ECLI:NL:RBDHA:2021:1173 Rechtbank Den Haag , 19-01-2021 / AWB — 19 _ 1336
Verzoek om handhavend optreden tegen de aanplant van bomen door college afgewezen. Bezwaar hiertegen is terecht niet-ontvankelijk verklaard. De gevolgen van deze aanplant zijn dermate gering dat een persoonlijk belang van eiser bij beoordeling van het besluit ontbreekt.
5 min de lecture · 1 045 mots
Inhoudsindicatie. Verzoek om handhavend optreden tegen de aanplant van bomen door college afgewezen. Bezwaar hiertegen is terecht niet-ontvankelijk verklaard. De gevolgen van deze aanplant zijn dermate gering dat een persoonlijk belang van eiser bij beoordeling van het besluit ontbreekt.
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 19/1336
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 januari 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. Y.M.G. van den Heerik),
en
het college van burgemeester en wethouders Nieuwkoop, verweerder
(gemachtigde: mr. F. Zorn).
Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen: [derde-partij 1] B.V., [derde-partij 2] B.V., [derde-partij 3] B.V. en [derde-partij 4] , te [plaats 1] en [plaats 2]
(gemachtigde: mr. J.H. Hartman).
Procesverloop
Bij besluit van 18 juli 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om handhavend optreden ten aanzien van aanplant van bomen op of nabij het perceel [perceel] te [woonplaats] afgewezen.
Bij besluit van 15 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens derde-partijen is verschenen [derde-partij 4] , bijgestaan door
mr. J.J. van Nuland. Tijdens deze zitting zijn tevens de beroepen in de zaken met zaaknummers SGR 18/7180, SGR 18/7299, SGR 18/8304, SGR 18/8306, SGR 19/1924 en 19/3231 behandeld. In die zaken doet de rechtbank heden ook uitspraak.
Overwegingen
1. Eiser heeft op 5 mei 2018 verweerder verzocht handhavend op te treden tegen de aanplant van bomen op het perceel van derde-partijen, “ [perceel] ”. Verweerder heeft naar aanleiding daarvan het primaire besluit genomen en daaraan ten grondslag gelegd dat geen sprake is van een overtreding.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat hij niet rechtstreeks in zijn belangen wordt geraakt. Hij kan niet als belanghebbende worden aangemerkt als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Mede op die grond heeft verweerder het primaire besluit herroepen.
3. Eiser betoogt dat de nieuwe bomen hem volledig het zicht vanuit zijn huis ontnemen en dat hij daarom rechtstreeks in zijn belangen wordt geraakt. Naar hij meent is hij dan ook belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
4. De rechtbank stelt voorop dat op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) een verzoek om handhavend op te treden, evenals een aanvraag, door een belanghebbende moet worden gedaan (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3048). Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
5. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271, geldt als uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die een besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dat is vermeld in de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:737, dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt.
6. Verweerder heeft aan het bestreden besluit het advies van de bezwaarschriftencommissie van 24 december 2018 ten grondslag gelegd. In dat advies heeft de commissie ten aanzien van het belang van eiser overwogen dat, gelet op het controlerapport van 12 oktober 2018 en de daarbij behorende foto’s, de nieuw aangeplante bomen moeilijk te onderscheiden zijn van de reeds bestaande bomen. Gelet op de bestaande beplanting en bomen op het terrein van de beeldentuin, maar ook op het terrein van eiser zelf, ziet de commissie niet in hoe eiser in zijn belang wordt geschaad door de nieuwe aanplant van de bomen. Het zicht op het open veenlandschap van de oeverwallen wordt immers al deels ontnomen door de bestaande bomen en beplanting en de aanwezige bebouwing en hekwerken. Daarnaast is tijdens de hoorzitting gebleken dat het geen tientallen bomen betreft, maar enkele enten, die tegen en tussen de huidige bomen zijn gezet en niet in de lijn ernaast.
7. Niet in geschil is dat eiser zicht heeft op de recent aangeplante bomen. Uit het controlerapport volgt dat de afstand tussen de woning van eiser en de recent aangeplante bomen ongeveer 65 meter bedraagt. Uit de bij dit controlerapport gevoegde foto’s kan worden afgeleid dat de nieuw aangeplante bomen zich bevinden tussen de reeds bestaande bomen en beplanting. Gelet hierop acht de rechtbank niet aannemelijk dat het zicht vanaf het woonperceel van eiser op de achterliggende gronden door de nieuwe aanplant wezenlijk is veranderd. Eiser heeft zijn betoog, inhoudende dat de recente aanplant zijn uitzicht op de achterliggende veenweidegronden en het oeverwallenlandschap volledig heeft weggenomen, niet onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens. Gelet hierop is de rechtbank met verweerder van oordeel dat de gevolgen van deze aanplant dermate gering zijn dat een persoonlijk belang van eiser bij beoordeling van het besluit ontbreekt. Verweerder heeft zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat eiser geen belanghebbende is bij de aanplant van de bomen. Dit betekent dat verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van mr. E.L. Denters, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2021.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...