Pays-Bas Rechtbank Den Haag Divers 4 июля 2025 N° NL24.1459 en NL24.1461 NL

ECLI:NL:RBDHA:2025:19219 Rechtbank Den Haag , 04-07-2025 / NL24.1459 en NL24.1461

Beroep gegrond. Eiser heeft met de in beroep overgelegde contra-expertise van de accountant alsmede met de aanvullende financiële stukken en overzichten van de accountant concrete aanknopingspunten voor twijfel heeft aangedragen aan de volledigheid en juistheid van het advies van EZK. Geen deugdelijke motivering voor het standpunt dat geen sprake is van een wezenlijk Nederlands economisch belan...

Source officielle

11 min de lecture 2 390 mots

Inhoudsindicatie. Beroep gegrond. Eiser heeft met de in beroep overgelegde contra-expertise van de accountant alsmede met de aanvullende financiële stukken en overzichten van de accountant concrete aanknopingspunten voor twijfel heeft aangedragen aan de volledigheid en juistheid van het advies van EZK. Geen deugdelijke motivering voor het standpunt dat geen sprake is van een wezenlijk Nederlands economisch belang. Verzoek om schadevergoeding in het kader van de redelijke termijn afgewezen.

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummers: NL24.1459 en NL24.1461

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , V-nummer: [V nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. E.T.P. Scheers),

en

de minister van Asiel en Migratie
, verweerder, de minister

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning regulier voor het doel ‘Arbeid als zelfstandige’. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank/de voorzieningenrechter (de rechtbank) de afwijzing van de aanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de in bezwaar gehandhaafde afwijzing van eisers aanvraag niet berust op een deugdelijke motivering. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor het doel ‘Arbeid als zelfstandige’. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van

6 februari 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 21 december 2023 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en verzocht om een voorlopige voorziening. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 5 juni 2025 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en [naam] als collega van eiser en tevens tolk. De minister heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

Met het primaire besluit heeft de minister de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning regulier voor het doel ‘Arbeid als zelfstandige’ afgewezen omdat de door eiser overgelegde stukken onvoldoende zijn om de minister van Economische Zaken en Klimaat (minister van EZK) in staat te stellen een advies uit te brengen. Eiser heeft namelijk geen ondernemingsplan overgelegd bij zijn aanvraag. Eiser komt alleen in aanmerking voor verblijf als zelfstandig ondernemer als met zijn activiteiten een wezenlijk Nederlands belang wordt gediend. De minister van EZK beoordeelt of sprake is van een wezenlijk Nederlands belang. Nu de aanvraag onvoldoende is onderbouwd kan een beoordeling door de minister van EZK onmogelijk tot een positief advies leiden en is de aanvraag niet aan de minister van EZK voorgelegd.

Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt en aangevoerd dat bij de aanvraag voor de verblijfsvergunning per abuis het ondernemingsplan niet is meegestuurd. Hij heeft daarbij alsnog het ondernemingsplan voor de onderneming [bedrijf] opgestuurd. Op 13 juli 2023 heeft hij het bezwaar aangevuld door toezending van de jaarrekening 2022. De minister heeft vervolgens het bezwaarschrift met de aanvullende stukken toegestuurd naar de minister van EZK met het verzoek om een advies uit te brengen.

Op 3 november 2023 heeft het Ministerie van EZK een advies uitgebracht. In de toelichting op het advies heeft de minister van EZK meegedeeld dat uit de jaarcijfers blijkt dat sinds de start van de onderneming in 2019 flinke verliezen zijn geleden, waardoor er sprake is van een negatieve solvabiliteit. Prognoses op het niveau van de Nederlandse onderneming zijn niet verstrekt. Het ondernemingsplan bevat onvoldoende onderbouwing om aannemelijk te maken dat het toekomstige liquiditeitsverloop positief zal zijn. Het wezenlijk Nederlands economisch belang is niet aannemelijk gemaakt. Op

14 november 2023 heeft eiser een zienswijze op het advies gegeven.

De minister heeft het advies van de minister van EZK aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd omdat het advies volgens de minister zorgvuldig tot stand is gekomen, inzichtelijk is en de conclusies aansluiten op de bevindingen.

