ECLI:NL:RBGEL:2025:11837 Rechtbank Gelderland , 06-08-2025 / 11431084 \ CV EXPL 24-9748
Huurrecht woonruimte. Toepassing: Hoge Raad 18 februari 1994 (ECLI:HR:1994:ZC1281, NJ 1994, 376) na overlijden procespartij in procedure 7:267 BW. Medehuurderschap wegens duurzame gemeenschappelijke huishouding. Wijziging grondslag naar 7:268 lid 2 BW. Samenwoner (zoon) van overleden hoofdhuurder toegaten tot bewijslevering.
Calcul en cours · 0
Inhoudsindicatie. Huurrecht woonruimte. Toepassing: Hoge Raad 18 februari 1994 (ECLI:HR:1994:ZC1281, NJ 1994, 376) na overlijden procespartij in procedure 7:267 BW. Medehuurderschap wegens duurzame gemeenschappelijke huishouding. Wijziging grondslag naar 7:268 lid 2 BW. Samenwoner (zoon) van overleden hoofdhuurder toegaten tot bewijslevering.
RECHTBANK
GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 11431084 \ CV EXPL 24-9748
Vonnis van 6 augustus 2025
in de zaak van
1. de gezamenlijke erfgenamen van de heer [naam eiser 1]
2. de heer [naam eiser 2] ,
laatstgenoemde wonende te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna te noemen: [eiser 1] , [eiser 2] en gezamenlijk [eisers]
gemachtigde: mr. K.T. Ghaffari,
tegen
STICHTING VIVARE,
gevestigd te Arnhem,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Vivare,
gemachtigde: mr. B.H.H.M. Ramakers.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
— de dagvaarding met producties 1 t/m 9
— de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 4
— akte uitlating [eiser 2] n.a.v. overlijden [eiser 1]
— akte uitlating Vivare n.a.v. overlijden [eiser 1]
— tijdens de mondelinge behandeling overgelegde uitkeringsspecificaties en de voorschotbeschikking toeslagen.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 juni 2025. Door de griffier zijn aantekeningen gemaakt van hetgeen is besproken.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
[eiser 1] is in januari 1976 met Vivare een huurovereenkomst aangegaan voor de woning gelegen aan het adres [woonadres] (hierna: het gehuurde).
Op [geboortedatum] is [eiser 2] geboren, hij heeft vanaf januari 1976 tot 23 maart 1998 in het gehuurde gewoond. Nadien heeft [eiser 2] op verschillende andere plaatsen gewoond. [eiser 2] is op 2 september 2008 weer teruggekeerd naar het gehuurde. In juni 2012 heeft [eiser 2] het gehuurde wederom verlaten. Na het overlijden van zijn moeder is [eiser 2] op 29 augustus 2013 weer teruggekeerd naar het gehuurde. Met ingang van 6 oktober 2015 staat hij ook weer ingeschreven op dit adres.
[eiser 1] is op [overlijdensdatum] overleden.
3Het geschil
Bij dagvaarding hebben [eisers] op grond van het bepaalde in artikel 7:267 BW gevorderd dat [eiser 2] met ingang van de datum van het vonnis de status van medehuurder van het gehuurde zal krijgen. Voor de mondelinge behandeling is [eiser 1] overleden. Partijen hebben zich bij akte uitgelaten over de gevolgen van het overlijden voor deze procedure. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 18 februari 1994 (ECLI:HR:1994:ZC1281, NJ 1994, 376), hebben beide partijen het standpunt ingenomen dat het overlijden van [eiser 1] niet in de weg staat aan de verdere behandeling van de vordering. Ter zitting heeft de kantonrechter aan de orde gesteld dat de vordering dient te worden gewijzigd zodat de datum waarop het medehuurderschap kan worden toegewezen tenminste ligt voor de datum waarop [eiser 1] is overleden. Partijen hebben hierna in onderling overleg gemeend dat een grondslagwijziging meer aangewezen is. [eiser 2] heeft daarom ter zitting zijn vordering en de grondslag van zijn vordering gewijzigd.
[eiser 2] vordert (na wijziging van eis) — samengevat – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat [eiser 2] de huurovereenkomst met betrekking tot de woning staande en gelegen aan het adres [woonadres] zal voortzetten, met veroordeling van Vivare in de kosten van dit geding.
Aan zijn vordering legt [eiser 2] het bepaalde in artikel 7:268 lid 2 BW ten grondslag. Vivare voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
De kantonrechter overweegt als volgt. Artikel 7:268 lid 2 BW biedt de persoon die geen medehuurder is, maar die zijn hoofdverblijf wel in het gehuurde heeft en die met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd, de mogelijkheid om de huur voort te zetten gedurende zes maanden na het overlijden van de huurder. Als hij de huur ook na deze periode wil voortzetten (en de verhuurder daarmee niet instemt) kan hij binnen die periode van zes maanden een daarop gerichte vordering instellen bij de kantonrechter.
In artikel 7:268 lid 2 in combinatie met lid 3 BW staan de voorwaarden waaraan [eiser 2] moet voldoen om de huur te mogen voortzetten: (a) hij moet zijn hoofdverblijf in het gehuurde hebben, (b) met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd, (c) hij moet voldoende waarborg bieden voor de betaling van de huur en (d) als het gaat om een woning waarvoor op grond van de gemeentelijke huisvestingsverordening een huisvestingsvergunning nodig is, moet [eiser 2] in de procedure bij de kantonrechter een huisvestingsvergunning overleggen. De kantonrechter moet de vordering om voortzetting van de huur afwijzen als niet aan deze voorwaarden is voldaan. Deze voorwaarden hebben grote gelijkenis met de regeling van artikel 7:267 BW, waarmee deze procedure aanvankelijk is ingeleid.
