ECLI:NL:RBDHA:2025:7286 Rechtbank Den Haag , 29-04-2025 / 24_5781
rectificatie dd 10 juni 2025 van ECLI:NL:RBDHA:2025:7286. Herziening en terugvordering toeslagenwet. Zesmaandenjurisprudentie.
8 min de lecture · 1 663 mots
Inhoudsindicatie. rectificatie dd 10 juni 2025 van ECLI:NL:RBDHA:2025:7286. Herziening en terugvordering toeslagenwet. Zesmaandenjurisprudentie.
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/5781
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 april 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. R.G.A.M. van den Heuvel),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: [naam] ).
Inleiding
Bij besluit van 21 december 2022 (het primaire besluit I) heeft verweerder de aan eiser toegekende toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) over de periode van 1 mei 2019 tot en met 31 juli 2022 herzien en de over deze periode te veel betaalde toeslag, een bedrag van € 11.284,10, van eiser teruggevorderd.
Bij besluit van 23 december 2022 (primair besluit II) heeft verweerder een bedrag van
€ 10.734,14 ingevorderd.
Bij besluit van 19 april 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het door eiser tegen de primaire besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Eiser heeft via een email van 26 mei 2023, ontvangen bij de rechtbank op 24 mei 2024, beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft op beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft beroep op 11 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Tijdigheid van het beroep
1. Bij de rechtbank is het beroepschrift van eiser van 26 mei 2023 eerst op 24 mei 2024 binnengekomen. Eiser heeft een Zivver-bericht overgelegd waaruit blijkt dat hij het beroepschrift op 26 mei 2023 om 11.35 uur via de email aan de rechtbank heeft verstuurd. Met het Zivver-bericht heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat hij het beroepschrift op 26 mei 2023 naar de rechtbank heeft verstuurd. Het beroep is daarmee tijdig ingediend.
Herziening en terugvordering
2. Bij besluit van 20 februari 2018 is aan eiser per 9 februari 2018 een toeslag op grond van de TW toegekend. Dit in aanvulling op zijn Wajong-uitkering.
3. Bij de primaire besluiten heeft verweerder de toeslag van eiser over de periode van 1 mei 2019 tot en met 31 juli 2022 herzien en een bedrag van € 11.284,10 aan toeslag van eiser teruggevorderd omdat geen rekening was gehouden met de inkomsten van eisers partner. De partner van eiser heeft volgens verweerder van 2 mei 2019 tot en met 31 januari 2020 inkomsten gehad uit het dienstverband met [bedrijfsnaam 1] B.V., van 3 februari 2020 tot en met 2 november 2020 uitkeringen toegekend gekregen op grond van de Werkloosheidswet en de TW, van 25 november 2020 tot en met 1 september 2022 inkomsten gehad uit het dienstverband met [bedrijfsnaam 2] B.V. en van 31 mei 2021 tot en met 11 juli 2021 inkomsten gehad uit het dienstverband met [bedrijfsnaam 3] B.V. Van deze inkomsten heeft eiser geen melding gemaakt. Voorts heeft verweerder aan eiser bericht dat hij een bedrag van € 10.734,14 binnen 6 weken dient te betalen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de primaire besluiten gehandhaafd.
4. Eiser voert aan dat verweerder met twee maten meet. Enerzijds wordt hem verweten dat hij geen melding heeft gemaakt van de inkomsten van zijn partner. Anderzijds verbindt verweerder geen gevolgen aan de eerdere bekendheid van de afdeling WW met de inkomsten van de partner. Gelet op de bekendheid met de verstrekking van de WW-uitkering aan zijn partner over de periode van 3 februari 2020 tot en met 2 november 2020 was volgens eiser verweerder gehouden om in ieder geval de over die periode verstrekte TW-uitkering in mindering te brengen op het terugvorderingsbedrag. Nu verweerder al vanaf 2 november 2020 op de hoogte was van de WW-uitkering van de zijn partner valt het volgens eiser verweerder te verwijten dat zij nog 2 jaar en 1,5 maand heeft gewacht om tot terugvordering over te gaan.
De rechtbank overweegt dat eiser op grond van artikel 12 van de TW verplicht is alle feiten en omstandigheden aan verweerder mee te delen waarvan hem duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op toeslag, de hoogte van de toeslag, het geldend maken van het recht op toeslag of op het bedrag van de toeslag dat wordt betaald. Niet betwist is dat de partner van eiser inkomsten heeft genoten zoals door verweerder in het primaire besluit is vastgesteld. Ook staat vast dat eiser deze inkomsten niet heeft gemeld bij verweerder.
