ECLI:NL:RBAMS:2024:8830 Rechtbank Amsterdam , 24-12-2024 / AMS 23/856
AVG. Ontvankelijk. Gegrond.
16 min de lecture · 3 326 mots
Inhoudsindicatie. AVG. Ontvankelijk. Gegrond.
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/856
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 december 2024 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
en
Deken van de Orde van Advocaten Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. F.C. van der Jagt en mr. M.C. van Velzen).
Procesverloop
Met een besluit van 25 mei 2021 (het primaire besluit) is beslist op een verzoek van eiser op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).
Met een besluit van 28 februari 2022 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft met de uitspraak van 22 november 2022 het beroep van eiser tegen het bestreden besluit I gegrond verklaard. De rechtbank heeft het bestreden besluit I vernietigd en verweerder opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak.
Verweerder heeft bij besluit van 3 januari 2023 (het bestreden besluit II) een nieuwe beslissing op bezwaar genomen en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit II beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2024. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
Wat aan deze procedure voorafging
1. Op 25 april 2021 heeft eiser verweerder op grond van de AVG verzocht om verstrekking van de van hem en zijn stiefdochter verwerkte (persoons)gegevens en informatie over wat is gedeeld met derden.
2. Met het primaire besluit is besloten de verzochte gegevens niet te verstrekken. In het kader van de toezichthoudende taken van verweerder is een beroep gedaan op artikel 41, eerste lid, onder h, van de Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensverwerking (UAVG). Vanaf juni 2018 tot en met de datum van het primaire besluit zijn eisers persoonsgegevens niet verwerkt in klachtzaken die op eiser betrekking hebben. Een overzicht van de over eiser verwerkte persoonsgegevens over de periode tot juni 2018 is al aan eiser verstrekt.
3. Met een e-mailbericht van 14 juni 2021 heeft eiser zijn verzoek nader gespecificeerd. Op 5 juli 2021 heeft eiser bezwaar gemaakt.
4. Op 6 juli 2021 heeft verweerder eiser laten weten dat verzuimd is te melden dat in de periode vanaf juni 2018 in vier zaken die betrekking hebben op eiser en zijn dochter wel persoonsgegevens zijn verwerkt en een overzicht van die gegevens verstrekt. Het betreffen klachtdossiers waarvan de stukken al eerder in het kader van de behandeling van de klachten aan eiser zijn verstrekt.
5. Op 2 september 2021 heeft in het kader van het door eiser gemaakte bezwaar een hoorzitting plaatsgevonden.
6. Met het bestreden besluit I heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser met de lijst met de van eiser en zijn stiefdochter verwerkte persoonsgegevens van 25 april 2021, aangevuld op
6 juli 2021, een overzicht heeft ontvangen van de gegevens die verweerder kan verstrekken, rekening houdend met de beperking van artikel 41, eerste lid, onder h, van de UAVG. Volgens verweerder is hiermee overeenkomstig de AVG op eisers verzoek beslist.
7. Eiser is tegen het bestreden besluit I in beroep gegaan. Het beroep is door rechtbank Amsterdam in een uitspraak van 22 november 2022 gegrond verklaard, vanwege het ontbreken van een schriftelijk verslag van de hoorzitting van 2 september 2021. Dit is in strijd met artikel 7:7 Algemene wet bestuursrecht (Awb) en volgens de rechtbank kan niet gezegd worden dat eiser door de schending van dat artikel niet is benadeeld. De rechtbank heeft hierin aanleiding gezien het bestreden besluit I te vernietigen en het noodzakelijk geacht dat eiser opnieuw wordt gehoord en dat daarvan een schriftelijk verslag wordt gemaakt.
8. Op 22 december 2022 heeft een telefonische hoorzitting plaatsgevonden.
9. Met het bestreden besluit II heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder meent dat het inzagerecht niet absoluut is. Artikel 41, eerste lid, onder h en i, van de UAVG kent beperkingen van dat recht. Verweerder merkt op dat bij het besluit van 25 mei 2021 een lijst is verstrekt met daarop de verwerkte persoonsgegevens van eiser en zijn stiefdochter, aangevuld op 6 juli 2021, rekening houdend met voornoemde beperkingen. Verder stelt verweerder dat de AVG geen recht geeft op verstrekking van een kopie van de (volledige) documenten waarin de persoonsgegevens zijn opgenomen.
