Pays-Bas Rechtbank Amsterdam Famille 12 ноября 2025 N° 766223/ HA ZA 25-854 NL

ECLI:NL:RBAMS:2025:10343 Rechtbank Amsterdam , 12-11-2025 / 766223/ HA ZA 25-854

Ontvlechting familiebedrijf. Gezag van gewijsde. Uitleg overeenkomst.

Source officielle

Calcul en cours 0

Inhoudsindicatie. Ontvlechting familiebedrijf. Gezag van gewijsde. Uitleg overeenkomst.

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

Zaaknummer: C/13/766223 / HA ZA 25-854

Vonnis van 12 november 2025

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,

[eiser] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

eiseres (hierna: [eiser] ),

advocaat: mr. S.V. Hardonk,

tegen

de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid,

1. [gedaagde 1] B.V.,
2. [gedaagde 2] B.V.,

beide gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

gedaagden (hierna: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ),

advocaat: mr. R.S. van der Spek.

1De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

— de dagvaarding tevens voorwaardelijke incidentele vordering, van 17 februari 2025 met producties 1 tot en met 14,
— de conclusie van antwoord in de hoofdzaak, tevens in het voorwaardelijk incident, met producties 1 tot en met 22,

— het tussenvonnis van 4 juni 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald,

— het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 29 augustus 2025 en de daarin genoemde stukken,

— de aktes van [eiser] en [gedaagde 2] van 8 oktober 2025.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2De feiten

[eiser] is de persoonlijke holding van [naam 1] . [gedaagde 1] was de persoonlijke holding van [naam 2] . Na afsplitsing van [gedaagde 1] is [gedaagde 2] de persoonlijke holding van [naam 2] . [naam 1] en [naam 2] zijn broers.

[naam 1] en [naam 2] hadden een familiebedrijf met de volgende structuur. Zij beschikten via [eiser] en [gedaagde 1] ieder voor 50% over de aandelen in [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ). [bedrijf 1] hield de aandelen van diverse dochtervennootschappen (gezamenlijk: de [bedrijf 1] Groep). Los daarvan beschikten [eiser] en [gedaagde 1] ook ieder voor 50% over de aandelen in [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] ).

Naast [naam 1] en [naam 2] zaten in het one-tier-board van [bedrijf 1] de heren [naam 3] en [naam 4] (hierna: [naam 3] en [naam 4] ). [naam 4] was CFO / family officer en [naam 3] was bestuursvoorzitter.

Vanwege een verschil van inzicht in 2015 wilden de broers uit elkaar. Daarvoor zijn onderhandelingen opgestart over een verdeling van vennootschappen, de verkoop van activa en de verdeling van de opbrengst daarvan.

Beide broers schakelden advocaten in voor de onderhandelingen. Tussen de advocaten werden per e-mail verschillende conceptversies van de ontvlechtingsafspraken gewisseld. Uiteindelijk is overeenstemming bereikt over een definitieve tekst van de afspraken in een raamovereenkomst van 3 januari 2018.

Vanwege een grotere liquiditeitsbehoefte van [naam 1] is meer vrijgekomen geld naar zijn vennootschappen gegaan. Dit geld diende aan [gedaagde 1] te worden terugbetaald op basis van drie rentedragende geldleningen van eveneens 3 januari 2018.

Een van de geldleningen was de ‘Geldlening [bedrijf 2] ’ op basis waarvan [eiser] € 475.000 aan [gedaagde 1] was verschuldigd. Dit diende in 24 kwartaaltermijnen van € 19.791,67 te worden afgelost. De laatste termijn viel daarmee op 2 januari 2024.

In de raamovereenkomst staat onder meer het volgende:

‘8. KOOP EN VERKOOP [bedrijf 2] DUITSLANDBEDRIJVEN

(…)

Nadat een dergelijke verkoop als bedoeld in Artikel 8.1 [een verkoop van activa van [bedrijf 2] , rechtbank] binnen voormelde periode van zes maanden heeft plaatsgevonden, zullen Partijen voor zover zulks mogelijk is tot liquidatie van [bedrijf 2] overgaan. Indien en voor zover [bedrijf 1] danwel [gedaagde 1] als gevolg hiervan een fiscaal voordeel realiseert, zal dit gerealiseerde voordeel – indien dit [gedaagde 1] betreft voor 100% en indien dit [bedrijf 1] betreft voor 50% – in mindering komen op hetgeen verschuldigd is uit hoofde van de Geldlening [bedrijf 2] doordat [gedaagde 1] alsdan het betreffende bedrag of bedragen zal kwijtschelden onder Geldlening [bedrijf 2] . Deze kwijtschelding betreft de laatste nog openstaande aflostermijn(en) van de Geldlening [bedrijf 2] .’

