ECLI:NL:RBDHA:2025:20396 Rechtbank Den Haag , 03-11-2025 / NL23.6652

Mvv nareis – jongvolwassenenbeleid – bijkomende elementen van afhankelijkheid – 8 EVRM – beroep ongegrond

Source officielle

10 min de lecture 1 988 mots

Inhoudsindicatie. Mvv nareis – jongvolwassenenbeleid – bijkomende elementen van afhankelijkheid – 8 EVRM – beroep ongegrond

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL23.6652

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. M. van Werven),

en

de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).

Procesverloop

Bij besluit van 26 oktober 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van [referent] (referent) om verlening van een mvv in het kader voor nareis voor eiseres afgewezen.

Bij besluit van 18 januari 2021 heeft verweerder het gemaakte bezwaar tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 augustus 2021 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het daartegen door eiseres ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 18 januari 2021 vernietigd en is verweerder opgedragen om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar.

Bij besluit van 26 augustus 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar opnieuw kennelijk ongegrond verklaard.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het beroep is door de rechtbank doorgezonden naar de Afdeling.

Bij uitspraak van 24 februari 2023 heeft de Afdeling het beroep naar de rechtbank verwezen om door haar te worden behandeld.

Op 28 maart 2025 heeft verweerder een aanvullend besluit genomen. Bij dit besluit is het bezwaar ongegrond verklaard.

Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep mede betrekking op het aanvullend besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen referent, de gemachtigde van eiseres, en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiseres is geboren op [datum] 2000 en heeft de Chinese nationaliteit. Referent is de vader van eiseres. Referent heeft voor eiseres een aanvraag ingediend voor een mvv in het kader van nareis.

2. De aanvraag is door verweerder afgewezen bij het primaire besluit en het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 18 januari 2021 kennelijk ongegrond verklaard. Het daartegen door eiseres ingestelde beroep is door de rechtbank gegrond verklaard bij uitspraak van 5 augustus 2021. De rechtbank heeft overwogen dat het jongvolwassenenbeleid niet van toepassing is op eiseres. Verder heeft de rechtbank vastgesteld dat aan het besluit van 18 januari 2021 een zorgvuldigheidsgebrek kleeft, omdat verweerder eiseres en referent niet volledig heeft geïnformeerd over de gevolgen van de afwijzing van de aanvraag en hen niet heeft gewezen op de reguliere procedure. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van een oordeel in het kader van artikel 4:84 van de Awb. De rechtbank heeft verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar wederom kennelijk ongegrond verklaard. Verweerder overweegt allereerst onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank van 5 augustus 2021 dat hij op goede gronden heeft geoordeeld dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij feitelijk deel uitmaakt van het gezin van referent. Daarnaast voldoet eiseres niet aan de voorwaarden van artikel 29, tweede lid, van de Vw en om die reden is niet verder getoetst aan andere gronden zoals artikel 8 van het EVRM. Daarbij heeft verweerder eiseres geïnformeerd over de mogelijkheid om een mvv-aanvraag te doen voor het verblijfsdoel ‘familie en gezin’ indien zij op basis van artikel 8 van het EVRM bij referent wil verblijven. Ten aanzien van artikel 4:84 van de Awb heeft verweerder overwogen dat dit artikel geen bevoegdheid toekent om af te wijken van artikel 29, tweede lid, van de Vw. Verder is geen sprake van bijzondere omstandigheden die een onevenredige uitwerking hebben.

4. Op 1 november 2024 heeft verweerder de rechtbank verzocht om aanhouding van het beroep tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft daarbij toegelicht dat het na bestudering van het dossier noodzakelijk word geacht om eiseres dan wel referent te horen en daarna een aanvullend besluit te nemen. Hiermee is de rechtbank akkoord gegaan, waarna verweerder op 6 februari 2025 referent heeft gehoord en op 28 maart 2025 een aanvullend besluit heeft genomen. In aanvulling op het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat in rechte is komen vast te staan dat eiseres niet onder het jongvolwassenenbeleid valt en dat artikel 4:84 van de Awb geen ruimte biedt om af te wijken van het in rechte vaststaande feiten en omstandigheden. Daarnaast heeft verweerder doorgetoetst of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referent en geconcludeerd dat daarvan geen sprake is. Tot slot heeft verweerder ambtshalve doorgetoetst aan artikel 8 van het EVRM en geconcludeerd dat geen sprake is van beschermenswaardig familie- en gezinsleven tussen eiseres en referent.

5. Eiseres voert tegen het bestreden besluit het volgende aan. Verweerder heeft ten onrechte niet beoordeeld of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referent. Daarnaast heeft verweerder miskend dat het vasthouden aan de bepalingen in het jongvolwassenenbeleid leidt tot een onevenredige uitkomst in verhouding met de door de beleidsregels te dienen doelen. Ook heeft verweerder niet alle omstandigheden van het geval voldoende meegenomen bij de beoordeling of sprake is van een bijzondere omstandigheid die noopt tot afwijking van het beleid. Tot slot heeft verweerder ten onrechte afgezien van het horen van eiseres en referent.