Standpunt van eiser
10. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit II. Volgens eiser blijkt uit een uitspraak van het Europese Hof van Justitie van 4 mei 2023 dat hij recht heeft op een kopie van de (volledige) documenten waarin zijn persoonsgegevens en die van zijn stiefdochter zijn opgenomen. Alleen zo kan hij het recht op rectificatie en gegevenswissing inroepen. Daarnaast voert eiser aan dat artikel 41 UAVG in deze situatie niet geldt. Eiser meent bovendien dat veel meer persoonsgegevens van hem en zijn stiefdochter bij de deken liggen, nu de deken een usb-stick heeft ontvangen met persoonsgegevens van hen erop. Ook verzoekt eiser om een schadevergoeding.
Standpunt van verweerder
11. Verweerder meent primair dat het beroep niet-ontvankelijk is, vanwege een termijnoverschrijding van het insturen van de beroepsgronden door eiser. Subsidiair stelt verweerder dat aan eiser een overzicht is verstrekt van de van hem en zijn stiefdochter verwerkte persoonsgegevens, behoudens voor zover het dossiers van derden betreft die zijn opgesteld in het kader van de toezichthoudende taak. In dat overzicht is opgenomen om welke gegevens het gaat, met welk doel de gegevens zijn verwerkt, van wie de gegevens zijn ontvangen, met wie de gegevens zijn gedeeld en hoe lang de gegevens worden bewaard.
Het oordeel van de rechtbank
Ontvankelijkheid beroep
12. De rechtbank volgt het betoog van verweerder dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk is niet en overweegt als volgt. De rechtbank stelt vast dat eiser op
8 februari 2023 beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit II. Eiser zegt daarin: “Er is een hoorzitting geweest maar er is niets maar dan ook niets gedaan met mijn gronden over de AVG en de rest. Ik ben het niet eens met deze beslissing op bezwaar en dien daarom (…) beroep in tegen dit besluit. (…) Ik wil graag een termijn om de gronden aan te vullen (…).” Hieruit leidt de rechtbank af dat eiser meent dat nu wel een hoorzitting is gehouden maar dat nog steeds niets met zijn gronden over de AVG is gedaan en hij het daarom niet eens is met de beslissing op bezwaar. Naar het oordeel van de rechtbank bevat het beroepschrift van eiser van 8 februari 2023 een reden waarom hij het niet eens is met de beslissing op bezwaar. Het betreft een summiere beroepsgrond, maar dat is voldoende voor de ontvankelijkheid van het beroep. Omdat eiser om een termijn heeft verzocht om nadere gronden in te dienen, is hij bij brief van 11 juli 2023 door de rechtbank in de gelegenheid gesteld om uiterlijk binnen vier weken na de datum van verzending van die brief de gronden van het beroep in te dienen, dus uiterlijk op 8 augustus 2024. Eiser heeft op 13 augustus 2023 per e-mail de gronden van het beroep ingediend. Dat is weliswaar iets later dan de gestelde termijn, maar daarmee is geen sprake van strijd met de goede procesorde. Verweerder heeft tot de zitting van
30 september 2024 immers ruimschoots de tijd gehad om op de beroepsgronden van
13 augustus 2023 te reageren. Ook in het buiten de gestelde termijn indienen van de aanvullende beroepsgronden ziet de rechtbank geen aanleiding om die buiten toepassing te laten.
Omvang van het geding
13. De rechtbank stelt vast dat het in deze procedure gaat om persoonsgegevens die zijn verwerkt in klachtdossiers van eiser en in toezichtdossiers die bij verweerder in behandeling waren in het kader van de toezichthoudende taak van verweerder. De beroepsgronden van eiser richten zich niet tegen de klachtdossiers, waarvan al een overzicht van verwerkte persoonsgegevens aan eiser zijn verstrekt, maar op de toezichtdossiers. In deze uitspraak wordt dan ook niet ingegaan op de zogenoemde klachtdossiers.