[gedaagde 2] werd door afsplitsing op 24 december 2019 rechtsopvolger onder algemene titel van de meeste vermogensbestanddelen van [gedaagde 1] , waaronder de vorderingen op grond van de Geldlening [bedrijf 2] .

Vervolgens zijn geschillen ontstaan over de ontvlechtingsafspraken. Op 16 december 2020 heeft deze rechtbank uitspraak gedaan in een geschil tussen [gedaagde 1] en [eiser] over de terugbetaling van een andere lening. De rechtbank oordeelde dat [eiser] ten onrechte een deel van haar aflossingsverplichting had verrekend met gestelde tegenvorderingen. Daardoor was [eiser] in verzuim gekomen en was de hoofdsom van de geldlening ineens opeisbaar geworden.

In juli 2022 heeft [bedrijf 1] een schuld van [bedrijf 2] van ruim € 2 miljoen kwijtgescholden, waarna [bedrijf 2] is geliquideerd en ontbonden.

In een tweede procedure heeft [gedaagde 2] betaling van het restant van de Geldlening [bedrijf 2] gevorderd, op dat moment nog ruim € 2 ton. [eiser] heeft in die procedure aangevoerd dat zij dat bedrag heeft verrekend met het fiscaal voordeel uit de liquidatie van [bedrijf 2] . De rechtbank heeft dit verweer in haar vonnis van 12 oktober 2022 verworpen omdat [eiser] al vóór juli 2022, en dus vóórdat eventueel fiscaal voordeel kon zijn ontstaan, een beroep op verrekening had gedaan. De rechtbank heeft geoordeeld dat [eiser] door het onterechte beroep op verrekening is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de Geldlening [bedrijf 2] . Daardoor is deze lening ineens opeisbaar geworden (overwegingen 4.3 en 4.5).

[eiser] had in die procedure ook een eis in reconventie ingesteld, onder andere betaling van bijna € 60.000 (reeds betaalde aflossingen) op grond van onverschuldigde betaling dan wel ongerechtvaardigde verrijking (vordering A) en een verklaring voor recht dat het fiscaal voordeel een bedrag van € 276.189 bedroeg en in mindering zou strekken op haar betalingsverplichtingen uit de Geldlening [bedrijf 2] , althans dat [gedaagde 2] met dit bedrag ongerechtvaardigd werd verrijkt en [eiser] zou worden toegestaan om dit bedrag met de Geldlening [bedrijf 2] te verrekenen, althans dat [gedaagde 2] zou worden verplicht dit bedrag onder de Geldlening [bedrijf 2] kwijt te schelden en [gedaagde 2] zou worden veroordeeld tot betaling aan [eiser] van het meerdere (vordering B).

De rechtbank heeft vordering A afgewezen met de volgende motivering (overweging 4.15): “Niet is gebleken dat [eiser] te veel heeft betaald nu haar geen beroep op verrekening op grond van artikel 8.3 van de raamovereenkomst toekomt. [eiser] was immers gehouden om de betalingen te verrichten (…). [eiser] heeft (…) naar voren gebracht dat op basis van de raamovereenkomst ook na aflossing van de termijnen nog kan worden verrekend. Anders dan [eiser] stelt, is in de raamovereenkomst niet opgenomen dat verrekening kan plaatsvinden, maar staat weergegeven dat het betreffende bedrag of bedragen zal worden kwijtgescholden onder de Geldlening [bedrijf 2] en dat deze kwijtschelding de laatste nog openstaande aflostermijn(en) van de Geldlening [bedrijf 2] betreft. Er is in de raamovereenkomst niets opgenomen over de situatie dat het fiscaal voordeel later wordt gerealiseerd dan het moment waarop de resterende aflostermijnen onder de Geldlening [bedrijf 2] zijn verstreken. Dit is door [eiser] in conventie ook onderschreven. Zij stelt immers dat uit de bewoording van artikel 8.3 van de raamovereenkomst blijkt dat partijen alleen gesproken hebben over kwijtschelding van bedragen onder de Geldlening [bedrijf 2] en dat de opeising tot gevolg heeft dat [gedaagde 2] na liquidatie van [bedrijf 2] het fiscaal voordeel geniet zonder dat dit tot kwijtschelding van de verplichtingen onder de Geldlening [bedrijf 2] zal leiden waardoor [gedaagde 2] volgens haar in een voordeligere positie wordt gebracht. Nu er geen sprake meer is van openstaande aflostermijnen heeft [eiser] geen verrekeningsbevoegdheid meer.”