Tegen het aanvullend besluit voert eiseres het volgende aan. De uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2024 vormt een bijzondere omstandigheid op grond waarvan verweerder van het beleid moet afwijken. De wijze waarop verweerder het jongvolwassenenbeleid heeft toegepast geeft namelijk geen blijk van een individuele beoordeling waarbij, in overeenstemming met de Afdelingsuitspraak, rekening wordt gehouden met alle feiten en omstandigheden. Eiseres wijst daarbij op diverse omstandigheden die volgens haar in het bijzonder van belang zijn bij de beoordeling, waaronder de noodgedwongen scheiding tussen haarzelf en referent. Verder heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat geen sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft diverse omstandigheden in onvoldoende mate betrokken bij deze beoordeling. Tot slot had verweerder een belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM moeten uitvoeren, omdat wel degelijk sprake is van beschermenswaardig gezinsleven.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Aanvullend besluit

6. De rechtbank stelt vast dat verweerder hangende het beroep het noodzakelijk heeft geacht om referent te horen en een aanvullend besluit te nemen waarin verweerder heeft beoordeeld of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid en familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Hierin ligt besloten dat verweerder erkent dat het bestreden besluit een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek kende. Dit gebrek in de besluitvorming is echter met het aanvullende besluit hersteld. Eiseres heeft hier in beroep op kunnen reageren. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om met toepassing van artikel 6:22 van de Awb dit gebrek te passeren, nu niet aannemelijk is dat eiseres hierdoor in haar belangen is geschaad.

Jongvolwassenenbeleid

7. In de uitspraak van 4 augustus 2021 heeft de rechtbank geoordeeld dat het jongvolwassenenbeleid niet van toepassing is op eiseres. Dit oordeel is bevestigd door de Afdeling bij uitspraak van 24 februari 2023 en staat daarmee in rechte vast.

8. Eiseres wordt niet gevolgd in haar stelling dat verweerder aanleiding had moeten zien om af te wijken van het in rechte vaststaande oordeel dat het jongvolwassenenbeleid in het geval van eiseres niet van toepassing is. Eiseres heeft geen dusdanige omstandigheden aangevoerd op grond waarvan verweerder had moeten concluderen dat niet langer van dit oordeel kan worden uitgegaan. Daarbij is van belang dat de in dit kader aangevoerde omstandigheden reeds in de vorige procedure aan de orde zijn gesteld. Daarnaast heeft verweerder ook in het bestreden besluit gemotiveerd uiteengezet waarom de aangevoerde omstandigheden, waaronder het gedwongen vertrek, geen dermate bijzondere omstandigheden zijn dat sprake is van een onevenredige uitwerking. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2024 geen doel treft, nu alle omstandigheden zijn betrokken bij de besluitvorming.

Artikel 8 van het EVRM

9. Eiseres wordt ook niet gevolgd in haar stelling dat onvoldoende is gemotiveerd dat geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft deugdelijk gemotiveerd dat niet is gebleken van bijkomende

elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referent op grond waarvan familie- of gezinsleven zou moeten worden aangenomen. Verweerder heeft in dit verband alle omstandigheden meegewogen, waaronder dat eiseres en referent hebben samengewoond tot aan het vertrek van referent in 2011. Verweerder heeft hierover kunnen overwegen dat samenwoning van ouders met minderjarige kinderen gebruikelijk is en dat daarom de samenwoning tot 2011 niet maakt dat sprake is van een bijkomend element van afhankelijkheid. Dat eiseres en referent niet hebben samengewoond tijdens de meerderjarigheid van eiseres hangt samen met het gedwongen vertrek van referent en heeft verweerder daarom niet tegengeworpen. Dit laat onverlet dat verweerder wel bij de beoordeling heeft mogen betrekken dat eiseres en referent inmiddels al ongeveer 13 jaar niet meer samenwonen. Dat zij elkaar hebben bezocht in Indonesië heeft verweerder verder geen omstandigheid hoeven vinden die duidt op een bijkomend element van afhankelijkheid. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat niet is gebleken dat de keuze om elkaar in Indonesië te bezoeken is ingegeven omdat eiseres anders niet kon functioneren en dat eiseres en referent in Indonesië beiden zelfstandig functioneerden. De samenwoning van eiseres met haar moeder heeft verweerder ook terecht niet aangemerkt als bijkomend element van afhankelijkheid, nu de beoordeling ziet op de afhankelijkheid tussen eiseres en referent. Ook is niet gebleken dat eiseres praktisch afhankelijk is van referent, nu zij zich al ruime periode zonder hem weet staande te houden. Voor wat betreft de financiële afhankelijkheid heeft verweerder kunnen overwegen dat de enkele financiële ondersteuning onvoldoende is om te duiden op een bijkomend element van afhankelijkheid. Verder is de gezondheid van eiseres goed en is niet gebleken dat zij vanwege haar gezondheid afhankelijk is van referent. Tot slot heeft verweerder bij deze beoordeling kunnen betrekken dat eiseres sterke banden heeft met China, haar land van herkomst.

10. Nu verweerder terecht heeft geconcludeerd dat geen sprake is van familie- of gezinsleven, was verweerder niet gehouden om een belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM te maken.

Conclusie

11. Het beroep is ongegrond.

12. Vanwege het toepassen van artikel 6:22 van de Awb ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1814 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907 en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

— verklaart het beroep ongegrond;

— veroordeelt verweerder in de proceskosten in beroep voor een bedrag van € 1814, te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan op 3 november 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op http://www.rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

  1. Machtiging tot voorlopig verblijf.
  2. Zaaknummer AWB 21/951.
  3. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
  4. Zaaknummer 202105705/1/V2.
  5. Algemene wet bestuursrecht.
  6. Vreemdelingenwet 2000.
  7. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.
  8. ECLI:NL:RVS:2024:4631

Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.