ECLI:NL:RBAMS:2025:10674 Rechtbank Amsterdam , 16-12-2025 / C/13/775520 / FA RK 25-6931
Beëindiging gezamenlijk gezag en vaststelling omgangsregeling. Minderjarige met speciale zorgbehoeften.
Calcul en cours · 0
Inhoudsindicatie. Beëindiging gezamenlijk gezag en vaststelling omgangsregeling. Minderjarige met speciale zorgbehoeften.
beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/13/775520 / FA RK 25-6931 (MN/AH)
Beschikking van 16 december 2025 betreffende beëindiging gezamenlijk gezag en vaststelling omgangsregeling
in de zaak van:
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. S.L. Prass te Amsterdam,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
verwerende partij,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. M. Amrani te Amsterdam.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Amsterdam,
locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de Raad.
1De procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
— het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingediend op 12 september 2025;
— het F9-formulier met bijlage van de vrouw, ingediend op 18 september 2025;
— het F9-formulier met bijlagen van de vrouw, ingediend op 25 september 2025;
— het F9-formulier met bijlagen van de vrouw, ingediend op 2 oktober 2025;
— het verweerschrift met bijlagen van de man, ingediend op 30 oktober 2025;
— het F9-formulier met bijlagen van de vrouw, ingediend op 10 november 2025;
— het F9-formulier met bijlagen van de vrouw, ingediend op 11 november 2025;
— het F9-formulier met bijlagen van de vrouw, ingediend op 13 november 2025;
— het F9-formulier met bijlagen van de man, ingediend op 14 november 2025.
De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 november 2025.
Verschenen zijn:
partijen, bijgestaan door hun advocaten;
mevrouw [naam 1] namens de Raad.
[minderjarige 1] is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld om zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft daar geen gebruik van gemaakt.
2De feiten
Partijen zijn gehuwd geweest. Uit dit huwelijk is het thans nog minderjarige kind geboren:
— [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats] (hierna te noemen [minderjarige 1] ).
Partijen zijn ook ouders van:
— [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2007 te [geboorteplaats] .
[minderjarige 1] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw.
Jeugdbescherming Regio Amsterdam is in het vrijwillig kader betrokken.
3Het verzoek
De vrouw verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] wordt beëindigd en dat de vrouw met het eenhoofdig gezag over hem wordt belast.
De man voert verweer en verzoekt, bij zelfstandig verzoek, de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. een omgangsregeling vast te stellen waarbij [minderjarige 1] eens per veertien dagen een weekend
bij de man verblijft, te weten in de even weken van vrijdag na schooltijd (omstreeks 17:30
uur, na de naschoolse opvang) tot maandag 08:00 uur, alsmede een vakantieregeling vast te stellen inhoudende dat [minderjarige 1] twee weken in de zomervakantie en één week in de
kerstvakantie bij de man zal verblijven;
II. aan de vrouw een informatieplicht op te leggen, inhoudende dat zij de man eens per twee
weken, schriftelijk en uit eigen beweging, informeert over de ontwikkeling en het welzijn van [minderjarige 1] , waaronder medische aangelegenheden, schoolprestaties, sociaal-emotionele en (groei)ontwikkeling, alsmede overige gewichtige aangelegenheden.
Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan.
4De beoordeling
Gezag
De vrouw stelt dat zij de volledige zorg en verantwoordelijkheid voor [minderjarige 1] draagt. De man communiceert niet met de vrouw en geeft enkel toestemming voor belangrijke beslissingen door de tussenkomst van instanties. Voor het welzijn van [minderjarige 1] is het essentieel dat er duidelijkheid, stabiliteit en een vaste routine is, waarin ook de betrokken hulpverlening een belangrijke rol speelt. Om [minderjarige 1] de benodigde bescherming en ondersteuning te bieden, moet de vrouw in staat zijn tijdig en zelfstandig beslissingen te nemen. Op dit moment lukt dat door de houding van de man niet.
Vanwege de specifieke zorgbehoeften van [minderjarige 1] zullen ook in de komende jaren veel belangrijke beslissingen genomen moeten worden over zijn verzorging en opvoeding. De extra zorg die [minderjarige 1] nodig heeft, maakt dat deze beslissingen regelmatig en vaak op korte termijn genomen moeten worden. De man lijkt niet in te zien dat het noodzakelijk is om snel toestemming te geven en beslissingen te nemen. Het is in het belang van [minderjarige 1] dat de vrouw deze keuzes zelfstandig kan maken, zonder te worden belemmerd door tegenwerking of afwezigheid van de man. De vrouw is door de betrokken hulpverlening geadviseerd om onderhavig verzoek in te dienen. Dit betekent wat haar betreft echter niet dat de man zijn rol als vader verliest.