Vordering B heeft de rechtbank afgewezen met de volgende motivering (overweging 4.16) : “Voor de gevorderde verklaringen voor recht geldt het volgende. Nu de Geldlening [bedrijf 2] volledig is opgeëist, heeft [eiser] geen rechtens te respecteren belang meer bij toewijzing van haar vorderingen die verband houden met de Geldlening [bedrijf 2] en de verrekeningsbevoegdheid onder artikel 8.3 van de raamovereenkomst. Dit betekent dat de vorderingen reeds hierom dienen te worden afgewezen.”

Tegen het vonnis van 12 oktober 2022 zijn geen rechtsmiddelen ingesteld. [eiser] is de veroordelingen nagekomen door haar terugbetalingsverplichting uit de Geldlening [bedrijf 2] volledig te voldoen zonder dat daarop een bedrag is kwijtgescholden ter hoogte van enig fiscaal voordeel.

3Het geschil in de hoofdzaak en het voorwaardelijk incident

[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

als voorwaardelijke incidentele vordering

I. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, dan wel ieder afzonderlijk, veroordeelt binnen twee weken na vandaag afschrift te verstrekken van de hierna genoemde bescheiden over 2021 tot heden:

a. aangiftes vennootschapsbelasting;

b. voorlopige en definitieve aanslagen vennootschapsbelasting;

c. (voorlopige en definitieve) verliesbeschikkingen;

d. (voorlopige en definitieve) verliesverrekeningsbeschikkingen vennootschapsbelasting;

dan wel inzage hierin te verstrekken, op straffe van een dwangsom, en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt in de kosten van het incident,

in de hoofdzaak

II. primair:

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van het fiscaal voordeel van € 276.189, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf 21 juli 2022 en buitengerechtelijke incassokosten van € 6.775,

III. subsidiair:

a. voor recht verklaart verklaart dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, dan wel ieder afzonderlijk, aansprakelijk zijn voor de afdracht van het fiscaal voordeel aan [eiser] ,

b. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, dan wel ieder afzonderlijk, veroordeelt dit fiscaal voordeel binnen een maand na besparing van belastingafdracht aan [eiser] te voldoen,

c. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, dan wel ieder afzonderlijk, veroordeelt tot het voorwaardelijk incidenteel geëiste onder (I),

d. voor zover de onder (c) bedoelde bescheiden ten tijde van dit vonnis niet beschikbaar zijn, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, dan wel ieder afzonderlijk, veroordeelt tot afschrift binnen twee weken na vandaag van de onder (I) geëiste bescheiden, maar dan over de periode 2021 tot het moment dat het fiscaal voordeel volledig is gerealiseerd,

IV. meer subsidiair:
voor recht verklaart dat [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] :

a. toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verbintenissen op grond van de raamovereenkomst en/of de Geldlening [bedrijf 2] ;

b. een onrechtmatige daad heeft gepleegd;

c. ongerechtvaardigd is verrijkt;

en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die dientengevolge is geleden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

V. zowel primair, subsidiair als meer subsidiair:
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, inclusief nakosten.