Niet in geschil is dat [eiser 2] zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft. Ook is niet in geschil dat de vordering binnen de wettelijke termijn is ingesteld. Geen van partijen heeft zich erop beroepen dat een huisvestingsvergunning noodzakelijk is, zodat de kantonrechter daarvan uitgaat. Ter zitting heeft, nadat [eiser 2] aanvullende stukken in het geding heeft gebracht, Vivare erkend dat [eiser 2] voldoende waarborg biedt voor de betaling van de huur.
Het voorgaande betekent dat partijen enkel van mening verschillen of [eiser 2] met [eiser 1] een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde. Nu [eiser 2] zijn vordering hierop baseert, rust op hem de stelplicht – en zo nodig – de bewijslast volgens de hoofdregel van 150 Rv. Ten aanzien van de gemeenschappelijke huishouding rust op [eiser 2] een verzwaarde stelplicht (vlg. Hoge Raad 10 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6932).
Bij de beoordeling of sprake is van een gemeenschappelijke huishouding moeten volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad alle omstandigheden van het geval in onderling verband worden gewaardeerd. Daarbij kan mede van belang zijn of de overleden huurder en de samenwoner gezamenlijk hebben voorzien in de kosten van de huisvesting, de kosten van levensonderhoud. Het delen van de huisvestingskosten of de kosten van levensonderhoud is echter geen voorwaarde voor het bestaan van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Ook kunnen factoren zoals het feitelijk gebruik van (onderdelen van) het gehuurde door de samenwoner en de huurder, de mate waarin zij gezamenlijk huishoudelijke taken verrichten, of zij gezamenlijk de maaltijden gebruiken en in hoeverre zij gezamenlijk hun vrije tijd doorbrengen en deelnemen aan het sociaal verkeer bijdragen tot het aannemen van een gemeenschappelijke huishouding.
De kantonrechter overweegt dat sprake is van een vader/zoonrelatie. Dat gegeven staat in dit geval niet in de weg aan het aannemen van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. In dit geval geldt namelijk dat [eiser 2] is aan te merken als een terugkeerder. Nadat hij was uitgevlogen, is hij op latere leeftijd weer met zijn vader gaan samenwonen. Gezien de leeftijd van [eiser 2] (52 jaar) en zijn ter zitting gegeven verklaring is niet meer aannemelijk dat [eiser 2] het ‘ouderlijk nest’ nogmaals zal willen verlaten.
Verder overweegt de kantonrechter dat bij dagvaarding door [eiser 2] is beschreven en onderbouwd hoe hij en zijn vader de laatste maanden hebben samengewoond. Terecht heeft Vivare daarover opgemerkt dat geen sprake kan zijn van een duurzame en gemeenschappelijk huishouding, omdat [eiser 2] feitelijk voor zijn vader heeft gezorgd. Een zekere wederkerigheid tussen vader en zoon ontbrak dan ook. De enkele omstandigheid dat partijen de kosten van de huisvesting en de kosten van levensonderhoud hebben gedeeld, maakt dan niet dat partijen een duurzame en gemeenschappelijk huishouding hebben gevoerd. Ter zitting heeft [eiser 2] verklaard dat zijn vader, wegens ziekte, pas de laatste jaren van zijn leven hulpbehoevend is geworden. De afhankelijkheid van de zorg van [eiser 2] is dan ook van recentere datum. Toen [eiser 2] in 2015 weer introk bij zijn vader, was daarvan geen sprake. Toen voerde zij een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Ter zitting is e.e.a. door Vivare betwist bij gebrek aan onderbouwing.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser 2] ter zitting voldoende feiten heeft gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van duurzame gemeenschappelijke huishouding tussen hem en zijn vader. Dat in de laatste jaren van het leven van [eiser 1] zijn zoon meer en meer voor hem is gaan zorgen waardoor de huishouding minder gemeenschappelijk werd, maakt dit niet anders. Bij dit oordeel heeft de kantonrechter ook betrokken de overgelegde financiële onderbouwing die inzichtelijk maakt dat [eisers] al langdurig de kosten van huisvesting en levensonderhoud delen. Echter, de kantonrechter kan niet om de betwisting van Vivare heen. De noodzakelijke stellingen van [eiser 2] zijn pas ter zitting gedaan en een concrete onderbouwing ontbreekt. Daarom zal de kantonrechter [eiser 2] in de gelegenheid stellen om (aanvullend) bewijs te leveren van zijn stelling dat hij met [eiser 1] een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde.
In afwachting van de bewijsvoering houdt de kantonrechter iedere verdere beslissing aan.
5De beslissing
De kantonrechter
draagt [eiser 2] op te bewijzen hetgeen hiervoor onder 4.8 als te bewijzen is geformuleerd,
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 3 september 2025 voor uitlating door [eiser 2] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
bepaalt dat, als [eiser 2] geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, hij die stukken dan direct in het geding moet brengen,
bepaalt dat, als [eiser 2] getuigen wil laten horen, hij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun gemachtigden in de maanden november 2025 tot en met februari 2026 dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. M.D.R. Joppe, in het paleis van justitie te Arnhem, Walburgstraat 2-4,
bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de kantonrechter en de wederpartij moeten toesturen,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.D.R. Joppe en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2025.
61389 / 51588
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...