ECLI:NL:RBDHA:2025:19346 Rechtbank Den Haag , 18-07-2025 / NL24.13429 en NL23.22613
nieuw beleid per 1 oktober 2022 voor turkse onderdanen die arbeid willen verricten als zelfstandige. Vraag of verweerder het mvv-vereiste mag tegenwerpen is al beoordeeld door de MK. Bijzondere omstandigheden, hoorplicht, beroep ongegrond.
Calcul en cours · 0
Inhoudsindicatie. nieuw beleid per 1 oktober 2022 voor turkse onderdanen die arbeid willen verricten als zelfstandige. Vraag of verweerder het mvv-vereiste mag tegenwerpen is al beoordeeld door de MK. Bijzondere omstandigheden, hoorplicht, beroep ongegrond.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.13429 (beroep) en NL23.22613 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. B. Aydin),
en
de minister van Asiel en Migratie
, de minister
(gemachtigde: mr. A. de Graaf).
Procesverloop
1. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid als zelfstandige. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 25 juli 2023 afgewezen omdat eiser niet over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) beschikte. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Met het bestreden besluit van 26 februari 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond
2. Deze zaak gaat over het mvv-vereiste voor Turkse onderdanen die in Nederland als zelfstandige arbeid willen verrichten. Per 1 oktober 2022 wordt van Turkse zelfstandigen verlangd dat zij (eerst) moeten beschikken over een mvv. Zij komen alleen nog op grond van het Turks associatierecht voor vrijstelling van het mvv-vereiste in aanmerking als zij aan alle voorwaarden van de vergunning voldoen én er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat het verlangen van een mvv onevenredig is.
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met het verblijfsdoel ‘arbeid als zelfstandige’ om zijn eenmanszaak ‘[naam]’ te kunnen voeren.
Mvv-vereiste
3. De rechtbank stelt vast dat eisers beroepsgronden die zien op het door de minister in het bestreden besluit tegengeworpen mvv-vereiste al inhoudelijk zijn beoordeeld in de uitspraak van 7 november 2024 van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats. De rechtbank ziet in onderhavige procedure geen aanleiding om anders te oordelen dan de meervoudige kamer in voornoemde uitspraak al heeft gedaan. De rechtbank verwijst dan ook voor haar motivering naar deze uitspraak en maakt de rechtsoverwegingen van die uitspraak die zien op het mvv-vereiste de hare. Eisers betoog slaagt dus niet.
Bijzondere omstandigheden
4. Eisers beroep op bijzondere individuele omstandigheden slaagt evenmin. Uit het beleid van de minister volgt dat het aan de vreemdeling is om de eventuele bijzondere individuele omstandigheden bij indiening van de aanvraag aan te voeren en met bewijsmiddelen te onderbouwen. Dat heeft eiser niet gedaan. De rechtbank is van oordeel dat het gevolg hiervan is dat de minister de eventuele bijzondere individuele omstandigheden niet heeft kunnen wegen bij het bestreden besluit.
Hoorplicht
5. Eisers beroep op de hoorplicht is ook inhoudelijk beoordeeld in de uitspraak van
7 november 2024. De rechtbank ziet in deze procedure geen aanleiding om anders te oordelen dan de meervoudige kamer in voornoemde uitspraak al heeft gedaan. De rechtbank verwijst dan ook voor haar motivering naar deze uitspraak en maakt de rechtsoverweging die op de hoorplicht ziet de hare. Voorgaande betekent dat het gebrek gepasseerd wordt met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat aannemelijk is dat eiser niet is benadeeld.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond.
De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. Nu de rechtbank op het beroep heeft beslist, bestaat er geen aanleiding meer tot het treffen van de gevraagde voorziening.
Omdat de rechtbank artikel 6:22 van de Awb heeft toegepast, moet de minister de griffierechten aan eiser vergoeden. Ook krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.721,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank, in de zaak NL24.13429:
— verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak NL23.22613:
— wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
De rechtbank/voorzieningenrechter, in beide zaken:
— draagt de minister op het betaalde griffierecht van in totaal € 371,- aan eiser te vergoeden;
— veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.721,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van
mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Voetnoten
- Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
- Dit verzoek is op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). gelijkgesteld met een verzoek om een voorlopige voorziening hangende beroep.
- Zie paragraaf B1/4.1.2 van de Vc 2000.
- Zie de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 7 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:18426.
- Paragraaf B1/4.1.2 van de Vc 2000.
- Zie de uitspraak van 7 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:18426.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...