Kort gezegd legt [eiser] het volgende aan haar vorderingen ten grondslag. Partijen zijn overeengekomen dat het fiscaal voordeel uit de liquidatie van [bedrijf 2] aan [eiser] ten goede komt. Uitleg of aanvulling van artikel 8.3 raamovereenkomst brengt daarom met zich mee dat [gedaagde 2] verplicht is het door haar genoten fiscaal voordeel uit de liquidatie van [bedrijf 2] af te dragen aan [eiser] . Daarnaast rust op [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een zorgvuldigheidsnorm op basis waarvan zij hun gedrag mede dienden te laten bepalen door de gerechtvaardigde belangen van hun wederpartij [eiser] om – in dit geval – de vereiste inspanning te leveren voor een zo hoog mogelijke earn out voor [eiser] in de vorm van de kwijtschelding. Hierin zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 2] toerekenbaar tekortgeschoten. Bovendien zijn zij ongerechtvaardigd verrijkt met het fiscaal voordeel. [gedaagde 1] is ook toerekenbaar tekortgeschoten in de afspraak om zonder uitdrukkelijke toestemming van [eiser] geen rechten en verplichtingen uit de raamovereenkomst over te dragen aan derden, in dit geval [gedaagde 2] . Ook is al dit handelen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betamelijk is en levert dit een onrechtmatige daad op. [eiser] houdt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daarom aansprakelijk voor haar schade die wordt begroot op het fiscaal voordeel. Het fiscaal voordeel bestaat volgens [eiser] uit de potentiële vermindering van de belastbare winst door toename van de verliesverrekeningsmogelijkheid, oftewel het maximale voordeel dat partijen nu of in de toekomst (potentieel) kunnen genieten. De voorwaardelijk incidentele vordering is ingesteld voor het geval de rechtbank, net als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , zou oordelen dat het fiscaal voordeel moet worden uitgelegd als daadwerkelijke besparing aan af te dragen Vpb wegens liquidatieverlies.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer en beroepen zich op het gezag van gewijsde dat uitgaat van het vonnis van 12 oktober 2022 van deze rechtbank. Verder betwisten [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat partijen zijn overeengekomen dat het fiscaal voordeel hoe dan ook aan [eiser] ten goede komt. Partijen zijn slechts overeengekomen dat, indien [gedaagde 1] als gevolg van de liquidatie van [bedrijf 2] een fiscaal voordeel zou realiseren, dit gerealiseerde voordeel dan wordt kwijtgescholden op de laatste nog openstaande aflostermijn(en) van de geldlening [bedrijf 2] . Zo staat het ook in artikel 8.3 raamovereenkomst. Wanneer de [bedrijf 2] -lening zou zijn afgelost, zouden partijen op dat punt geheel uit elkaar zijn, en zouden er dus geen verdere verplichtingen meer bestaan. De afspraken zijn zorgvuldig tot stand gekomen met in artikel 18 raamovereenkomst een entire agreement-clausule. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] concluderen tot afwijzing van alle vorderingen met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

4De beoordeling

Beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, hebben in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht. Dat staat in artikel 236 lid 1 Rv en wordt het gezag van gewijsde genoemd. Dit betekent dat de rechtbank in de verhouding tussen [eiser] en [gedaagde 2] de beslissing en dragende overwegingen uit het vonnis van 12 oktober 2022 tot uitgangspunt moet nemen. Daar is immers geen hoger beroep tegen ingesteld.

In het vonnis van 12 oktober 2022 heeft de rechtbank al geoordeeld dat [gedaagde 2] met het bedrag van € 276.189 niet ongerechtvaardigd is verrijkt en dat [gedaagde 2] niet verplicht is dit bedrag aan [eiser] te betalen. Dat blijkt uit de afwijzing van de vordering onder B en de overwegingen in 4.15 en 4.16 van dat vonnis. [eiser] kan dus niet opnieuw aan de orde stellen dat [gedaagde 2] met dit bedrag ongerechtvaardigd is verrijkt.

[eiser] grondt haar vordering in deze procedure (ook) op nakoming van de gestelde afspraken. De rechtbank is in het vonnis van 12 oktober 2022 niet specifiek toegekomen aan uitleg van artikel 8.3 raamovereenkomst. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de vordering gegrond op nakoming van een afspraak tot afdracht van fiscaal voordeel ook afstuit op het gezag van gewijsde.