De man voert aan dat hij zich ernstige zorgen maakt om [minderjarige 1] en graag betrokken wil zijn bij de zorg- en opvoedingstaken. In het ouderschapsplan, dat is opgesteld op 12 juni 2025, is uitdrukkelijk het gezamenlijk gezag gehandhaafd. Een goede onderlinge communicatie is echter nog steeds niet mogelijk tussen partijen, waardoor het moeilijk is om afspraken te maken zonder tussenkomst van derden. Dit komt doordat de vrouw zich niet openstelt voor de man en niets van hem wil aannemen. De man benadrukt dat hij de vrouw op geen enkel moment heeft belemmerd in de uitoefening van gezagsbeslissingen. Hij staat voor iedere vorm van communicatie open. Gelet op de bijzondere zorg die [minderjarige 1] nodig heeft, is het juist van belang dat beide partijen daarin worden betrokken en gezamenlijk beslissingen nemen. Het mag niet zo zijn dat een verzorgende ouder het contact tussen het kind en de andere ouder langdurig belemmert om vervolgens dit gebrek aan contact te gebruiken als grond om het eenhoofdig gezag te verkrijgen. Volgens de man is het verzoek van de vrouw niet op wettelijke gronden gebaseerd en dient daarom afgewezen te worden.
De Raad voert aan dat [minderjarige 1] , gelet op zijn problematiek, gebaat is bij structuur en duidelijkheid. Het is fijn dat beide partijen betrokken willen zijn, maar op dit moment vindt er geen overleg tussen hen plaats. Er moet voor [minderjarige 1] snel geschakeld kunnen worden in het nemen van beslissingen ten aanzien van zijn zorg en medische zaken. Dat er geen overleg kan plaatsvinden tussen partijen, is dus zeer problematisch en niet in het belang van [minderjarige 1] . Volgens de Raad leidt toewijzing van het verzoek van de vrouw niet tot diskwalificatie van de man in zijn rol als vader.
Op grond van artikel 1:253n in samenhang met artikel 1:251a eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt, indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De rechtbank concludeert dat sprake is van een wijziging van omstandigheden, nu de overeengekomen zorgregeling al geruime tijd niet wordt nageleefd en de vrouw sinds de echtscheiding de volledige intensieve zorg voor [minderjarige 1] op zich neemt, zodat de vrouw ontvankelijk is in haar verzoek om haar voortaan met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] te belasten.
Vooropgesteld wordt dat het uitgangspunt van de huidige wetgeving is dat de ouders na uiteengaan in beginsel gezamenlijk belast zullen blijven met het ouderlijk gezag. In het algemeen wordt er dan ook van uitgegaan dat het in het belang van minderjarigen is dat ook de niet verzorgende ouder met het gezag belast is. Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in feite in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over de minderjarigen in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond de minderjarigen kunnen voordoen, zodanig dat de minderjarigen niet klem of verloren zullen raken tussen de ouders. Het ontbreken van goede communicatie brengt niet zonder meer met zich mee dat het gezag in het belang van de minderjarigen niet aan beide ouders toegekend moet blijven. Als de (communicatie)problemen tussen ouders zodanig ernstig verstoord zijn dat de minderjarigen bij gezamenlijk gezag van de ouders klem of verloren raken tussen de ouders, en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt, beëindigt de rechtbank het gezamenlijk gezag.
De rechtbank overweegt dat, gelet op de naar voren gebrachte omstandigheden, wijziging van het gezag noodzakelijk is in het belang van [minderjarige 1] . De rechtbank bepaalt dan ook dat de vrouw het eenhoofdig gezag toegekend krijgt. Doorslaggevend daarvoor is dat [minderjarige 1] een jongen met autisme is en speciale zorgbehoeften heeft. [minderjarige 1] heeft, nog meer dan andere kinderen, rust, regelmaat en stabiliteit nodig. Het is, gelet op deze zorgbehoeften, noodzakelijk dat beslissingen snel genomen kunnen worden. De vrouw heeft ervoor gezorgd dat het zorgsysteem rondom [minderjarige 1] volledig is opgezet. Zij onderhoudt de contacten met de hulpverleningsinstanties en wordt belast door de zorg voor [minderjarige 1] . Het voortdurend moeten betrekken van de man voor toestemming is te veel van haar gevraagd. Het is gebleken dat dit een extra druk op de vrouw legt, terwijl zij al zoveel op zich neemt. De vrouw moet, op het moment dat dat nodig is, direct en snel kunnen handelen. Het is immers niet in het belang van [minderjarige 1] dat belangrijke beslissingen die betrekking hebben op hem, zoals ten aanzien van acute medische ingrepen en noodzakelijke afspraken, niet kunnen worden genomen omdat de man geen of zeer laat toestemming geeft. De rechtbank acht het op grond van het voorgaande in het belang van [minderjarige 1] dat het gezag over hem alleen aan de vrouw toekomt.
