Pays-Bas Rechtbank Amsterdam Pénal 18 ноября 2025 N° 13-223497-22 NL

ECLI:NL:RBAMS:2025:9712 Rechtbank Amsterdam , 18-11-2025 / 13-223497-22

Overlevering. Belgisch EAB t.b.v. de tenuitvoerlegging van een opgelegde straf. Einduitspraak na eerdere tussenuitspraken. Nederlander. Certificaat en Belgische vonnis verstrekt. Verweer onjuist/onvolledig certificaat/vonnis verworpen. Weigering o.g.v. art. 6a OLW, overname tenuitvoerlegging straf in Nederland.

Source officielle

Calcul en cours 0

Inhoudsindicatie. Overlevering. Belgisch EAB t.b.v. de tenuitvoerlegging van een opgelegde straf. Einduitspraak na eerdere tussenuitspraken. Nederlander. Certificaat en Belgische vonnis verstrekt. Verweer onjuist/onvolledig certificaat/vonnis verworpen. Weigering o.g.v. art. 6a OLW, overname tenuitvoerlegging straf in Nederland.

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-223497-22

Datum uitspraak: 18 november 2025

UITSPRAAK

op de vordering van 9 juli 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 30 september 2014 door het Hof van beroep van Antwerpen (de rechtbank begrijpt: de advocaat-generaal bij dat hof), België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[de opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 1972 in [geboorteplaats] (Suriname),

inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:

[adres] ,

nu gedetineerd in [detentieplaats] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1Procesgang

Zitting 28 augustus 2025

De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 28 augustus 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat in Utrecht.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd.

Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

Tussenuitspraak 11 september 2025

Bij tussenuitspraak van 11 september 2025 is het onderzoek heropend en geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen een standpunt in te nemen over de gevolgen van het recente arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 4 september 2025 voor deze zaak. De beslistermijn is op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met zestig dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.

Zitting 4 november 2025

De behandeling van het EAB is met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 4 november 2025, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman mr. A.M.C.J. Baaijens.

2Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3Tussenuitspraak 11 september 2025

Bij tussenuitspraak van 11 september 2025 heeft de rechtbank geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, de weigeringsgrond van artikel 12 OLW en de strafbaarheid van de feiten. Deze overwegingen moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.

4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

Inleiding

De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 5 van de tussenuitspraak van 11 september 2025. De rechtbank heeft hierin, kort gezegd, overwogen dat zij – naar de letter van artikel 6a, eerste en tweede lid, OLW – bevoegd is om de overlevering te weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in Nederland te bevelen. Deze overwegingen moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.

De rechtbank heeft na de tussenuitspraak in verschillende uitspraken overwogen dat uit het arrest van het HvJ EU van 4 september 2025 (het arrest CJ) – kort samengevat – volgt dat voordat de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf door een ontvangende lidstaat kan worden overgenomen, daarvoor toestemming van de beslissingsstaat vereist is. Het HvJ EU oordeelt dat de weigering op basis van artikel 4, punt 6, Kaderbesluit 2002/584/JBZ veronderstelt dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit de voorwaarden en procedure van Kaderbesluit 2008/909/JBZ in acht neemt met betrekking tot de erkenning van de strafrechtelijke veroordeling tot die straf en de overname van de tenuitvoerlegging van die straf. Deze procedure houdt – kort gezegd – in dat, voordat de tenuitvoerlegging van een straf kan worden overgenomen, het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van dat Kaderbesluit wordt ingevuld en samen met het veroordelende vonnis wordt overgelegd door de beslissingsstaat. Met de toezending van het certificaat en het vonnis wordt de toestemming van de beslissingsstaat voor de overname van de tenuitvoerlegging van de in die staat opgelegde straf uitgedrukt. Een en ander is door het HvJ EU herhaald in zijn arrest van 11 september 2025.

Gelet hierop heeft de officier van justitie de uitvaardigende justitiële autoriteit verzocht om het ingevulde certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het arrest van het Hof van beroep Antwerpen van 8 mei 2014 — 13 Kamer, referentie: 2010/PGA/3904 (Griffienummer: C/690/14). Deze stukken – het certificaat is gedateerd op 9 oktober 2025 – zijn door de Belgische autoriteiten toegezonden.

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft – zakelijk weergegeven – aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen primair verzocht om aanhouding van de behandeling om de Belgische autoriteiten in de gelegenheid te stellen het certificaat volledig, juist en eerlijk in te vullen, dan wel om het EAB alsnog in te trekken vanwege “de bewijsbare precaire en delicate situatie", met name vanwege enkele maanden die de opgeëiste persoon in detentie in India heeft doorgebracht in verband met deze zaak. In het geval van aanhouding van de behandeling, heeft de raadsman om schorsing van de overleveringsdetentie verzocht.