De rechtbank laat het antwoord op deze vraag in het midden om de volgende redenen. Ten eerste leidt het alsnog inhoudelijk beoordelen van deze vordering tot dezelfde uitkomst, namelijk een afwijzing van de vordering. Er bestaat dus geen gevaar voor onverenigbare beslissingen. Ten tweede komt een inhoudelijke beoordeling tegemoet aan het partijdebat in deze zaak en aan de wederzijdse wens van partijen om uitsluitsel te krijgen over hun geschil zodat zij er definitief een streep onder kunnen zetten. Hierna wordt de bedoelde bepaling dus uitgelegd en toegepast.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben de uitleg die [eiser] aan artikel 8.3 raamovereenkomst geeft, betwist. Beslissend is de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepaling mochten toekennen en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de Haviltex-maatstaf). Ook bij commerciële contracten gesloten tussen professionele partijen is de Haviltex-maatstaf leidend, maar kan een groter gewicht worden toegekend aan de taalkundige betekenis van gekozen bewoordingen. Dat geldt vooral als de bepaling zorgvuldig tot stand is gekomen onder juridisch deskundige bijstand, zoals in dit geval. Er is dan immers niet voor niets een bepaalde formulering gehanteerd, zoals hier ook tot uitdrukking is gebracht met de entire agreement-clausule. De rechtbank hecht bij de uitleg van artikel 8.3 dan ook veel waarde aan de in de overeenkomst gebruikte bewoordingen.

Voor de rechtbank is allereerst van belang dat in artikel 8.3 de term ‘kwijtschelding’ is gebruikt, niet ‘verrekening’. Verrekening is slechts mogelijk als er een andere verbintenis tegenover staat, maar de term ‘kwijtschelding’ impliceert juist dat dat niet zo was. Bovendien heeft [gedaagde 2] erop gewezen dat in een eerder concept kwijtschelding óók kon plaatsvinden op een van de andere leningen, met een latere uiterste aflossingsdatum en een hogere maandelijkse aflossingsverplichting, maar dat in de uiteindelijke overeenkomst de kwijtschelding is beperkt tot de Geldlening [bedrijf 2] . Dat is voor de rechtbank een belangrijke aanwijzing dat niet een ruimere strekking is overeengekomen dan in de tekst van artikel 8.3 staat.

De bronnen voor uitleg die [eiser] heeft aangedragen geven onvoldoende aanknopingspunten om af te wijken van de gekozen bewoordingen. [eiser] heeft gewezen op artikel 8.4 raamovereenkomst, waarin is beschreven in welke situatie [eiser] alsnog alle aandelen in [bedrijf 2] verkrijgt, tegen betaling van € 475.000. Volgens [eiser] volgt hieruit dat [gedaagde 1] nooit méér dan dit bedrag zou ontvangen, en dat het fiscaal voordeel dus aan [eiser] zou toekomen. Partijen zijn het er echter over eens dat in de situatie van verkoop van de aandelen [bedrijf 2] géén van partijen nog een fiscaal voordeel zou genieten. Daarom valt niet in te zien hoe dit bevestigt dat het altijd de bedoeling was dat [eiser] het fiscaal voordeel zou genieten.

[eiser] heeft ook nog gewezen op de notulen van een board-meeting van [bedrijf 1] op 2 maart 2018, waarbij [naam 1] en [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] aanwezig waren. In die notulen staat dat de board akkoord is gegaan met “de verwerkingswijze zoals is voorgesteld voor [bedrijf 2] B.V.” Deze verwerkingswijze blijkt uit een notitie van [naam 4] aan [bedrijf 1] , die is als bijlage is opgenomen bij de agenda van die board-meeting. In die notitie staat onder meer: ‘De fiscale voordelen vanuit de vennootschapsbelasting zullen toekomen aan [eiser] B.V.’ In dit verband heeft [eiser] ook gewezen op schriftelijke verklaringen van [naam 3] en [naam 4] , die beiden hebben verklaard dat onderdeel van de afspraken omtrent de beëindiging van de samenwerking door de broers was dat in alle gevallen het fiscaal voordeel zou toekomen aan [eiser] . Deze documenten van 2 maart 2018 en verklaringen van [naam 3] en [naam 4] beschrijven echter niet waaruit kan worden opgemaakt dat (ook) [naam 2] ten tijde van het aangaan van de raamovereenkomst op 3 januari 2018 de gestelde bedoeling had. Er is geen enkele concrete verklaring of gedraging van [naam 2] of zijn advocaat gebleken, waaruit kan worden afgeleid dat de tekst van artikel 8.3 incorrect of onvolledig is en dat (ook) hij heeft bedoeld dat het fiscaal voordeel in alle gevallen zou toekomen aan [eiser] . Van een ten onrechte niet geregelde situatie die om aanvulling vraagt, is ook niet gebleken. Dat een fiscaal voordeel zich mogelijk pas na de laatste termijn van de Geldlening [bedrijf 2] zou voordoen, was een vooraf voorziene omstandigheid. De rechtbank is dan ook van oordeel dat partijen niet zijn overeengekomen dat het fiscaal voordeel in alle gevallen aan [eiser] ten goede komt. Voor zover de vordering op [gedaagde 2] (als rechtsopvolger van [gedaagde 1] ) is gegrond op nakoming van de raamovereenkomst, wordt deze dus afgewezen.

