Pays-Bas Rechtbank Den Haag Divers 24 октября 2025 N° NL24.7212 NL

ECLI:NL:RBDHA:2025:21468 Rechtbank Den Haag , 24-10-2025 / NL24.7212

Derdelanders richtlijn tijdelijke bescherming (RTB) - verweerder mocht tijdelijke bescherming beeindigen - beroep ongegrond.

Source officielle

8 min de lecture 1 542 mots

Inhoudsindicatie. Derdelanders richtlijn tijdelijke bescherming (RTB) — verweerder mocht tijdelijke bescherming beeindigen — beroep ongegrond.

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.7212

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A. Hanna),

en

de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. F.E. Mahler).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het aan hem opgelegde terugkeerbesluit.

Verweerder heeft met het besluit van 4 juli 2025 aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd en bepaald dat hij binnen vier weken na de uitspraak op dit beroep Nederland dient te verlaten.

De rechtbank heeft het beroep op 1 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, A,. Agayev, als waarnemer van zijn gemachtigde, B. Zaghdoud als tolk, en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2000 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiser verbleef op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne op het moment dat de invasie van Oekraïne door de Russische strijdkrachten begon. Van 23 november 2022 tot 4 maart 2024 heeft eiser rechtmatig verblijf in Nederland gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming.

3. Op 21 februari 2024 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming van rechtswege eindigt per 4 maart 2024, nu niet langer facultatieve tijdelijke bescherming wordt verleend aan derdelanders die een tijdelijk verblijfsrecht hadden in Oekraïne. Met dezelfde brief heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 21 februari 2024. Verweerder heeft dat besluit ingetrokken en onder verwijzing naar artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vervangen met het besluit van 4 juli 2025. Het beroep van eiser heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege ook betrekking op het nieuw genomen besluit.

Met het nieuwe besluit van 4 juli 2025 heeft verweerder eiser een terugkeerbesluit opgelegd omdat hij niet langer rechtmatig in Nederland verblijft. Verweerder heeft daarbij geconcludeerd dat er geen sprake is van risico’s bij terugkeer naar Marokko, dat de individuele omstandigheden van eiser niet maken dat van het terugkeerbesluit moet worden afgezien en dat er geen aanleiding bestaat om eiser te horen.

Wat vindt eiser in beroep?

4. Eiser voert aan dat de hem verleende tijdelijke bescherming ten onrechte is beëindigd per 4 maart 2024. Verweerder heeft de beëindiging van de tijdelijke bescherming, en daarmee het verblijfsrecht van eiser, gebaseerd op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 januari 2024. In die uitspraak is de Afdeling echter ten onrechte tot de conclusie gekomen dat met het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie niet is beoogd om de tijdelijke bescherming van facultatief beschermden te verlengen. De beëindiging van de tijdelijke bescherming van eiser is bovendien in strijd met het arrest Kaduna en Abkez, waaruit volgt dat het eerder beëindigen van facultatieve tijdelijke bescherming alleen is toegestaan indien er door de lidstaat geen toezegging is gedaan dat de facultatieve bescherming niet eerder zal worden beëindigd dan de verplichte tijdelijke bescherming. Verweerder heeft in de brief aan de Tweede Kamer van 30 maart 2022 geen onderscheid gemaakt tussen personen die facultatieve tijdelijke bescherming genieten en zij die verplichte tijdelijke bescherming genieten en daarmee een dergelijke toezegging gedaan. Ten slotte heeft verweerder ten onrechte het terugkeerbesluit opgelegd zonder eiser te horen. Verweerder handelt daarmee in strijd met het arrest Sopopre.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

5. Uit de uitspraken van de Afdeling en het arrest Kaduna en Abkez volgt dat verweerder geen terugkeerbesluit kan opleggen wanneer een vreemdeling (nog) rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Dat geldt ook voor de situatie waarin een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van facultatieve tijdelijke bescherming. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf had op 4 juli 2025 en verweerder daarom bevoegd en verplicht is om een terugkeerbesluit op te leggen.

De rechtbank volgt eiser namelijk niet in zijn betoog dat verweerder de aan hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming niet mocht beëindigen per 4 maart 2024. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025, onder verwijzing naar haar eerdere uitspraak van 17 januari 2024, geoordeeld dat verweerder de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders die een tijdelijke verblijfsvergunning hadden in Oekraïne mocht beëindigen op 4 maart 2024. In die uitspraken heeft de Afdeling ook geoordeeld dat de minister geen toezeggingen heeft gedaan waaruit derdelanders mochten afleiden dat hun tijdelijke bescherming net zo lang zou duren als de verplichte tijdelijke bescherming. De Afdeling is daarbij ingegaan op de brief aan de Tweede Kamer waar eiser zich op beroept. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen.

6. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn betoog dat verweerder hem had moeten horen alvorens het terugkeerbesluit op te leggen. Uit arresten van het Hof van Justitie volgt dat eiser in staat moet worden gesteld om zijn standpunten over het terugkeerbesluit kenbaar te maken alvorens dat wordt opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser daartoe voldoende in staat heeft gesteld, nu hij met een zienswijze heeft kunnen reageren op het voornemen van verweerder om een terugkeerbesluit op te leggen. Eiser heeft in zijn zienswijze naar voren gebracht dat hij werkt en sociale contacten heeft opgebouwd in Nederland. De rechtbank merkt op dat verweerder deze omstandigheden kenbaar heeft betrokken in het besluit. Het is de rechtbank daarbij niet duidelijk welke informatie verweerder volgens eiser niet heeft kunnen betrekken in de besluitvorming door eiser niet te horen. Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat hij een relatie heeft, maar hij heeft deze stelling niet onderbouwd. Deze omstandigheid doet daarom niet af aan het oordeel van de rechtbank.

7. Ten slotte overweegt de rechtbank ambtshalve dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken van gronden om aan te nemen dat eiser een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar Marokko.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Het terugkeerbesluit van 4 juli 2025 is op goede gronden genomen. Er zijn geen belangen gesteld of gebleken die aanleiding geven tot een beoordeling van het ingetrokken terugkeerbesluit van 21 februari 2024 als bedoeld in artikel 6:19, zesde lid, van de Awb.

9. Nu verweerder het besluit waartegen eiser beroep had ingesteld, heeft ingetrokken en vervangen door het besluit van 4 juli 2025, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in het vergoeden van de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.814,-.

Beslissing

De rechtbank:

— verklaart het beroep ongegrond;

— veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

  1. Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
  2. Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038 (arrest Kaduna en Abkez) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1829.
  3. ECLI:NL:RVS:2024:32.
  4. Van 19 oktober 2023.
  5. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038 (arrest Kaduna en Abkez)
  6. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 18 december 2008, ECLI:EU:C:2008:746.
  7. Zie ECLI:NL:RVS:2025:1829.
  8. Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038.
  9. ECLI:NL:RVS:2025:1829, ECLI:NL:RVS:2025:1827 en ECLI:NL:RVS:2025:1836.
  10. ECLI:NL:RVS:2024:32.
  11. Zie het arrest K.A. van 8 mei 2018, ECLI:EU:C:2018:308 en het arrest X. van 22 november 2022, ECLI:EU:C:2022:913.
  12. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
  13. 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1.

Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.