Zijn er aanknopingspunten om te twijfelen aan het advies van de minister van EZK?

4. Eiser voert aan dat hij zich bij zijn aanvraag en in de bezwaarfase heeft laten bijstaan door de boekhouder die de administratie van eisers onderneming toen verzorgde. Deze boekhouder was echter – zo bleek later — niet bekwaam en heeft in de financiële stukken over de onderneming die in de bezwaarfase zijn overgelegd onjuiste en onvolledige gegevens opgenomen. Eiser heeft na het bestreden besluit de boekhouding overgedragen aan aan [accountant] (hierna: de accountant). Eiser kon namelijk niet inzien dat de onderneming solvabiliteitsproblemen zou hebben. De accountant heeft geconstateerd dat de voormalig boekhouder van eiser steeds onjuiste informatie heeft verstrekt met betrekking tot de financiële situatie van eisers onderneming. Eiser heeft in beroep nieuwe financiële stukken overgelegd met als onderbouwing daarbij een accurate, transparante administratie en realistische financiële overzichten. Ook heeft eiser diploma’s en een contra-expertise van de accountant overgelegd. Hieruit blijkt volgens eiser dat zijn onderneming juist winst heeft gemaakt. Uit het advies van de minister van EZK blijkt dat het negatieve advies voornamelijk is gegeven vanwege de solvabiliteit van de onderneming en het feit dat eisers onderneming verlies heeft geleden. Echter, de informatie waarvan de minister is uitgegaan was volgens eiser niet correct, waardoor het advies niet is gebaseerd op de juiste gegevens.

5. De rechtbank overweegt als volgt. Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat een advies van de minister van EZK kan worden aangemerkt als een deskundigenadvies aan de minister ten behoeve van de uitoefening van de bevoegdheden van de minister. Daartoe dient het advies naar wijze van totstandkoming zorgvuldig te zijn. Ook moet het advies naar inhoud inzichtelijk zijn en moeten de conclusies aansluiten op de bevindingen. Indien aan deze eisen is voldaan, mag de minister het advies aan de besluitvorming ten grondslag leggen, tenzij er concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het advies.

De accountant heeft in de contra-expertise gemotiveerd de bevinding van de minister van EZK betwist dat uit de jaarcijfers blijkt dat sinds de start van de onderneming in 2019 flinke verliezen zijn geleden, waardoor er sprake is van een negatieve solvabiliteit en dat het ondernemingsplan onvoldoende onderbouwing bevat om aannemelijk te maken dat het toekomstige liquiditeitsverloop positief zal zijn. De contra-expertise is opgesteld op basis van de aangeleverde documentatie, die volgens de accountant aantoont dat de onderneming van eiser voldoet aan de gestelde criteria en een duidelijke meerwaarde biedt voor de Nederlandse economie. Volgens de accountant verkeert de onderneming in een gezonde financiële positie. De solvabiliteitsratio's over de afgelopen jaren bevestigen deze conclusie, met de volgende uitkomsten: 2020: 0,98; 2021: 0,48; 2022: 0,66; en 2023: 0,68. Deze cijfers staan in contrast met de eerder onjuist aan de minister van EZK verstrekte gegevens. Wat betreft de liquiditeit constateert de accountant over de beschouwde jaren een ratio van telkens boven de 1,0. Dit impliceert dat de onderneming voor elke euro aan kortlopende verplichtingen meer dan één euro aan vlottende activa beschikbaar heeft. De

onderneming beschikt daarmee structureel over voldoende middelen om aan haar directe betalingsverplichtingen te voldoen. Vanaf boekjaar 2023 noteert de onderneming positieve resultaten. Hierbij dient echter de kanttekening te worden geplaatst dat de negatieve resultaten over de jaren 2020 tot en met 2022 grotendeels het gevolg zijn van de relatief hoge salariskosten van de directeur-grootaandeelhouder (DGA) en diens echtgenote, die eveneens in loondienst was. Deze hoge lasten hadden, gelet op de omstandigheden, voorkomen kunnen worden. Immers, in overleg met de Belastingdienst kan het gebruikelijk loon van de DGA tijdelijk worden verlaagd, en in specifieke situaties zelfs op nihil worden vastgesteld. Indien van deze regeling gebruik was gemaakt, hadden de personeelslasten in genoemde jaren significant lager kunnen uitvallen. In dat geval zouden de resultaten over 2020 en 2021 vermoedelijk eveneens positief zijn geweest.