Subsidiair heeft de raadsman verzocht het EAB niet in behandeling te nemen wegens de gestelde gebreken met betrekking tot het certificaat, het feit dat de inhoud van de Belgische veroordeling van 8 mei 2014 wordt betwist en dat de zaak in België zou zijn verjaard. De tenuitvoerlegging van het EAB zou daarom leiden tot schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon. De raadsman heeft in dit kader betoogd dat het arrest CJ een stappenplan bevat, bestaande uit drie stappen. Verkort weergegeven, zijn deze stappen: toezending van het veroordelende vonnis (stap 1), toezending van het certificaat omdat daarmee de uitvoerende autoriteit in staat wordt gesteld om zich een ordentelijk oordeel te vormen over het te executeren daadwerkelijke strafrestant (stap 2), en vervolgens en afrondend moet de rechter beoordelen of in het voorliggende geval de daadwerkelijke tenuitvoerlegging door handhaving

van het EAB evenredig is, gelet op de specifieke omstandigheden van de zaak.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de Belgische autoriteiten toestemming hebben gegeven voor overname van de straf door toezending van het certificaat en de onderliggende veroordeling. De overlevering kan daarom worden geweigerd met overname van de tenuitvoerlegging van de straf door Nederland. De officier van justitie ziet in het arrest CJ niet het stappenplan zoals dat door de raadsman is toegelicht.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwijst naar de tussenuitspraak van 11 september 2025 (punt 3: Grondslag en inhoud van het EAB) voor zover het verweer zich wederom richt op de gestelde verjaring naar Belgisch recht en onduidelijkheid over het strafrestant. Deze overwegingen moeten hier (opnieuw) als herhaald en ingelast worden beschouwd.

Voor zover het verweer zich richt op de inhoud en juistheid van de Belgische veroordeling overweegt de rechtbank dat het niet aan de uitvoerende justitiële autoriteit is om de gegrondheid van een veroordeling te beoordelen. De overleveringsprocedure is niet een controlemechanisme op de strafprocedure.

De rechtbank ziet geen aanleiding de behandeling van de zaak aan te houden omdat het certificaat onjuist of onvolledig zou zijn ingevuld. De rechtbank herhaalt dat uit het arrest CJ enkel volgt dat toestemming van de beslissingsstaat vereist is voordat de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf door een ontvangende lidstaat kan worden overgenomen en dat die toestemming wordt gegeven door toezending van het certificaat en vonnis. Voor deze zaak betekent dit dat met de toezending van het certificaat en het arrest van het Hof van beroep Antwerpen van 8 mei 2014 is voldaan aan de vereisten die volgen uit het arrest CJ en dat België dus toestemming heeft verleend voor de overname van de tenuitvoerlegging van de in België opgelegde straf.

De rechtbank begrijpt het verweer omtrent de gestelde “bewijsbare precaire en delicate situatie" als een beroep op de (on)evenredigheid van de overlevering. Hierbij geldt – kort gezegd – dat een beroep op het evenredigheidsbeginsel slechts onder bijzondere omstandigheden kan slagen, gelet op de zogenaamde stelselevenredigheid van de OLW. Hoewel de rechtbank oog heeft voor de belangen van de opgeëiste persoon, is naar het oordeel van de rechtbank van zulke bijzondere omstandigheden in het onderhavige geval niet gebleken. Dat de opgeëiste persoon in 2018 enkele maanden in India gedetineerd is geweest, is daarvoor onvoldoende.

Het voorgaande leidt ertoe dat het aanhoudingsverzoek wordt afgewezen en de verweren worden verworpen. Nu de bevoegde autoriteit in België toestemming heeft gegeven voor het overnemen van de straf door Nederland zal de rechtbank de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf bevelen.

5Slotsom

De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.

6Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 11b Opiumwet, 420 bis Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6a en 7 OLW.

7Beslissing

WEIGERT de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan het Hof van beroep van Antwerpen (de rechtbank begrijpt: de advocaat-generaal bij dat hof), België;

BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3 van de tussenuitspraak van 11 september 2025 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland, te weten de vrijheidsstraf van zeven jaar, opgelegd door het Hof van beroep Antwerpen bij arrest van 8 mei 2014 (waarvan volgens het EAB nog een straf resteert van 2.109 dagen);

HEFT OP de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon;

BEVEELT de gevangenhouding van de opgeëiste persoon op grond van artikel 27, vierde lid, OLW, tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,

mrs. O.P.M. Fruytier en C.M.S. Loven, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 18 november 2025.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

  1. Zie artikel 23 Overleveringswet.
  2. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
  3. ECLI:NL:RBAMS:2025:6858.
  4. Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (CJ (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB)).
  5. Zie onder meer rechtbank Amsterdam, 25 september 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7089.
  6. Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (CJ (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB)), punt 57.
  7. Hof van Justitie van de Europese Unie, 11 september 2025, C-215/24, ECLI:EU:C:2025:695 (Fira).
  8. Zie onder meer rechtbank Amsterdam 21 november 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:8017 of recent 4 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8345.

Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier pénal. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.