ECLI:NL:RBDHA:2025:19233 Rechtbank Den Haag , 18-07-2025 / NL23.37817
Tweede beroepsprocedure over een afgewezen mvv-aanvraag ten behoeve van Syrische (groot)moeder. Gelet op de Brummenleer zal de rechtbank alleen de door eiseres aangevoerde beroepsgronden tegen de gemaakte belangenafweging tussen haar en haar kleinkinderen en de Nederlandse Staat toetsen. De rechtbank is van oordeel dat de belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM niet deugdelijk is g...
14 min de lecture · 2 868 mots
Inhoudsindicatie. Tweede beroepsprocedure over een afgewezen mvv-aanvraag ten behoeve van Syrische (groot)moeder. Gelet op de Brummenleer zal de rechtbank alleen de door eiseres aangevoerde beroepsgronden tegen de gemaakte belangenafweging tussen haar en haar kleinkinderen en de Nederlandse Staat toetsen. De rechtbank is van oordeel dat de belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM niet deugdelijk is gemotiveerd. Het gewicht dat verweerder aan de aard en intensiteit van de gezinsband, de objectieve belemmering en economisch belang heeft toegekend is onvoldoende gemotiveerd. Beroep gegrond.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.37817
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], eiseres,
V-nummer: [nummer]
gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer,
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
gemachtigde: mr. A. Sarmastzada,
en
de Staat der Nederlanden.
Procesverloop
Bij besluit van 24 mei 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder de ten behoeve van eiseres ingediende aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel ‘verblijf bij familie- of gezinslid bij [naam 1] (referent) op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)’ afgewezen.
Bij besluit van 18 januari 2023 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft op 15 februari 2023 tegen dit besluit beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 9 oktober 2023 (NL23.4789) heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en verweerder opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
Bij besluit van 6 november 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres opnieuw ongegrond verklaard.
Eiseres heeft op 1 december 2023 beroep tegen het bestreden besluit ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2025 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Ook zijn verschenen referent, zijn zoon [naam 2] met als begeleider van Nidos [naam 3], en de tolk [naam 4].
Overwegingen
Inleiding
1. Voor de feiten verwijst de rechtbank naar de uitspraak van 9 oktober 2023.
Het bestreden besluit
2. Het bestreden besluit houdt – samengevat – het volgende in. Eiseres voldoet nog steeds niet aan de voorwaarden voor de gevraagde mvv. Het niet toestaan van verblijf aan eiseres in Nederland is namelijk niet in strijd met artikel 8 van het EVRM. Tussen eiseres en referent en haar schoondochter bestaat geen beschermingswaardig familie- of gezinsleven omdat zij niet ‘een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie’ hebben. Tussen eiseres en de kinderen van referent bestaat wel beschermingswaardig familieleven omdat er sprake is van persoonlijke en hechte banden. Verweerder heeft de belangenafweging echter op grond van artikel 8 van het EVRM (opnieuw) in het nadeel van eiseres en referent en haar schoondochter en kleinkinderen laten uitvallen.
Wettelijk kader
3. De relevante wet- en regelgeving staat in de bijlage bij deze uitspraak.
Omvang van het geding
4. De rechtbank stelt vast dat de omvang van het geding wordt bepaald door de uitspraak van deze rechtbank van 9 oktober 2023. In die uitspraak heeft de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud geoordeeld over de beroepsgronden gericht tegen de beoordeling van verweerder van het door eiseres voorgestane verblijfsrecht bij referent en haar schoondochter op grond van artikel 8 van het EVRM. Tegen deze uitspraak hebben partijen geen hoger beroep ingesteld, zodat deze uitspraak in rechte vaststaat. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat (ten tijde van het bestreden besluit) niet is gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden, dient de rechtbank in deze beroepsprocedure van de juistheid van het eerder gegeven oordeel over die beroepsgronden uit te gaan. Dat volgt uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) over de zogenoemde Brummenleer (zie de uitspraak van 17 mei 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AX2074). Dat betekent dat de rechtbank alleen de door eiseres aangevoerde beroepsgronden tegen de gemaakte belangenafweging tussen haar en haar kleinkinderen en de Nederlandse Staat zal toetsen.
