ECLI:NL:RBDHA:2024:23513 Rechtbank Den Haag , 01-10-2024 / 24/1435
Verweerder heeft niet tijdig op het bezwaar van eiser beslist en is daarmee een dwangsom verschuldigd. Beroep gegrond.
8 min de lecture · 1 733 mots
Inhoudsindicatie. Verweerder heeft niet tijdig op het bezwaar van eiser beslist en is daarmee een dwangsom verschuldigd. Beroep gegrond.
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/1435
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
en
de korpschef van de politie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.B. van der Els).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek tot het vaststellen van een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag.
Verweerder heeft dit besluit op 19 september 2023 genomen. Met het bestreden besluit van 19 januari 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van het verzoek gebleven.
Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en heeft hiertegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2024 op zitting behandeld. Eiser heeft hieraan deelgenomen. Verweerder heeft zich voor de zitting afgemeld.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft op 23 december 2022 een aanvraag ingediend bij verweerder voor het laten bijschrijven van twee verschillende wapens op zijn privéverlof. Op 30 mei 2023 heeft eiser verweerder verzocht tot het vaststellen van een dwangsom omdat verweerder niet binnen de termijn van de op 2 april 2023 verstuurde ingebrekestelling op de aanvraag heeft beslist. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen, omdat de aanvraag van eiser voor het versturen van de ingebrekestelling al buiten behandeling is gesteld. De reden hiervoor is dat eiser in een telefoongesprek van 16 februari 2023 aan de heer [naam] (een medewerker van verweerder) te kennen zou hebben gegeven af te zien van het via zijn eigen schietvereniging laten bijschrijven van de twee verschillende wapens op zijn privéverlof.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser kan zich niet verenigen met de afwijzing van zijn dwangsomverzoek. Hij stelt dat verweerder een verkeerde voorstelling van zaken heeft over het telefoongesprek dat op 16 februari 2023 heeft plaatsgevonden. Eiser stelt tijdens dat telefoongesprek slechts te hebben aangegeven dat het praktischer was om de aanvraag voor het laten bijschrijven van twee verschillende wapens op zijn privéverlof aan te houden totdat er beslist zou zijn op zijn aanvraag voor een verenigingsverlof. Het intrekken van de aanvraag is volgens eiser niet aan de orde geweest. Bovendien heeft eiser deze kwestie in het kader van de ingebrekestelling nadien op drie verschillende momenten, te weten 2 april 2023, 30 mei 2023 en 10 juli 2023, bij verweerder aan de orde gesteld. Als verweerder zijn aanvraag daadwerkelijk buiten behandeling had gesteld, had het voor de hand gelegen dat verweerder dit in reactie op een van deze berichten aan eiser had medegedeeld. Dit is echter niet gebeurd. Ook in het primaire besluit is verweerder hier verder niet op ingegaan. Verder wijst eiser erop dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor het niet in behandeling nemen van de aanvraag. Mocht komen vast te staan dat de aanvraag van eiser terecht buiten behandeling is gesteld, heeft verweerder dit bovendien niet met een besluit aan eiser bekendgemaakt. Eiser is dan in zijn belangen geschaad omdat hem op die manier de mogelijkheid is ontnomen om bezwaar in te stellen tegen het buiten behandeling stellen van zijn aanvraag.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder het dwangsomverzoek van eiser mocht afwijzen omdat zijn aanvraag voor het laten bijschrijven van twee verschillende wapens op zijn privéverlof na een telefoongesprek op 16 februari 2023 al buiten behandeling was gesteld.
Zoals eiser terecht heeft gesteld, verzet het wettelijke stelsel zich tegen het niet behandelen van een aanvraag in andere dan de in artikel 4:5, eerste lid, van de Awb genoemde gevallen. Het door verweerder in het verweerschrift ingenomen standpunt dat in dit geval geen sprake is van het buiten behandeling stellen van een aanvraag in de zin van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb omdat hiertoe door verweerder geen zelfstandig besluit is genomen, is gelet daarop dan ook onjuist. Daarbij stelt de rechtbank vast dat zich in dit geval geen van de in artikel 4:5, eerste lid, van de Awb genoemde gevallen heeft voorgedaan. Van een daartoe strekkend besluit is de rechtbank ook niet gebleken. Dit betekent dat van het buiten behandeling stellen van de aanvraag van eiser geen sprake is geweest.
