voorzien. Daar was wel reden toe, omdat het laatste gehoor van appellant had plaatsgevonden op 22 februari 2021, dat wil zeggen ongeveer twee jaar voor de bestreden beslissing. Daarvoor was te meer reden gelet op de actuele ontwikkelingen in Venezuela. Het gerecht is daarom van oordeel dat verweerder niet zonder BAC-advies of zonder het zelf inwinnen van nadere informatie over de situatie in Venezuela op het bezwaar heeft mogen beslissen. Dit gebrek moet worden hersteld.

Conclusie

8. Hieruit volgt dat het beroep van appellant gegrond moet worden verklaard. Het gerecht zal de bestreden beslissing vernietigen wegens strijd met de artikelen 17 en 20 van de Lar in combinatie met strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Verweerder zal worden veroordeeld tot vergoeding van het door appellant gestorte griffierecht en een vergoeding voor gemaakte proceskosten.

Wat betekent deze uitspraak voor partijen?

9. Verweerder zal een nieuwe beslissing moeten nemen op het bezwaarschrift van appellant. Verweerder moet beslissen of er aanleiding is de zaak naar de BAC te zenden om appellant te horen en een advies uit te brengen. Mocht blijken dat er geen reëel zicht is op een advies van de BAC binnen drie maanden, dan kan verweerder er ook toe overgaan om appellant zelf te horen. Verder moet verweerder appellant in de gelegenheid stellen zijn bezwaar nader te onderbouwen en actuele informatie aan te dragen over zijn persoonlijke situatie — waaronder die over zijn gezin — en de actuele situatie in Venezuela. Tevens moet verweerder zich ambtshalve op de hoogte stellen van de actuele situatie in Venezuela en — zo mogelijk — over het (te verwachten) lot van deserteurs uit het Venezolaanse leger, om een weloverwogen beslissing te kunnen nemen over het asielverzoek van appellant. Zo lang die beslissing niet is genomen dient uitzetting van appellant achterwege te blijven.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

— verklaart het beroep gegrond;

— vernietigt de bestreden beslissing van 6 februari 2024;

— veroordeelt verweerder tot betaling van de door appellant voor dit geding gemaakte kosten aan rechtskundige bijstand, begroot op Afl. 1.400,-,

— gelast dat het door appellant gestorte griffierecht van Afl. 25,- aan hem wordt terugbetaald.

Deze beslissing is gegeven door mr. B.J. van Ettekoven, rechter in dit gerecht, en wordt geacht in het openbaar te zijn uitgesproken op 4 september 2024 in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na dagtekening van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (LAR-zaken).

Het hogerberoepschrift moet worden ingediend bij de griffie van dit Gerecht.

U wordt verzocht bij het indienen van het hogerberoepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het hogerberoepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het hogerberoepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,

b. de dag van ondertekening,

c. waartegen u in hoger beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voor het instellen van hoger beroep is een griffierecht van Afl. 75 verschuldigd.

Bijlage: juridische kader bij zaak AUA202400830 (LAR)

Vluchtelingenverdrag

Het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag), aangepast bij het Protocol van New York, geeft in artikel 1A, aanhef en ten tweede, de volgende definitie van vluchteling: ‘Elke persoon die uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen, of die, indien hij geen nationaliteit bezit en ten gevolge van bovenbedoelde gebeurtenissen verblijft buiten het land waar hij vroeger zijn gewone verblijfplaats had, daarheen niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil terugkeren’.

Ingevolge artikel 33, eerste lid, van het Vluchtelingenverdrag zal geen der Verdragsluitende Staten, op welke wijze ook, een vluchteling uitzetten of terugleiden naar de grenzen van een grondgebied waar zijn leven of vrijheid bedreigd zou worden op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging.

Het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)

Ingevolge artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Het UNHCR-Handbook

HANDBOOK ON PROCEDURES AND CRITERIA FOR DETERMINING REFUGEE STATUS AND GUIDELINES ON INTERNATIONAL PROTECTION UNDER THE 1951 CONVENTION AND THE 1967 PROTOCOL RELATING TO THE STATUS OF REFUGEES, REISSUED GENEVA, FEBRUARY 2019

“B. DESERTERS AND PERSONS AVOIDING MILITARY SERVICE
167. In countries where military service is compulsory, failure to perform this duty is frequently punishable by law. Moreover, whether military service is compulsory or not, desertion is invariably considered a criminal offence. The Penalties may vary from country to country, and are not normally regarded as persecution. Fear of prosecution and punishment for desertion or draftevasion does not in itself constitute wellfounded fear of persecution under the definition. Desertion or draftevasion does not, on the other hand, exclude a person from being a refugee, and a person may be a refugee in addition to being a deserter or draftevader.

