ECLI:NL:RBDHA:2025:21765 Rechtbank Den Haag , 19-11-2025 / NL25.56487
Bewaring – eerste beroep – artikel 59, eerste lid, onder b van de Vw. – gegrond – proceskostenveroordeling – schadevergoeding
4 min de lecture · 770 mots
Inhoudsindicatie. Bewaring – eerste beroep – artikel 59, eerste lid, onder b van de Vw. – gegrond – proceskostenveroordeling – schadevergoeding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.56487
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseresV-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.F. Ziabutt),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).
Procesverloop
Verweerder heeft op 16 november 2025 de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiseres heeft tegen de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 19 november 2025 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiseres stelt van Colombiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum] 2005.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. In de maatregel staan als zware gronden vermeld dat eiseres:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
en als lichte gronden vermeld dat eiseres:
4a. zich niet aan één of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiseres betwist de grondslag van de maatregel van bewaring en stelt dat er geen sprake is van onttrekking aan het toezicht en dat er geen risico bestaat op onderduiking. Verder betwist eiseres alle zware en lichte gronden en stelt zij dat de maatregel van bewaring in strijd met artikel 8 van het EVRM is opgelegd. Eiseres heeft familieleven met haar in Spanje wonende tante en haar gezinsleden.
4. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat verweerder dient te motiveren waarop de aan eiseres in de maatregel van bewaring tegengeworpen gronden zijn gebaseerd. De rechtbank stelt vast dat de door verweerder in de maatregel genoemde gronden in zijn geheel niet zijn gemotiveerd. Verweerder heeft ter zitting erkend dat deze motivering ontbreekt in de opgelegde maatregel van bewaring. Dit betekent dat de maatregel van bewaring niet voldoet aan de vereisten en derhalve van meet af aan onrechtmatig is. Gelet hierop behoeft hetgeen eiseres verder heeft aangevoerd geen beoordeling en bespreking.
5. Gelet op bovenstaande rechtsoverweging is het beroep gegrond. De maatregel van bewaring is met ingang van 16 november 2025 onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de bewaring met ingang van vandaag, 19 november 2025.
6. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor vier dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 4 x €100 (verblijf detentiecentrum) = € 400.
7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
— verklaart het beroep gegrond;
— beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag, 19 november 2025;
— veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 400 te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
— veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,00.
Deze uitspraak is gedaan op 19 november 2025 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op http://www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Voetnoten
- Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
- Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
- Verklaring voor de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.
- Van bijvoorbeeld 25 maart 2020 met het kenmerk: ECLI:NL:RVS:2020:829.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...