ECLI:NL:RBAMS:2025:4824 Rechtbank Amsterdam , 04-07-2025 / AMS 25/3429
Vovo. Schorsing rijbewijs ivm onderzoek drugsgebruik. Afgewezen. Voorlopige rechtmatigheidstoets m.b.t. weigeren bloedonderzoek. Belangenafweging valt in nadeel verzoeker uit.
7 min de lecture · 1 344 mots
Inhoudsindicatie. Vovo. Schorsing rijbewijs ivm onderzoek drugsgebruik. Afgewezen. Voorlopige rechtmatigheidstoets m.b.t. weigeren bloedonderzoek. Belangenafweging valt in nadeel verzoeker uit.
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/3429
uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 juli 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit Amsterdam, verzoeker
en
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), verweerder (gemachtigde: [gemachtigde] ).
Samenvatting
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van het CBR dat verzoeker een onderzoek moet laten doen naar zijn drugsgebruik en dat hij voorlopig niet mag rijden, in elk geval niet tot de uitslag van dat onderzoek. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Het bezwaar heeft geen redelijke kans van slagen en het belang van de verkeersveiligheid weegt zwaarder dan dat van verzoeker. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
Met het bestreden besluit van 28 mei 2025 heeft het CBR besloten dat verzoeker een onderzoek moet laten doen naar zijn drugsgebruik en dat hij voorlopig niet mag rijden, in elk geval niet tot de uitslag van het onderzoek. Het CBR heeft daaraan ten grondslag gelegd dat door Politie Eenheid Amsterdam, District Amsterdam is doorgegeven dat bij verzoeker sprake is van drugsgebruik.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter op 6 juni 2025 gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, strekkende tot opschorting van de schorsing van zijn rijbewijs totdat op het bezwaar is beslist.
Het CBR heeft op 19 juni 2025 een verweerschrift ingediend. Verzoeker heeft nog nadere stukken ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van het CBR.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het belang dat wordt gediend door de onmiddellijke uitvoering van het besluit.
Verzoeker heeft uitgelegd dat hij zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk. Hij is zelfstandige en werkt als witgoedmonteur. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker daarmee een voldoende spoedeisend belang naar voren heeft gebracht. Zij zal de zaak dan ook inhoudelijk beoordelen.
Rechtmatigheid besluit
De voorzieningenrechter kijkt of het bezwaarschrift van verzoeker kans van slagen heeft. Zij geeft daarbij een voorlopig oordeel over deze zaak.
Uit de stukken volgt dat het CBR politie-informatie heeft ontvangen waaruit blijkt dat verzoeker op 14 februari 2025 een bloedonderzoek zou hebben geweigerd en op 15/16 maart 2025 is aangehouden in verband met het rijden onder invloed van cannabis. Volgens het CBR dient verzoeker zich vanwege deze twee processen-verbaal daarom te onderwerpen aan een drugsonderzoek en is zijn rijbewijs in ieder geval totdat de uitslag bekend is, geschorst.
Verzoeker heeft aangevoerd dat het klopt dat hij op 15/16 maart 2025 onder invloed van cannabis heeft gereden. Het is echter niet waar dat hij op 14 februari 2025 een bloedonderzoek heeft geweigerd. Er is hem nooit een bloedonderzoek bevolen. Er is hem slechts naar een speekseltest gevraagd en daarover heeft hij eerst (telefonisch) contact gehad met zijn vader die advocaat is. Verzoeker zegt dus dat de lezing van de politie in de processen-verbaal niet klopt. Hij heeft zelf uitgelegd hoe de situatie volgens hem is gegaan, heeft een verklaring van zijn vriendin en een appje van zijn vader overgelegd en heeft een filmpje ter zitting getoond. Aangezien er dus maar sprake is van één overtreding, kan hem geen onderzoek worden opgelegd en kan zijn rijbewijs niet geschorst worden.
In het dossier bevinden zich meerdere op ambtseed opgemaakte processen-verbaal ten aanzien van het incident op 14 februari 2025. Hieruit volgt onder meer dat verzoeker staande is gehouden nadat een snelheidsovertreding werd gezien. De politie constateert vervolgens dat verzoeker bloeddoorlopen ogen had en sprak met een dubbele tong. Ook werd er een sterke geur van hennep/cannabis in de auto geroken. Verzoeker zou vervolgens niet hebben willen meewerken aan – onder meer – een bloedonderzoek. Vervolgens is verzoeker aangehouden ter zake van belediging van een politieagent.
Volgens vaste rechtspraak mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, tenzij tegenbewijs aanleiding geeft tot afwijking van dit uitgangspunt. Indien uit het proces-verbaal een vermoeden van ongeschiktheid tot het besturen van een motorrijtuig kan worden afgeleid, vormt dit voldoende grondslag om een bestuursrechtelijke maatregel op te leggen.
Hoewel de processen-verbaal niet geheel duidelijk zijn over de precieze gang van zaken, is wel voldoende gebleken dat verzoeker een bloedonderzoek heeft geweigerd. De verklaring van verzoeker zelf dat het anders is gegaan, acht de voorzieningenrechter niet voldoende om het proces-verbaal van politie te weerleggen. In het getoonde filmpje wordt door verzoeker zelf gezegd ‘hij wil mijn bloed testen’. Dit ondersteunt op dat punt de processen-verbaal. Verzoeker heeft ter zitting verklaard ook niet te weten waarom hij dit op het filmpje zegt, misschien omdat hij emotioneel was. Zo’n onderzoek is volgens hem niet gevraagd, dan wel bevolen. De voorzieningenrechter acht dit niet aannemelijk. Verzoeker heeft ook nog naar voren gebracht dat hij eerst een (speeksel)onderzoek heeft geweigerd, maar na consultatie van zijn vader alsnog heeft ingestemd. Ook dit kan verzoeker niet baten aangezien een aanvankelijke weigering om mee te werken, niet kan worden hersteld door nadien aan te geven wel medewerking te willen verlenen aan een onderzoek. De verklaring van de vriendin van verzoeker acht de voorzieningenrechter geen objectief tegenbewijs. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het CBR daarom heeft kunnen besluiten om verzoeker te onderwerpen aan een drugsonderzoek en tot schorsing van het rijbewijs. Het bezwaar heeft geen redelijke kans van slagen.
Belangenafweging
5. Nu het bezwaar naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen redelijke kans van slagen heeft, heeft het CBR de belangen bij de bevordering van de verkeersveiligheid zwaarder kunnen laten wegen dan de individuele belangen van verzoeker. Dat het rijbewijs van verzoeker is geschorst en hij daardoor niet kan werken is een inherent gevolg van het besluit en geen bijzondere omstandigheid om de belangen van eiser zwaarder te laten wegen en een voorlopige voorziening te treffen.
Conclusie en gevolgen
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het rijbewijs van verzoeker geschorst blijft in afwachting van de uitkomst van het onderzoek naar zijn rijvaardigheid. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Voetnoten
- Het besluit over het onderzoek is gebaseerd op artikel 131 van de Wegenverkeerswet 1994, en op artikel 23 lid 1 en bijlage I, onder B, onderdeel III van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011.
Het besluit dat verzoeker voorlopig niet meer mag rijden is gebaseerd op artikel 131 van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 5 en 6 van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011. - uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4148.
- uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 oktober 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:9038.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...