ECLI:NL:RBAMS:2021:834 Rechtbank Amsterdam , 10-02-2021 / C/13/697216 / FA RK 21-840
Wvggz. Wijziging zorgmachtiging. Geen tijdelijke verplichte zorg op de voet van artikel 8:12 Wvggz.
6 min de lecture · 1 121 mots
Inhoudsindicatie. Wvggz. Wijziging zorgmachtiging. Geen tijdelijke verplichte zorg op de voet van artikel 8:12 Wvggz.
beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd
zaaknummer / rekestnummer: C/13/697216 / FA RK 21-840
kenmerk: ZM / 28241
Machtiging wijziging machtiging verplichte zorg Wvggz.
Beschikking van 10 februari 2021 de rechtbank Amsterdam naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het wijzigen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 8:12 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:
[betrokkene]
,
geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
verblijvende te [woonplaats] , Arkin, locatie [locatie] ,
hierna te noemen: betrokkene,
advocaat: mr. P. Jeeninga.
1Procesverloop
Bij verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffier op 8 februari 2021, heeft de officier van justitie verzocht om wijziging van de zorgmachtiging, zoals die op 17 november 2020 ten aanzien van betrokkene is afgegeven.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 10 februari 2021 in de accommodatie van Arkin, locatie [locatie] . De rechtbank heeft de volgende personen gehoord:
— betrokkene;
— bovengenoemde advocaat;
— de heer [naam] , behandelend psychiater.
Omdat de officier van justitie een nadere motivering van het verzoek niet nodig achtte, is hij niet op de mondelinge behandeling verschenen.
2Beoordeling
De advocaat heeft bepleit dat een wijziging van de bestaande zorgmachtiging, in onderhavig geval een verlenging van de geldigheidsduur van enkele verplichte vormen van zorg, niet mogelijk is omdat de wet in artikel 8:12, vierde tot en met zevende lid, Wvggz een wijziging van de zorgmachtiging aan niet in de zorgmachtiging opgenomen tijdelijk verplichte zorg in een noodsituatie koppelt. Een los daarvan staande wijziging van de zorgmachtiging kent de wet niet waardoor de raadsman concludeert dat een wijziging van de zorgmachtiging niet mogelijk is.
In lijn met de conclusie van de procureur-generaal bij het Parket van de Hoge Raad van 11 december 2020 (ECLI:NL:PHR:2020:1179) oordeelt de rechtbank als volgt. Indien toepassing is gegeven aan artikel 8:11 Wvggz (tijdelijke ‘extra’ verplichte zorg) en door de officier van justitie een verzoek als bedoeld in art. 8:12 Wvggz bij de rechtbank is ingediend tot wijziging van de bestaande zorgmachtiging om het voortzetten van één of meer vormen van verplichte zorg langer dan drie dagen mogelijk te maken, moet de rechtbank binnen drie werkdagen op het verzoek beslissen. Dit volgt uit artikel 6:2, onderdeel d, Wvggz.
De rechtbank oordeelt met de raadsman dat in het onderhavige geval geen sprake is van tijdelijke ‘extra’ verplichte zorg in de zin van artikel 8:11 Wvggz, omdat sprake is van een verzoek tot wijziging van een reeds bestaande zorgmachtiging die loopt tot en met 17 mei 2021. Hiervoor geldt geen beslistermijn van drie werkdagen omdat slechts de algemene regel van art. 6:2 lid 1 Wvggz van toepassing is, die inhoudt dat de rechter ‘zo spoedig mogelijk’ uitspraak doet. Naar analogie van artikel 6:2 lid 1 sub a Wvggz ligt een beslistermijn van 3 weken voor de hand.
De rechtbank zal dan ook overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
Ten aanzien van betrokkene is op 17 november 2020 een zorgmachtiging afgegeven. Uit de aanvraag van de zorgverantwoordelijke, die door de geneesheer-directeur is ingediend vergezeld van zijn advies hierover, blijkt dat de in deze zorgmachtiging genoemde vormen van verplichte zorg niet (langer) volstaan.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken blijkt dat tijdens de huidige opname aanvankelijk gedacht werd aan een drugs-geïndiceerde psychose. Later bleek er echter een onderliggend psychotische kwetsbaarheid te bestaan, passend bij een schizofreniespectrumstoornis, waarvoor behandeling met medicatie nodig was. Omdat betrokkene lange tijd medicatie weigerde, heeft de behandeling langer geduurd dan verwacht. Het doel is ambulante behandeling, maar op dit moment is de samenwerking onvoldoende om dit kunnen organiseren. Een langere opname acht de rechtbank dan ook noodzakelijk om het ernstig nadeel af te wenden.
Betrokkene verzet zich tegen de wijziging/aanvulling van de vormen van verplichte zorg zoals verzocht door de officier van justitie. Zij heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard graag naar huis te willen.
Gebleken is dat er geen minder bezwarende alternatieven zijn die hetzelfde beoogde effect hebben. De voorgestelde wijziging verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief en veilig. Uit de stukken en het verhoor ter terechtzitting blijkt dat bij het bepalen van deze zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat met de voorgestelde wijziging is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De rechtbank constateert dat de officier van justitie heeft verzocht om verlenging van het onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedragsbeïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen, terwijl deze vorm van verplichte zorg niet is opgenomen in de beschikking van 17 november 2020. De rechtbank gaat ervan uit dat de officier van justitie het controleren op de aanwezigheid van gedragsbeïnvloedende middelen heeft bedoeld. Het verzoek zal dan ook worden toegewezen in die zin dat:
— de termijn voor het voor beperken van de bewegingsvrijheid wordt verlengd voor de resterende duur van de machtiging;
— de termijn voor het uitoefenen van toezicht wordt verlengd voor de resterende duur van de machtiging;
— de termijn voor het onderzoek aan kleding of lichaam wordt verlengd voor de resterende duur van de machtiging;
— de termijn voor het controleren op de aanwezigheid van gedragsbeïnvloedende middelen wordt verlengd voor de resterende duur van de machtiging;
— de termijn voor het opnemen in de accommodatie wordt verlengd voor de resterende duur van de machtiging;
3Beslissing
De rechtbank:
wijzigt de zorgmachtiging die op 17 november 2020 is verleend ten aanzien van [betrokkene],
geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] , inhoudende dat bij wijze van verplichte zorg de volgende maatregelen kunnen worden getroffen:
— beperken van de bewegingsvrijheid voor de resterende duur van de machtiging;
— uitoefenen van toezicht voor de resterende duur van de machtiging;
— onderzoek aan kleding of lichaam voor de resterende duur van de machtiging;
— controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen voor de resterende duur van de machtiging;
— opnemen in de accommodatie voor de resterende duur van de machtiging;
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 17 mei 2021;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is op 10 februari 2021 mondeling gegeven door mr. I.M. Nusselder, rechter, en in het openbaar uitgesproken, bijgestaan door M. Amarki als griffier en op 19 februari 2021 schriftelijk uitgewerkt en ondertekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...