Omgangsregeling
Nu de vrouw met het eenhoofdig gezag is belast, zal de rechtbank in het vervolg spreken van een omgangsregeling in plaats van een zorgregeling.
De man stelt dat hij, vanwege het ontbreken van woonruimte, al lange tijd geen omgang met [minderjarige 1] heeft gehad. Inmiddels heeft de man een eigen woning gevonden, maar de vrouw weigert alsnog het aanbod van de man om mede de zorg voor [minderjarige 1] op zich te nemen. Het lukt de man echter niet om een 50/50-regeling, zoals gewenst door de vrouw, na te komen. De man werkt immers fulltime en heeft het daarbij behorende salaris nodig om in zijn woning te kunnen blijven. Daarom verzoekt de man een omgangsregeling vast te leggen waarbij [minderjarige 1] een keer per veertien dagen op vrijdagmiddag vanaf 17:30 uur tot maandagochtend 08:00 uur bij de man is. In verband met het werk van de man, lukt het hem niet om [minderjarige 1] vrijdag eerder uit school op te halen. Ook heeft de man een beperkt aantal vakantiedagen, waardoor ook die periodes niet op gelijke wijze te verdelen zijn.
De man is bereid om duidelijkheid en regelmaat te geven aan [minderjarige 1] .
De vrouw voert aan dat zij de zorg voor [minderjarige 1] graag 50/50 wil verdelen. Ondanks dat de vrouw om eenhoofdig gezag heeft verzocht, vindt zij het belangrijk dat [minderjarige 1] en de man in contact met elkaar blijven. De vrouw ziet graag dat de man een actievere rol aanneemt in de opvoeding en verzorging van [minderjarige 1] . Het verzoek van de man kan echter niet volledig worden toegewezen. [minderjarige 1] is op vrijdag om 15:00 uur klaar met school. Er is op die dag geen naschoolse opvang voor hem. De vrouw vindt het fijn als de man hem een keer per veertien dagen direct uit school ophaalt, zodat de vrouw op die vrijdag in ieder geval wordt ontlast. Daarnaast is het voor [minderjarige 1] ingewikkeld om slechts voor anderhalf uur bij de vrouw te zijn. Dat zorgt namelijk voor onrust. De omgangsregeling moet in het belang van [minderjarige 1] zijn, waarbij er ook duidelijkheid moet komen ten aanzien van de vakantie- en feestdagen.
De Raad heeft naar voren gebracht dat de vrouw ontzettend hard bezig is geweest om een zorgsysteem om [minderjarige 1] heen te bouwen. Het is noodzakelijk dat de vrouw wordt ontlast en ademruimte krijgt. Zij moet immers overeind blijven staan. Het is fijn dat de man stabiliteit gaat brengen en de vrouw enigszins kan ontzorgen. Het discussiepunt tussen partijen ziet enkel nog op de vrijdagmiddag. Het is een uitzonderlijke situatie, waarbij eerst gekeken moet worden naar de behoefte van [minderjarige 1] . In een ideale situatie kan [minderjarige 1] op vrijdagmiddag naar de naschoolse opvang, zodat de man hem vanuit daar kan ophalen en de vrouw niet alsnog wordt belast. Toch dient er ook rekening gehouden te worden met de persoonlijke omstandigheden van de man. Zo is het van groot belang dat hij zijn baan behoudt. Het is primair de verantwoordelijkheid van de man om hierover afspraken te maken met zijn werk. Indien dat niet lukt, dient de vrouw zich wederom flexibel op te stellen en eventueel een nieuwe afspraak te maken met de naschoolse opvang.
Op grond van artikel 1:377a, eerste lid, BW, heeft het kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Artikel 1:377a, tweede lid, BW van voormeld artikel bepaalt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststelt dan wel het recht op omgang ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd.