Voor zover verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn aanvraag tijdens het telefoongesprek van 16 februari 2023 heeft ingetrokken, overweegt de rechtbank het volgende. Een schriftelijk ingediende aanvraag kan in beginsel alleen als ingetrokken worden beschouwd en om die reden buiten verdere behandeling worden gelaten als die intrekking eveneens schriftelijk is gedaan. Wel toelaatbaar zou zijn dat naar aanleiding van een telefonische mededeling, die is begrepen als een intrekking van een aanvraag, aan de betrokkene een intrekkingsverklaring ter ondertekening wordt toegezonden, waarbij, bij het uitblijven van reactie aan de kant van de betrokkene, de conclusie moet zijn dat de aanvraag niet als ingetrokken kan worden beschouwd. De rechtbank stelt vast dat deze procedure door verweerder niet is gevolgd, waardoor van een intrekking van de aanvraag door eiser evenmin sprake kan zijn geweest.
Bovenstaande in onderling verband bezien brengt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder niet tijdig heeft beslist op de aanvraag van eiser voor het laten bijschrijven van twee verschillende wapens op zijn privéverlof en daarmee een dwangsom aan eiser is verschuldigd.
5. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond en zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Het primaire besluit zal worden herroepen en verweerder wordt opgedragen aan eiser een dwangsom te betalen. Omdat de volledige dwangsom is verbeurd, stelt de rechtbank het bedrag hiervan vast op € 1.442,-. Op de zitting is verder gebleken dat eiser de twee op de aanvraag betrekking hebbende wapens inmiddels in het kader van een nieuwe aanvraag via een andere schietvereniging op zijn privéverlof heeft kunnen laten bijschrijven. Gelet daarop ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder in dit geval op te dragen binnen een bepaalde termijn alsnog een besluit te nemen op de aanvraag van eiser.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 187,- vergoedt. Omdat geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand komt eiser niet voor een proceskostenvergoeding in aanmerking.
Eiser heeft verder verzocht om vergoeding van een bedrag van € 1.127,96 vanwege de tijd en moeite die hij in deze zaak heeft gestoken. De rechtbank merkt dit aan als een verzoek om vergoeding van verletkosten. De omvang van verletkosten wordt bepaald door de duur van het tijdsverzuim in verband met het bijwonen van de zitting en de reistijd van en naar de zitting. Overig tijdverzuim voor bijvoorbeeld het opstellen van processtukken vallen hier niet onder en komt dus niet voor vergoeding in aanmerking.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser het door hem gehanteerde uurtarief van € 95,- voldoende met stukken onderbouwd. De rechtbank bepaalt de verletkosten daarom in redelijkheid op 1,5 uur (een uur reistijd en een half uur voor de zitting) x € 95,- = € 142,50. Voor vergoeding van reiskosten van het bijwonen van de zitting wordt een bedrag vastgesteld van € 11,40 (twee keer een enkele reis à € 5,70 openbaar vervoer tweede klasse). Daarmee komt het totale bedrag aan verletkosten op € 153,90. Ten aanzien van de door eiser opgevoerde kosten die hij heeft gemaakt in de bezwaarfase, overweegt de rechtbank dat eiser in bezwaar niet om vergoeding hiervan heeft verzocht. De rechtbank zal dit verzoek om die reden afwijzen. De overige door eiser opgevoerde kosten die hij heeft gemaakt in het kader van de beroepsprocedure vallen onder overig tijdsverzuim en komen daarom evenmin voor vergoeding in aanmerking.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Het primaire besluit wordt herroepen en verweerder wordt opgedragen eiser een dwangsom van € 1.442,- te betalen. Verder moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 187,- vergoeden, evenals een bedrag van € 153,90 aan gemaakte verletkosten.
Beslissing
De rechtbank:
— verklaart het beroep gegrond;
— vernietigt het bestreden besluit;
— herroept het primaire besluit;
— bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit en stelt de door verweerder aan eiser te betalen dwangsom vast op € 1.442,-;
— bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 187,- aan eiser vergoedt;
— bepaalt dat verweerder voor een bedrag van € 153,90 aan gemaakte verletkosten aan eiser vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
- In de zin van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
- Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 7 juni 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM7436.
- Zie onder meer de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 13 december 2000, ECLI:NL:RBZWO:AA9549.
- Zie in dat verband artikel 4:17, eerste, tweede en derde lid, van de Awb.
- Op grond van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
- In de zin van artikel 1, aanhef en onder e, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
- Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (Raad) van 31 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:415.
- Op grond van artikel 7:15, tweede en derde lid, van de Awb.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...