De rechtbank is van oordeel dat eiser met de in beroep overgelegde contra-expertise van de accountant van 15 mei 2025 alsmede met de aanvullende financiële stukken en overzichten van de accountant van 12 februari 2024 concrete aanknopingspunten voor twijfel heeft aangedragen aan de volledigheid en juistheid van het advies van EZK. Nu het standpunt van de minister dat er in het geval van eiser geen sprake is van een wezenlijk Nederlands economische belang is gebaseerd op het advies van EZK, berust dit standpunt niet op een deugdelijke motivering. Deze beroepsgrond slaagt en het bestreden besluit zal daarom worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

Redelijke termijn

Eiser verzoekt om schadevergoeding op grond van overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het EVRM. Nu het bezwaarschrift reeds op

22 februari 2023 is ingediend, is de redelijke termijn die staat voor de behandeling in bezwaar – een halfjaar – en daarboven de behandeling in beroep – anderhalf jaar – van twee jaar inmiddels verstreken.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling noopt het rechtszekerheidsbeginsel (dat mede aan artikel 6 van het EVRM ten grondslag ligt) ertoe dat een bestuursrechtelijk geschil binnen een redelijke termijn wordt beslecht, in voorkomend geval na behandeling door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. De vraag of de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis: de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van eiser gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep bij de rechtbank ten hoogste anderhalf jaar duren. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.

De rechtbank overweegt dat de termijn in beginsel aanvangt op het moment dat het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. In dit geval is het bezwaarschrift door de minister ontvangen op 22 februari 2023. Omdat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar mag duren had de minister uiterlijk op 22 augustus 2023 moeten beslissen op het bezwaar. De minister heeft het bestreden besluit genomen op

21 december 2023. De behandeling van het bezwaar heeft dus langer geduurd dan een half jaar, namelijk tien maanden. De rechtbank is echter van oordeel dat er omstandigheden zijn die de langere behandelduur van het bezwaar rechtvaardigen. In bezwaar heeft eiser namelijk pas de benodigde stukken voor de aanvraag overgelegd waarna deze ter advies konden worden voorgelegd aan de minister van EZK. Daarnaast heeft de behandeling van het beroep bij de rechtbank niet langer geduurd dan anderhalf jaar. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding daarom af.

Conclusie en gevolgen

Omdat sprake is van concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van het advies van de minister van EZK, is de op dit advies gebaseerde conclusie van de minister dat met eisers onderneming geen wezenlijk Nederlands belang is gediend, onvoldoende gemotiveerd.

Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank draagt de minister daarbij op om de overgelegde contra-expertise van de accountant met alle daarbij behorende onderliggende stukken – eventueel in samenhang met de eerder overgelegde stukken – voor te leggen aan de minister van EZK ter advisering. De rechtbank stelt daarom een termijn van 10 weken voor het nieuw op het bezwaar te nemen besluit.

Nu met deze uitspraak op het beroep van eiser is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Eiser mag het nieuwe besluit op bezwaar in Nederland afwachten zoals verweerder in het primaire besluit ook zelf heeft overwogen. Het verzoek hiertoe wordt daarom afgewezen.

Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt de proceskosten van eiser met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.721,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak NL24.1459:

— verklaart het beroep gegrond;

— vernietigt het bestreden besluit;

— draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

— wijst het verzoek om schadevergoeding af;

in de zaak NL24.1461:

— wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

in beide zaken:

— bepaalt dat de minister het griffierecht van € 374,- aan eiser moet vergoeden;

— veroordeelt de minister tot betaling van € 2.721,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.C.M. Schilder, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

  1. Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
  2. Zaak NL24.1461.
  3. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
  4. Zie de uitspraken van de Afdeling van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188 en 11 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2168.

Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.