De rechter ontzegt, op grond van artikel 1:377a lid 3 BW, het recht op omgang slechts, indien:
omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of
omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
Het is voor de rechtbank duidelijk geworden dat er sprake is van een disbalans tussen partijen ten aanzien van de zorg voor [minderjarige 1] . Op dit moment rust het merendeel van de zorg namelijk op de schouders van de vrouw. Zij doet daarin ontzettend haar best. Het is zeer spijtig dat de man niet kan aansluiten bij de wensen van de vrouw. Zelfs met betrekking tot de vrijdagmiddag, lukt het de man niet om de vrouw te ontlasten en haar daarin tegemoet te komen. Gelet op de grote inzet van de vrouw, en wat het meest passend voorkomt in het belang van [minderjarige 1] , had de rechtbank graag bij het verzoek van de vrouw willen aansluiten. De man heeft echter geen enkele vorm van flexibiliteit getoond. Naar alle waarschijnlijkheid omdat hij deze, in verband met zijn werkzaamheden en persoonlijke omstandigheden, ook niet heeft. Daarom zal de rechtbank toch aansluiten bij het verzoek van de man, zodat de vrouw op die momenten gegarandeerd ontlast zal gaan worden. Het ziet er immers naar uit dat een uitgebreidere regeling niet kan worden nagekomen door de man. Dit zal uiteindelijk tot meer onrust en frustratie tussen partijen leiden.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank de volgende definitieve omgangsregeling vast, waarbij [minderjarige 1] bij de man verblijft:
in de even weekenden: van vrijdagmiddag 17:30 uur tot maandag 08:00 uur naar school;
in de zomervakantie: twee weken;
in de kerstvakantie: één week.
De rechtbank merkt hierbij op dat [minderjarige 1] op zaterdag naar dagopvang [naam dagopvang] gaat. Het is aan de man hoe hij de weekenden invult, maar gelet op de problematiek van [minderjarige 1] gaat de rechtbank ervan uit dat de man bij het huidige schema van [minderjarige 1] aansluit. Dit heeft [minderjarige 1] immers nodig en is in zijn belang. Het huidige weekschema zorgt voor rust, stabiliteit en regelmaat. Bovendien is het noodzakelijk dat de man tijdig zijn plannen doorgeeft aan alle betrokkenen rondom [minderjarige 1] , te weten aan de vrouw, [naam 2] en de zorgverleners van Cordaan, zodat [minderjarige 1] daarop kan worden voorbereid en eventuele verdere hulp kan worden ingezet.
Daarnaast hoopt de rechtbank dat de man, buiten de bovengenoemde vakantieperiodes, ook in andere vakanties zijn verantwoordelijkheid neemt voor de omgang tussen hem en [minderjarige 1] . Het is wenselijk dat de man dan enkele dagen bijspringt om de vrouw te ontlasten.
Informatieplicht
De man stelt op de hoogte te willen blijven van het welzijn en de ontwikkelingen van [minderjarige 1] . Hij wil weten welke begeleiding [minderjarige 1] krijgt, wie de betrokken zorgverleners zijn en in contact staan met deze begeleiders.
De vrouw voert aan dat er vanuit school een website rondom [minderjarige 1] is aangemaakt. De man heeft daartoe toegang.
Op grond van artikel 1:377b, eerste lid, BW is de ouder die met het gezag is belast gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind.
Uit artikel 1:377c, eerste lid, BW blijkt dat de niet met het gezag belaste ouder desgevraagd door derden die beroepshalve beschikken over informatie inzake belangrijke feiten en omstandigheden die de persoon van het kind of diens verzorging en opvoeding betreffen, daarvan op de hoogte wordt gesteld, tenzij die derde de informatie niet op gelijke wijze zou verschaffen aan degene die met het gezag over het kind is belast dan wel bij wie het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, of het belang van het kind zich tegen het verschaffen van informatie verzet.
De rechtbank oordeelt als volgt. Uit het voorgaande volgt dat de vrouw een verplichting heeft om informatie over [minderjarige 1] te verstrekken aan de man. De rechtbank acht het in dit geval, gelet op het feit dat de vrouw al overvraagd wordt in de zorg voor [minderjarige 1] , niet redelijk om een concrete informatieverplichting vast te leggen. Tijdens de mondelinge behandeling is bovendien gebleken dat het verzoek van de man meer gericht is op informatie vanuit de zorgverleners van [minderjarige 1] . De man kan dit, zoals volgt uit artikel 1:377c BW, zelfstandig opvragen bij de begeleiders en zorgverleners van [minderjarige 1] . De rechtbank wijst het verzoek van de man dan ook af.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
5De beslissing
De rechtbank:
beëindigt het gezamenlijk gezag van partijen en belast de vrouw voortaan met de uitoefening van het gezag over het minderjarige kind van partijen:
— [minderjarige 1] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats] ,
voor zover de bevoegdheid daartoe niet door een eerdere rechterlijke beslissing is uitgesloten;
draagt de griffier op aantekening van deze gezagsbeslissing te laten opnemen in het gezagsregister;
stelt de volgende definitieve omgangsregeling vast, waarbij [minderjarige 1] bij de man verblijft:
in de even weekenden: van vrijdagmiddag 17:30 uur tot maandag 08:00 uur naar school;
in de zomervakantie: twee weken;
in de kerstvakantie: één week;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door de rechter mr. M.E.A. Nijssen, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. A.F. Hulskes, griffier, op 16 december 2025.
Voetnoten
- Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
— door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
— door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...