ECLI:NL:RBDHA:2025:10572 Rechtbank Den Haag , 17-06-2025 / NL25.24810
Vervolgberoep, voortvarendheid, zicht op uitzetting, belangenafweging, ongegrond.
4 min de lecture · 828 mots
Inhoudsindicatie. Vervolgberoep, voortvarendheid, zicht op uitzetting, belangenafweging, ongegrond.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.24810
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. N. Vollebergh),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 6 januari 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 10 juni 2025 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt de Marokkaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1988.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 6 mei 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 6 mei 2025, rechtmatig was. Daarom ziet de beoordeling nu op het voortduren van de
maatregel van bewaring sinds 6 mei 2025.
4. Eiser voert aan dat hij inmiddels vijf maanden in detentie verblijft. In deze periode is er geen enkele vooruitgang geboekt in het gedwongen vertrek van eiser. Eiser stelt zich dan ook primair op het standpunt dat het zicht op verwijdering binnen een redelijke termijn niet meer bestaat. Voorts werkt verweerder niet voldoende voortvarend aan het vertrek van eiser. Weliswaar vinden er vertrekgesprekken plaats en wordt er gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten, maar gelet op het tijdsverloop dient dit als onvoldoende te worden gekwalificeerd. Van verweerder had immers mogen worden verwacht dat inmiddels op individueel niveau navraag zou worden gedaan bij de Marokkaanse autoriteiten. Hiervan is niet gebleken. Tot slot is eiser van mening dat vanwege de lange duur van detentie zijn belangen dienen te prevaleren boven het algemeen belang.
5. Anders dan eiser stelt, is de rechtbank van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ten aanzien van Marokko in het algemeen, of in het bijzonder van eiser, is komen te ontbreken. Uit het voortgangsrapport blijkt dat de lp-aanvraag op 14 januari 2025 is verzonden aan de Marokkaanse autoriteiten. Dat er tot op heden nog geen reactie van de Marokkaanse autoriteiten op de lp-aanvraag is ontvangen, maakt niet dat op voorhand twijfel bestaat over de vraag of de Marokkaanse autoriteiten binnen een afzienbare termijn een LP zullen afgeven. In dat kader weegt de rechtbank mee dat eiser geen invulling geeft aan zijn meewerkplicht. Zo is niet gebleken dat eiser enige inspanning heeft verricht om zijn originele paspoort aan de Dienst Terugkeer en Vertrek af te geven. Nu eiser niet volledig en actief meewerkt aan zijn uitzetting, kan niet gesteld worden dat geen zicht op uitzetting bestaat.
6. In wat eiser verder aanvoert, ziet de rechtbank ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat verweerder op 21 mei 2025 heeft gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten en op 9 en 30 mei 2025 vertrekgesprekken met eiser heeft gevoerd. Hiermee werkt verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser.
7. Tot slot zijn door eiser geen nieuwe omstandigheden gesteld die bewaring onredelijk bezwarend voor hem maken. De rechtbank concludeert dat aan het belang van verweerder bij voortduring van de maatregel meer gewicht toekomt dan aan het belang van eiser bij invrijheidsstelling.
8. Met inachtneming van de ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
— verklaart het beroep ongegrond;
— wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 17 juni 2025 door mr. M. J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op http://www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Voetnoten
- Uitspraken van 20 januari 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:614), 21 maart 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:4661) en 6 mei 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:7722).
- Laissez-passer.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...