14. Vooropgesteld wordt dat eiser een verzoek heeft gedaan op grond van artikel 15, eerste lid van de AVG. Hij wil weten welke persoonsgegevens van hem en zijn stiefdochter zijn verwerkt en wil inzage in die persoonsgegevens en informatie als bedoeld in artikel 15, eerste lid van de AVG. In deze procedure ligt dan ook alleen de beslissing op bezwaar naar aanleiding van dit verzoek ter beoordeling voor. Voor zover eiser in beroep verzoekt om rectificatie of gegevenswissing oordeelt de rechtbank dat dat buiten de omvang van het geding valt. Ook de vraag of verweerder de usb-stick die mr. Raat aan de deken heeft gestuurd mocht gebruiken en mocht overgaan tot het instellen van het onderzoek tegen de voormalig advocaat van eiser valt buiten de omvang van het geding.
15. De rechtbank stelt voorop dat de definitie van het begrip ‘persoonsgegevens’ in artikel 4 onder 1 van de AVG zeer ruim is. Het gaat om “alle informatie over een (…) natuurlijke persoon”. Het was de bedoeling van de Uniewetgever om een ruime betekenis te geven aan dit begrip, dat niet beperkt is tot gevoelige of persoonlijke informatie maar zich potentieel uitstrekt tot elke soort informatie, zowel objectieve informatie als subjectieve informatie in de vorm van meningen of beoordelingen, voor zover die informatie de betrokkene betreft. Dat laatste is het geval wanneer die informatie wegens haar inhoud, doel of gevolg gelieerd is aan de betrokkene. De rechtbank gaat in deze uitspraak dan ook uit van dit ruime begrip van persoonsgegevens.
Artikel 41, eerste lid, onder g, h en i, van de UAVG
16. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verweerder inzage in de persoonsgegevens van eiser en zijn stiefdochter uit de toezichtdossiers op grond van artikel 41, eerste lid, onder g, h en i, van de UAVG heeft mogen weigeren.
17. Verweerder stelt dat zij toezicht houdt op de naleving door advocaten van de Advocatenwet en andere regelgeving. Verweerder meent dat het buiten toepassing laten van het inzagerecht noodzakelijk en evenredig is, omdat verweerder anders in strijd zou handelen met de geheimhoudingsplicht. Eerder is door het Hof Arnhem-Leeuwarden in een kwestie aangaande de geheimhoudingsverplichtingen van accountants geoordeeld dat inzage mag worden geweigerd indien de verstrekking van de persoonsgegevens het beginsel van de vertrouwelijkheid in de kern zouden raken, hetgeen in deze procedure evident is. Daarnaast speelt dat ook de rechten en vrijheden van anderen, zijnde de onder toezicht gestelde advocaten en andere personen waarvan informatie is ontvangen of waarmee informatie is uitgewisseld, zouden worden geschonden.
18. De rechtbank overweegt dat de in artikel 41, eerste lid, van de UAVG opgenomen uitzonderingsgronden het voor de verwerkingsverantwoordelijke mogelijk maken om (in dit geval) het inzagerecht buiten toepassing te laten, voor zover dat noodzakelijk en evenredig is ter waarborging van de diverse in dat artikel benoemde belangen. Onder andere zijn daar genoemd het onderzoek naar schendingen van de beroepscodes voor gereglementeerde beroepen (g), een taak op het gebied van het daarop te verrichten toezicht (h) en de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen (i). Die uitzondering is alleen mogelijk in individuele gevallen als dat strikt noodzakelijk is en geschiedt op een proportionele wijze. Een beroep op deze uitzonderingsgrond moet dan ook gemotiveerd worden. Uit die motivering moet volgen waarom het in dat specifieke geval voor de betreffende persoonsgegevens noodzakelijk en evenredig is inzage in (dat deel van) de verwerkte persoonsgegevens te weigeren.