Met als vertrekpunt dat dit is hoe de gemaakte afspraken zijn, valt niet in te zien hoe de uitvoering van die afspraken als onrechtmatig kan worden bestempeld. Op zitting is namens [eiser] bevestigd dat voor de overige grondslagen dezelfde feiten en omstandigheden worden gesteld als voor de gevorderde nakoming. Het handelen conform deze afspraken maakt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dus niet schadeplichtig. Ook is niet gebleken dat [gedaagde 1] of [gedaagde 2] is tekortgeschoten in een zorgvuldigheidsplicht om een zo hoog mogelijk fiscaal voordeel te realiseren. Hiervoor heeft de rechtbank immers al geoordeeld dat dat fiscaal voordeel niet aan [eiser] toekomt. Er gold dus geen zorgvuldigheidsplicht jegens [eiser] .

[gedaagde 1] is ook niet aansprakelijk voor schade als gevolg van het schenden van een afspraak om zonder uitdrukkelijke toestemming van [eiser] geen rechten en verplichtingen over te dragen. Voor zover de opvolging van rechten en verplichtingen op [gedaagde 2] hieronder zou vallen, die immers niet onder bijzondere maar onder algemene titel geschiedde en dezelfde achterliggende wederpartij meebracht, is niet gebleken dat [eiser] hierdoor schade heeft geleden. [eiser] begroot haar schade immers op het fiscaal voordeel. Causaal verband tussen de overgang van de vordering en het niet ontvangen van fiscaal voordeel is er niet. Dat [eiser] geen fiscaal voordeel ontvangt is immers niet het gevolg van de overgang van de vordering, maar van de gemaakte afspraken.

[eiser] heeft geen belang meer bij haar subsidiaire vordering onder b en c (overlegging van stukken om het fiscaal voordeel te berekenen). Partijen hebben in hun akte van 8 oktober 2025 immers laten weten dat zij het er inmiddels over eens zijn dat het fiscaal voordeel € 204.000 bedraagt. Bovendien worden de vorderingen tot betaling van het fiscaal voordeel afgewezen.

Om dezelfde redenen komt de rechtbank niet toe aan de voorwaardelijke incidentele vordering over de wijze waarop het fiscaal voordeel zou moeten worden berekend. Het voorwaardelijk incident hoeft dus niet te worden behandeld.

Het voorgaande betekent dat geen van de vorderingen van [eiser] toewijsbaar is. [eiser] wordt daarom in het ongelijk gesteld en veroordeeld in de proceskosten, in de hoofdzaak aan de zijde van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot op heden begroot op:

— griffierecht

6.861,00

— salaris advocaat

5.428,00

(2 punten × € 2.714,00)

— nakosten

178,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

12.467,00

5De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen van [eiser] af,

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 12.467,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

stelt vast dat het voorwaardelijk incident geen behandeling behoeft,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Schaberg, in tegenwoordigheid van de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2025.

Voetnoten

  1. ECLI:NL:RBAMS:2020:7627.
  2. ECLI:NL:RBAMS:2022:8859.
  3. Hoge Raad 5 april 2013 (Lundiform/Mexx).

Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier pénal. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.