Beoordeling
5. Eiseres betoogt dat verweerder de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM ten onrechte in haar nadeel heeft laten uitvallen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij zijn belangenafweging alle op dat moment bekende en door eiseres aannemelijk gemaakte feiten en omstandigheden betrokken. De rechtbank beoordeelt hierna of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de belangenafweging in het nadeel van eiseres uitvalt.
Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de aard en intensiteit van het gezinsleven met de kleinkinderen niet in het voordeel van eiseres weegt. Daarbij heeft verweerder overwogen dat dit gezinsleven op afstand kan worden voortgezet. Eiseres betoogt terecht dat verweerder er hiermee ten onrechte aan voorbij gaat dat contact via videobellen in dit geval onvergelijkbaar is met de wijze waarop eiseres met de kleinkinderen in Syrië heeft samengeleefd. Eiseres heeft namelijk vanaf hun geboorte samengewoond met de kleinkinderen, zorgtaken op zich genomen, geslapen op dezelfde kamer als de kleinkinderen en was een tweede moeder voor haar kleinkinderen, zeker nadat referent in september 2019 uit Syrië was gevlucht tot aan de aankomst van de schoondochter en de kleinkinderen in Nederland in augustus 2022. De kleinkinderen hebben daardoor intensief fysiek samengeleefd met eiseres. In het bestreden besluit heeft verweerder ook aannemelijk geacht dat het gezinsleven tussen eiseres en haar kleinkinderen na het vertrek van referent intensiever is geworden. Verweerder heeft echter niet onderkend dat eiseres in die tijd de rol heeft vervuld van een vervangende ouder. Met de overweging dat de echtgenote van referent altijd de primair opvoeder en verzorger is gebleven voor de kinderen, dat het belang van de kinderen geacht wordt te zijn gediend bij samenleving, opvoeding en verzorging met/door referent en zijn echtgenote en van de kinderen gezien hun leeftijd mag worden verwacht dat zij zich in toenemende mate kunnen aanpassen aan de nieuwe situatie, is verweerder daaraan ten onrechte voorbij gegaan. Verder geldt (blijkens de tijdens de hoorzitting van 27 december 2022 afgelegde verklaringen) dat in eerdere periodes, dus voor het vertrek van referent, eiseres en het gezin op dagelijkse basis samen bombardementen hebben meegemaakt. Verondersteld mag worden dat deze gedeelde ervaringen de emotionele band tussen eiseres en de kleinkinderen sterker maakt. Weliswaar heeft verweerder deze omstandigheid betrokken bij de beoordeling van de vraag of sprake is van beschermingswaardige gezinsleven tussen eiseres en referent en haar schoondochter maar niet bij de weging van de aard en intensiteit van het gezinsleven met de kleinkinderen in het kader van de belangenafweging. Van belang is ook dat de begeleider van Nidos ter zitting heeft gesteld dat de fysieke aanwezigheid van eiseres zal bijdragen aan de ontwikkeling van de kleinkinderen, hetgeen de rechtbank ook aannemelijk acht. Daar komt bij dat verweerder niet heeft onderkend dat de omstandigheid dat eiseres en haar kleinkinderen (noodgedwongen) het contact via videobellen al zo lang volhouden deels door hemzelf is veroorzaakt. Niet alleen heeft verweerder eerder een ondeugdelijk besluit op bezwaar genomen, daarvoor was ook al sprake van overschrijding van de beslistermijn. De mvv-aanvraag is ingediend op 3 augustus 2021. Verweerder moet in beginsel binnen 90 dagen na ontvangst van de aanvraag een besluit nemen. Bij brief van 16 augustus 2021, waarbij de ontvangst van de mvv-aanvraag is bevestigd, heeft verweerder deze termijn met drie maanden verlengd. De beslistermijn was dus op 3 februari 2022 verstreken. Verweerder heeft pas eerst op 24 mei 2022 – ruim tweeëneenhalve maand later – op de mvv-aanvraag beslist. Dit alles maakt dat het gewicht dat verweerder heeft toegekend aan de aard en intensiteit van de gezinsband tussen eiseres en haar kleinkinderen onvoldoende is gemotiveerd.