168. A person is clearly not a refugee if his only reason for desertion or draftevasion is his dislike of military service or fear of combat. He may, however, be a refugee if his desertion or evasion of military service is concomitant with other relevant motives for leaving or remaining outside his country, or if he otherwise has reasons, within the meaning of the definition, to fear persecution.

169. A deserter or draftevader may also be considered a refugee if it can be shown that he would suffer disproportionately severe punishment for the military offence on account of his race, religion, nationality, membership of a particular social group or political opinion. The same would apply if it can be shown that he has wellfounded fear of persecution on these grounds above and beyond the punishment for desertion.

170. There are, however, also cases where the necessity to perform military service may be the sole ground for a claim to refugee status, i.e. when a person can show that the performance of military ser vice would have required his participation in military action contrary to his genuine political, religious or moral convictions, or to valid reasons of conscience.

171. Not every conviction, genuine though it may be, will constitute a sufficient reason for claiming refugee status after desertion or draftevasion. It is not enough for a person to be in disagreement 22 In respect of Africa, however, see the definition in Article 1 (2) of the OAU Convention concerning the Specific Aspects of Refugee Problems in Africa, quoted in para. 22 above. 23 See Annex VI, items (6) and (7). 39 with his government regarding the political justification for a particular military action. Where, how ever, the type of military action, with which an individual does not wish to be associated, is condemned by the international community as contrary to basic rules of human conduct, punishment for desertion or draftevasion could, in the light of all other requirements of the definition, in itself be regarded as persecution.

172. Refusal to perform military service may also be based on religious convictions. If an applicant is able to show that his religious convictions are genuine, and that such convictions are not taken into account by the authorities of his country in requiring him to perform military service, he may be able to establish a claim to refugee status. Such a claim would, of course, be supported by any additional indications that the applicant or his family may have encountered difficulties due to their religious convictions.

173. The question as to whether objection to performing military service for reasons of conscience can give rise to a valid claim to refugee status should also be considered in the light of more recent developments in this field. An increasing number of States have introduced legislation or administrative regulations whereby persons who can invoke genuine reasons of conscience are exempted from military service, either entirely or subject to their performing alternative (i.e. civilian) service. The introduction of such legislation or administrative regulations has also been the subject of recommendations by international agencies.24 In the light of these developments, it would be open to Contracting States, to grant refugee status to persons who object to performing military service for genuine reasons of conscience.

174. The genuineness of a p erson’s political, religious or moral convictions, or of his reasons of con science for objecting to performing military service, will of course need to be established by a thorough investigation of his personality and background. The fact that he may have manifested his views prior to being called to arms, or that he may already have encountered difficulties with the authorities because of his convictions, are relevant considerations. Whether he has been drafted into compulsory service or joined the army as a volunteer may also be indicative of the genuineness of his convictions.”

Landsverordening administratieve rechtspraak

Artikel 17

1. De bezwaaradviescommissie nodigt de indiener van het bezwaarschrift en het bestuursorgaan uit voor een hoorzitting; zo nodig worden ook deskundigen en andere belanghebbenden uitgenodigd. Indien de commissie dit wenselijk oordeelt kan het houden van de hoorzitting worden bekendgemaakt in twee of meer in Aruba verschijnende nieuwsbladen. In de uitnodiging of de bekendmaking wordt vermeld waar en wanneer de stukken overeenkomstig artikel 18 ter inzage liggen.

2. De voorzitter kan beslissen dat de hoorzitting met gesloten deuren plaatsvindt.

3. Van de hoorzitting wordt een verslag gemaakt.

4. Een hoorzitting kan achterwege blijven:

a. indien het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, of

b. indien de indiener van het bezwaarschrift en het bestuursorgaan er naar het oordeel van de commissie redelijkerwijs geen belang bij zullen hebben te worden gehoord.

Artikel 20

1. Het bestuursorgaan neemt de beslissing op het bezwaarschrift binnen zes weken na de dagtekening van het advies of, indien het advies niet binnen de daarvoor gestelde termijn is ontvangen, binnen zes weken na het verstrijken van die termijn.

2. Indien de indiener van het bezwaarschrift op of na de laatste dag van de termijn daarom verzoekt, wordt hem terstond een afschrift van de beslissing ter hand gesteld.


Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.