19. De rechtbank ziet niet in waarom het weigeren van inzage in de persoonsgegevens van eiser en zijn stiefdochter uit de toezichtdossiers in dit specifieke geval evenredig en noodzakelijk is. Daarbij is van belang dat het in dit geval gaat om toezichtdossiers die betrekking hebben op slechts één advocaat, namelijk de voormalig advocaat van eiser (en zijn stiefdochter). Bovendien gaat het om persoonsgegevens van eiser en zijn stiefdochter die verwerkt zijn in de eigen communicatie tussen eiser en zijn voormalig advocaat. Zoals verweerder heeft aangegeven weet eiser welke gegevens zijn advocaat over hem heeft verwerkt. Eiser wil verder informatie over de verwerking van de persoonsgegevens op grond van artikel 15, eerste lid van de AVG. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom onder deze specifieke omstandigheden het weigeren van inzage in de persoonsgegevens en informatie over de verwerking van de persoonsgegevens noodzakelijk en evenredig is ter waarborging van de hiervoor onder g en h genoemde belangen (onderzoek en toezicht). Daarbij heeft verweerder de uitzonderingen in artikel 41, eerste lid onder g en h van de UAVG toegepast op de klachtdossiers zonder de in de klachtdossiers verwerkte persoonsgegevens van eiser en zijn stiefdochter inhoudelijk te beoordelen. Dat is onvoldoende. Per persoonsgegeven moet beoordeeld worden of het weigeren van inzage noodzakelijk en proportioneel is in dit specifieke geval.
20. Ten aanzien van het beroep van verweerder op artikel 41, eerste lid, onder i, van de UAVG, oordeelt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het weigeren van inzage in de persoonsgegevens van eiser en zijn stiefdochter noodzakelijk is voor de waarborging van de (rechten en vrijheden van de) onder toezicht gestelde advocaat (zijn voormalige advocaat) en de advocaat die door verweerder is aangewezen als toezichthouder. Beide advocaten zijn immers bij eiser bekend. Bovendien zijn volgens verweerder de persoonsgegevens alleen gedeeld met de toezichthouder en de onder toezicht gestelde advocaat en gaat het om persoonsgegevens die eiser met zijn advocaat heeft gedeeld.
21. De rechtbank concludeert op grond van bovenstaande dat verweerder ten onrechte inzage heeft geweigerd in de persoonsgegevens van eiser en zijn stiefdochter. Verweerder zal eiser dan ook alsnog inzage moeten geven in zijn persoonsgegevens en in die van zijn stiefdochter en informatie moeten verstrekken over de verwerking van de persoonsgegevens zoals opgesomd in artikel 15, eerste lid van de AVG óf per persoonsgegeven nader moeten motiveren waarom het strikt noodzakelijk en evenredig is om het inzagerecht te weigeren ter waarborging van de hiervoor onder g, h en i genoemde belangen. De rechtbank benadrukt dat het gaat om inzage in de persoonsgegevens van eiser en zijn stiefdochter en niet om inzage in het volledige toezichtdossier.
22. Ten aanzien van de uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 19 maart 2024 die door verweerder wordt aangehaald, overweegt de rechtbank dat het in deze procedure gaat om een andere situatie. Zo ging het in de uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden onder andere om de communicatie tussen KPMG met hun eigen advocaten. In deze procedure gaat het om de communicatie tussen eiser en zijn voormalig advocaat, waarbij eiser een verzoek doet tot inzage in zijn eigen persoonsgegevens en die van zijn stiefdochter . Bovendien oordeelt het Hof Arnhem-Leeuwarden in deze uitspraak ook dat het aan verweerder is om per document een concrete belangenafweging te maken en dit te motiveren.
