Pays-Bas Rechtbank Den Haag Divers 28 апреля 2025 N° NL25.16566 NL

ECLI:NL:RBDHA:2025:19020 Rechtbank Den Haag , 28-04-2025 / NL25.16566

Geen sprake van een gebrek in het voortraject, want er is niet op onrechtmatige wijze binnengetreden bij de voordeur van de unit in het AZC

Source officielle

7 min de lecture 1 513 mots

Inhoudsindicatie. Geen sprake van een gebrek in het voortraject, want er is niet op onrechtmatige wijze binnengetreden bij de voordeur van de unit in het AZC

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.16566

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M.C. de Jong),

en

de Minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).

Procesverloop

Bij besluit van 9 april 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De minister heeft op 18 april 2025 de maatregel van bewaring opgeheven omdat eiser is uitgezet.

De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De minister is op de zitting in de gelegenheid gesteld om – uiterlijk de volgende dag – de elektronische ondertekening van de machtiging tot binnentreden te (laten) verifiëren.

De minister heeft op 24 april 2025 een document geüpload, waarop eiser vervolgens heeft gereageerd. De rechtbank heeft daarna de minister in de gelegenheid gesteld daarop – vóór 25 april 2025 om 10:00 uur – te reageren, wat de minister heeft gedaan door enkele stukken te uploaden. Tot slot is eiser in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Eiser heeft – na telefonisch contact hierover met de griffier van de rechtbank – de rechtbank verzocht om de informatie in de stukken te verifiëren en zich op dat punt verder te refereren aan het oordeel van de rechtbank

Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten op 25 april 2025.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1992.

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

3. Eiser voert allereerst aan dat hij de elektronische ondertekening van de machtiging tot binnentreden niet kan verifiëren en dat vervolgens ook niet duidelijk is wanneer deze is ondertekend, zodat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een geldige machtiging tot binnentreden.

4. De rechtbank heeft tijdens de zitting aan de minister voorgehouden dat ook zij de elektronische handtekening onder de ‘machtiging tot binnentreden in een woning HV01’ niet kan verifiëren. Daarop heeft de rechtbank de minister op de zitting in de gelegenheid gesteld om deze handtekening te verifiëren. Nu de procesvertegenwoordiger op de zitting niet de technische mogelijkheden had om dit te verifiëren, heeft de rechtbank de minister de mogelijkheid geboden dit uiterlijk de volgende dag te (laten) doen en het resultaat daarvan te overleggen. Uit de stukken die de minister heeft overlegd op 25 april 2025 volgt dat de machtiging is opgesteld op 8 april 2025, dat de handtekening onder de machtiging geldig is en eveneens dat de machtiging op 8 april 2025 digitaal is ondertekend. Dat heeft ook de rechtbank kunnen verifiëren. Er was dus sprake van een geldige (ondertekende) machtiging tot binnentreden op het moment dat werd binnengetreden. Van een gebrek is geen sprake, zodat deze beroepsgrond niet slaagt.

5. Eiser voert vervolgens aan dat de verbalisanten zonder toestemming de voordeur van de unit hebben geopend met een loper, waarmee zij dus al de woning betraden. Op dat moment hadden zij zich moeten legitimeren en het doel van binnentreden moeten meedelen. Er is op dat moment echter niets gedaan en pas bij de slaapkamerdeur van eiser hebben ze geklopt, zich gelegitimeerd en de machtiging getoond. Dat is te laat en betekent daarom dat onrechtmatig is binnengetreden.

6. De rechtbank is dat niet met eiser eens. Uit het “proces-verbaal van binnentreden” volgt dat met behulp van de sleutel de voordeur van unit 104.3 is ontsloten en is geopend, waarna vervolgens op de slaapkamerdeur van eiser is geklopt. Toen eiser die opendeed, is de machtiging getoond en is zijn kamer betreden. De rechtbank is van oordeel dat daaruit niet volgt dat sprake is van onrechtmatig binnentreden. Er was pas sprake van het binnen-treden van ‘de woning’ van eiser op het moment dat de (gesloten) slaapkamerdeur van eiser werd bereikt. Dat was nog niet aan de orde bij de voordeur van de unit in het AZC. Dat dit ook al moet worden gezien als zijn woning, heeft eiser niet concreet gemaakt. De algemene opmerking dat een unit de woning is, bijvoorbeeld omdat daar soms meerdere personen hun slaapkamer hebben en er ook algemene ruimtes kunnen zijn, is daarvoor nog niet genoeg. Er is in dit geval daarom geen sprake van onrechtmatig binnentreden door op eisers (gesloten) slaapkamerdeur te kloppen en pas daar de machtiging te tonen toen hij deze opendeed. De rechtbank kan verder uit de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 24 januari 2012 (waar eiser naar verwijst) niet afleiden dat hierover anders moet worden geoordeeld, omdat daarin geen sprake was van dezelfde feitelijke woonsituatie (in een unit op het AZC) als eiser. Dat geldt ook voor de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 januari 2005 waar eiser op wijst. Er is dus geen sprake van een gebrek in het voortraject doordat op onrechtmatige wijze is binnengetreden bij de voordeur van de unit in het AZC. De beroepsgrond hierover slaagt daarom niet.

7. Daarbij overweegt de rechtbank – voor de volledigheid – nog dat, ook als er sprake zou zijn geweest van onrechtmatig binnentreden en dus een gebrek in het voortraject, dan de belangafweging in het voordeel van de minister zou uitvallen. Vast staat namelijk dat sprake is van een geldige machtiging tot binnentreden, ook in de unit waar eisers slaapkamer(deur) was. Uit het proces-verbaal blijkt niet dat iemand is aangetroffen nadat de voordeur geopend was, en eiser bevond zich op dat moment in zijn slaapkamer (met gesloten deur). Bovendien hebben de verbalisanten, toen zij eiser in de slaapkamer aantroffen nadat op de deur geklopt was, de machtiging getoond voordat zij binnentraden. Dat heeft eiser allemaal niet betwist. Tot slot heeft eiser de rechtmatigheid van de maatregel, waaronder het daarin gemotiveerde onttrekkingsrisico, verder ook niet betwist.

8. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken.

De minister heeft als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

9. De rechtbank stelt vast dat eiser deze zware en lichte gronden niet heeft bestreden. Ook de rechtbank is van oordeel dat de zware en lichte gronden feitelijk juist zijn, aan de maatregel ten grondslag kunnen worden gelegd en samen met de toelichting daarbij voldoende zijn om de maatregel te kunnen dragen.

10. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel. De minister heeft dat voldoende toegelicht. Voorop staat het significante risico op onttrekking aan het toezicht, zoals dat uit de (niet betwiste) gronden volgt. De minister heeft de medische situatie van eiser meegewogen. Bovendien heeft eiser in beroep geen feiten of omstandigheden aangevoerd die maken dat de bewaring voor hem onredelijk bezwarend is (geworden) en dat is de rechtbank ook niet gebleken

11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

— verklaart het beroep ongegrond;
— wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Broier, rechter, in aanwezigheid van M.M.P. van Diepen, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 28 april 2025

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

  1. ECLI:NL:RBZUT:2012:BV2105.
  2. ECLI:NL:RVS:2005:AS7885.

Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.