Verweerder heeft in het bestreden besluit een objectieve belemmering aangenomen. Dat betekent dat verweerder ervan uitgaat dat het gezinsleven niet in Syrië kan worden uitgeoefend. Van verweerder mag dan worden verlangd dat hij verder toelicht waarom dit niet doorslaggevend is. Ook in dit kader heeft verweerder overwogen dat met het onderhouden van telefonisch contact een passende invulling kan worden gegeven aan het gezinsleven tussen eiseres en haar kleinkinderen. Verweerder houdt daarmee opnieuw geen rekening met de wijze waarop het gezinsleven werd uitgeoefend vóór het vertrek van de kleinkinderen. Dit maakt dat het standpunt van verweerder dat er minder gewicht wordt toegekend aan de objectieve belemmering onvoldoende is gemotiveerd.
Verweerder heeft, terecht, in het bestreden besluit bij de beoordeling van het economische belang betrokken dat referent een uitkering op grond van de Participatiewet heeft en niet beschikt over inkomen uit arbeid. Voorts heeft verweerder in dit verband genoemd dat referent is geslaagd voor het inburgeringsexamen op niveau A2, bezig is met het halen van B1 niveau, binnenkort start met een zorgopleiding en actief op zoek is naar betaald werk. Uit deze enkele opsomming blijkt echter niet wat deze inspanningen van referent concreet betekenen voor verweerders standpunt over het economisch belang van Nederland. Dat had wel gemoeten. Uit de Afdelingsuitspraken van 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4912 en 4 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1506, volgt namelijk dat verweerder bij de beoordeling van de mate van financiële onafhankelijkheid rekening moet houden met het antwoord op de vraag in hoeverre een referent heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht mag worden om in de kosten van het onderhoud van zijn gezinsleden te voorzien. Op zitting hebben referent en de gemachtigde van eiseres toegelicht dat referent inmiddels is geslaagd voor het inburgeringsexamen op B1 niveau, zijn diploma van de Universiteit van Aleppo heeft laten waarderen en een BBL-opleiding (een Mbo-opleiding op niveau 4) volgt, waarbij hij drie dagen betaald werk op zijn leerplek verricht. Hoewel strikt genomen verweerder ten tijde van het bestreden besluit met deze omstandigheden geen rekening kon houden, ziet de rechtbank aanleiding om te oordelen dat het, gelet op de achtergrond van referent en zijn eerdere inspanningen, op dat moment al ook goed voorstelbaar was dat referent in staat is toe te werken naar financiële onafhankelijkheid. Dit alles doet afbreuk aan de mate waarin verweerder in het nadeel heeft meegewogen dat referent niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Gelet op al het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM niet deugdelijk is gemotiveerd. Deze beroepsgrond slaagt.
Conclusie
7. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten, gelet op de aard en omvang van de gebreken. Verweerder zal opnieuw op het door eiseres gemaakte bezwaar moeten beslissen, met inachtneming van deze uitspraak. Meer specifiek zal verweerder de belangenafweging als bedoeld in artikel 8 van het EVRM opnieuw moeten maken. Daarbij zal verweerder ook de op zitting toegelichte inspanningen van referent om toe te werken naar financiële onafhankelijkheid moeten betrekken. Verweerder moet immers beslissen op basis van de zich dan voordoende feiten en omstandigheden.
8. Omdat eiseres is ontheven van betaling van griffierechten, bestaat er voor een veroordeling van de door eiseres betaalde griffierechten geen aanleiding.
9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, veroordeelt zij verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1).