23. Voor zover verweerder heeft willen stellen dat eiser geen belang heeft bij de gevraagde persoonsgegevens omdat hij al een AVG-verzoek heeft gedaan bij zijn voormalig advocaat en in dat kader veel documenten heeft ontvangen, volgt de rechtbank verweerder niet. De omstandigheid dat eiser al over documenten beschikt ontslaat verweerder niet van de eigen verplichtingen op grond van de AVG. Het feit dat eiser mogelijk al over de nodige documenten en informatie beschikt kan voor partijen wel een reden zijn om met elkaar in overleg te treden om te kijken of men overeenstemming kan bereiken over de omvang van de te beoordelen documenten.
Kopie persoonsgegevens
24. Eiser is van mening dat hij recht heeft op een kopie van zijn persoonsgegevens en dat verweerder hem de dossiers moet verstrekken waarin de gevraagde persoonsgegevens voorkomen.
25. Vooropgesteld wordt dat het doel van het inzagerecht als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de AVG is het kennis kunnen nemen van de persoonsgegevens door de betrokkene die over hem worden verwerkt en om deze persoonsgegevens te kunnen controleren op de juistheid en de rechtmatige verwerking ervan. Het is vaste rechtspraak dat de verplichting een ‘kopie van de persoonsgegevens’ te verstrekken op grond van artikel 15, derde lid, van de AVG niet betekent dat een bestuursorgaan verplicht is een kopie te verstrekken van de documenten waarin die persoonsgegevens voorkomen. Een bestuursorgaan mag ook voor een andere vorm kiezen, mits met de gekozen wijze van verstrekking maar aan het doel van artikel 15, derde lid, van de AVG wordt voldaan. Alleen indien de betrokkene uit die kopie van de persoonsgegevens geen goed beeld kan krijgen van de context van de gegevensverwerking, kan het nodig zijn om volledige documenten te verstrekken.
26. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser geen recht heeft op een kopie van (volledige) documenten waarin de gevraagde persoonsgegevens zijn opgenomen. Voor eiser is in dit geval de context waarin de persoonsgegevens zijn verwerkt duidelijk: zijn gegevens zijn verwerkt in toezichtdossiers die betrekking hebben op zijn voormalig advocaat. Daarbij geldt dat eiser weet welke gegevens zijn voormalig advocaat van hem en zijn stiefdochter heeft verwerkt. Bovendien heeft eiser reeds een AVG-verzoek gedaan bij zijn voormalig advocaat en in dat kader stukken ontvangen. Verweerder kan in deze zaak volstaan met het opnemen van een weergave van de persoonsgegevens in een overzicht of met het op zijn kantoor bieden van inzage in die delen van documenten waarin de persoonsgegevens van eiser en zijn stiefdochter zichtbaar zijn zo nodig onder weglakking van onderdelen die niet zijn persoonsgegevens of die van zijn stiefdochter betreffen.
Verzoek schadevergoeding
27. Eiser heeft in de procedure verzocht om € 50.000,- aan schadevergoeding. De rechtbank overweegt dat de bestuursrechter op grond van artikel 8:89, tweede lid, van de Awb exclusief bevoegd is om kennis te nemen van schadeverzoeken tot € 25.000,-. De burgerlijke rechter is bevoegd om kennis te nemen van schadeverzoeken die de € 25.000,- overstijgen. Omdat de door eiser gevraagde schadevergoeding hoger is dan € 25.000,- is de rechtbank niet bevoegd van het verzoek kennis te nemen. Eiser kan zich met zijn verzoek tot de burgerlijke rechter wenden.
Conclusie
28. Gezien hetgeen is overwogen in punt 16 tot en met 23 is het beroep gegrond, omdat het bestreden besluit II in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit II. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
29. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
— verklaart het beroep gegrond;
— vernietigt het bestreden besluit II;
— draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
— wijst het verzoek om schadevergoeding af;
— draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.W. Jansen , rechter, in aanwezigheid van
mr. H.M. Dost, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 december 2024.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
- zaaknummer AMS 22/2082.
- ECLI:EU:C:2023:369.
- Op grond van art. 45a lid 2 jo. art. 11a van de Advocatenwet.
- ECLI:NL:GHARL:2024:1924.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...