Nu eiser deze inkomsten niet heeft gemeld heeft dit er toe geleid dat aan hem over de periode van 1 mei 2019 tot en met 31 juli 2022 teveel aan TW-uitkering is betaald. Verweerder heeft dan ook terecht de TW-uitkering van eiser over deze periode herzien.
Hieruit vloeit voort dat verweerder op grond van artikel 20, eerste lid, van de TW verplicht was de over de te beoordelen periode teveel betaalde toeslag terug te vorderen.
Eiser heeft met zijn standpunt dat verweerder op de hoogte was van de WW- en TW-uitkering van zijn partner en dat daarom TW-uitkering over de periode van 3 februari 2020 tot en met 2 november 2020 niet mag worden herzien en teruggevorderd een beroep gedaan op de zesmaandenjurisprudentie.
In het kader van dringende redenen om van herziening en terugvordering af te zien wordt de zogeheten zesmaandenjurisprudentie toegepast. Deze houdt in dat de bijstandverlenende instantie adequaat moet reageren op concrete signalen van de betrokkene waaruit is af te leiden dat de bijstand mogelijk ten onrechte of tot een te hoog bedrag is of wordt verleend. De bijstandverlenende instantie heeft ten hoogste zes maanden de tijd om naar aanleiding van zo’n signaal stappen te nemen. Het zorgvuldigheidsbeginsel brengt mee dat over de periode na die zes maanden geen gebruik kan worden gemaakt van de bevoegdheid tot terugvordering. Dit is vaste rechtspraak. (ECLI:NL:CRVB:2024:1142). De ratio van de zesmaandenjurisprudentie is dat door het stilzitten van een bestuursorgaan de ten onrechte verleende bijstand onnodig hoog is opgelopen.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt eisers beroep op deze jurisprudentie. Gebleken is de partner van eiser op haar aanvraag voor een TW-uitkering van 26 januari 2020 heeft aangegeven dat eiser inkomsten heeft van verweerder. Dit had voor verweerder een signaal moeten zijn dat zowel eiser als zijn partner aanspraken hadden op een TW-uitkering en dat de partner ook nog aanspraak had op een WW-uitkering. Vanaf dat moment had verweerder dus kunnen onderkennen dat de inkomsten van de partner (de TW- en de WW-uitkering) in mindering gebracht hadden moeten worden op de TW-uitkering van eiser. Verweerder heeft echter niet binnen zes maanden na dat moment actie ondernomen. Dat betekent dat verweerder niet meer de bevoegdheid heeft om de over de periode van 26 juli 2020 tot en met 2 november 2020 (het moment van de beëindiging van de WW- en TW-uitkering van de partner) te veel betaalde TW-uitkering van eiser terug te vorderen.
De rechtbank is voorts van oordeel dat er geen aanleiding is om te oordelen dat verweerder vanwege dringende reden had moeten afzien van de terugvordering voor de perioden van 1 mei 2019 t/m 31 januari 2020 en van 25 november 2020 tot en met 31 juli 2020. Van deze perioden staat vast eiser de inkomsten van zijn partner die zij bij de diverse werkgevers verdiende, nooit heeft gemeld bij verweerder, zodat de oorzaak van de terugvordering volledig bij eiser ligt. Voorts is niet gebleken dat de sociale en financiële omstandigheden van eiseres zich verzetten tegen de terugvordering.
invordering
7. Eiser heeft geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd tegen de invordering. Nu het bedrag dat van eiser wordt teruggevorderd zal wijzigen, zal ook het invorderingsbedrag opnieuw moeten worden vastgesteld door verweerder.
conclusie
8. Gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 6.3. is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit vernietigd te worden wegens strijd met zorgvuldigheidsbeginsel. Nu verweerder een nieuwe berekening dient te maken welk bedrag van eiser teruggevorderd moet worden en het invorderingsbedrag opnieuw moet vaststellen, zal de rechtbank bepalen dat verweerder met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
9. Omdat beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
— verklaart beroep gegrond;
— vernietigt het besluit van 19 april 2023;
— draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
— bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;
— veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, rechter, in aanwezigheid van W.M. Colpa, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op http://www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...