Redelijke termijn
10. Eiseres heeft verzocht om toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling (zie de uitspraak van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188) volgt dat de redelijke termijn over binnenkomst, verblijf en uitzetting van vreemdelingen in twee instanties in beginsel twee jaar bedraagt. Die termijn bestaat uit de samengenomen termijnen van een half jaar voor de bezwaarfase en anderhalf jaar voor de beroepsfase. De redelijke termijn vangt aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. Als een zaak na een eerdere vernietiging opnieuw aan de rechter wordt voorgelegd, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig toegerekend aan het bestuursorgaan, tenzij in de rechterlijke fase de redelijke behandelingsduur is overschreden. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar, of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
In deze zaak is de redelijke termijn aangevangen op 8 juni 2022, de datum waarop verweerder het bezwaarschrift heeft ontvangen. Twee jaar daarna, op 8 juni 2024 is de redelijke termijn verstreken. Inmiddels is de redelijke termijn dus ongeveer met een jaar en anderhalve maand overschreden. Niet is gebleken van factoren die aanleiding kunnen geven deze overschrijding gerechtvaardigd te achten. Eiseres heeft recht op een schadevergoeding
van in totaal € 1.500,-.
De termijnoverschrijding is gedeeltelijk aan verweerder en gedeeltelijk aan de rechtbank te wijten. In de eerste beroepsprocedure is de termijn van achttien maanden niet overschreden (15 februari 2023 tot 9 oktober 2023). In de tweede beroepsprocedure is de termijn van achttien maanden wel overschreden (van 1 december 2023 tot heden). De overschrijding aan de zijde van de rechtbank bedraagt ongeveer anderhalve maand. Tussen het bezwaarschrift en het bestreden besluit zit een periode van afgerond achttien maanden
(8 juni 2022 tot 1 december 2023). De overschrijding aan de zijde van verweerder bedraagt twaalf maanden. Het totale bedrag van € 1.500,- zal voor 12/13,5 (= € 1.333,-) worden toegerekend aan verweerder en voor 1,5/13,5 (= € 167,-) aan de rechtbank.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt verweerder tot betaling van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 1.333,-;
veroordeelt de Staat der Nederlanden tot een betaling van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 167,-; en
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,-;
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Bes, griffier.
Bijlage: — wettelijk kader
Vreemdelingenwet 2000
Op grond van artikel 2p, eerste lid, kan Onze Minister een machtiging tot voorlopig verblijf verlenen aan de vreemdeling ten aanzien van wie is aangetoond dat hij voldoet aan de vereisten voor toegang en verlening van een verblijfsvergunning.
Op grond van artikel 2q, eerste lid, kan Onze Minister een machtiging tot voorlopig verblijf weigeren indien ten aanzien van de vreemdelingen niet is aangetoond dat deze voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 2p, eerste lid, onverminderd het tweede lid van dat artikel.
Op grond van artikel 13 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd indien:
a. internationale verplichtingen daartoe nopen;
b. met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, of
c. klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.
Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder g, kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 worden afgewezen indien de vreemdeling niet voldoet aan de beperking, verband houdende met het doel waarvoor hij wil verblijven.
Vreemdelingencirculaire 2000
Op grond van paragraaf B7/3.8.1 neemt de IND familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM aan tussen meerderjarigen als sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie (more than normal emotional ties).
Op grond van paragraaf B7/3.8.3 van de Vc 2000 neemt de IND om te kunnen bepalen of weigering van (voortzetting van) het verblijf van de vreemdeling in strijd is met artikel 8 EVRM, alle relevante feiten en omstandigheden in ogenschouw en brengt deze tot uitdrukking in een belangenafweging. Welke belangen de IND bij de belangenafweging betrekt, hangt af van de concrete individuele casus. Van belang is dat het gaat om de feitelijke situatie in het individuele geval, die per casus verschilt. Aangezien het gaat om de beoordeling en afweging van diverse belangen van verschillende aard, heeft de IND hierbij een zekere beoordelingsvrijheid.
Bij de weigering van voortgezet verblijf is de uitgangspositie van de vreemdeling sterker dan bij eerste toelating van de vreemdeling tot het Nederlandse grondgebied. De omstandigheid dat nooit sprake is geweest van rechtmatig verblijf betrekt de IND ten nadele van de vreemdeling bij deze belangenafweging.
Dit laat onverlet dat ook als geen sprake is van inmenging de IND een belangenafweging maakt tussen de belangen van de Staat en die van de vreemdeling.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...