ECLI:NL:RBGEL:2025:11880 Rechtbank Gelderland , 07-11-2025 / 05/106679-25
Bewezenverklaring feitelijke aanranding eerbaarheid; voorwaardelijke gevangenisstraf 60 dagen waarvan 59 voorwaardelijk, proeftijd drie jaren. Daarnaast taakstraf 180 uren,
Calcul en cours · 0
Inhoudsindicatie. Bewezenverklaring feitelijke aanranding eerbaarheid; voorwaardelijke gevangenisstraf 60 dagen waarvan 59 voorwaardelijk, proeftijd drie jaren. Daarnaast taakstraf 180 uren,
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/106679-25
Datum uitspraak : 7 november 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte]
,
geboren op [geboortedag] 1966 in [geboorteplaats] (Syrië),
wonende aan [adres] .
Raadsman: mr. C.C.W. Plaat, advocaat in Ede.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 24 oktober 2025.
1De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 14 juni 2024 te Ede
door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere
feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten
— het betasten van de bovenbenen en/of de buik van die [slachtoffer] en/of
— het kussen van het gezicht en/of de hals/borstkas en/of de handen van die [slachtoffer]
en/of
— het omhelzen van die [slachtoffer] ,
waarbij dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld
en/of met die andere feitelijkheid er in heeft/hebben bestaan dat verdachte
— zijn armen om die [slachtoffer] heen heeft geslagen, waardoor zij in haar
bewegingsvrijheid werd beperkt en zich niet aan voornoemde ontuchtige
handelingen kon onttrekken en/of
— voornoemde ontuchtige handelingen onverhoeds heeft verricht en/of die [slachtoffer]
hiermee heeft overrompeld en/of
— voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand
van die [slachtoffer] .
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 14 juni 2024 zat aangeefster [slachtoffer] op een bankje in het park aan de Bertrand Russellstate in Ede. Op enig moment is er contact ontstaan tussen aangeefster en verdachte. Verdachte heeft haar op een bepaald moment op haar voorhoofd gekust.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bestaat dat verdachte handelingen heeft gepleegd die als ontuchtig kunnen worden gekwalificeerd en ook dat de vereiste dwang daarbij ontbreekt. Het was juist aangeefster die avances maakte richting verdachte, waarop hij niet op is ingegaan. De kus op het voorhoofd van aangeefster was er één uit respect, zoals dat binnen de Syrisch Koerdische cultuur symbool staat voor vergeving, vrede en morele verheffing. Verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.
Beoordeling door de rechtbank
Aangeefster heeft aangifte gedaan van aanranding. Verdachte heeft bij de politie voornamelijk ontkend en ter zitting verklaard dat het initiatief vanuit aangeefster kwam en dat hij haar alleen, uit respect, op haar voorhoofd heeft gekust. Verdachte betwist een deel van de tenlastegelegde handelingen, waarover aangeefster heeft verklaard.
Bij de beoordeling van het bewijs stelt de rechtbank voorop dat zich in zedenzaken regelmatig de situatie voordoet dat slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Bij een verdachte die ontkent brengt dit met zich dat extra zorgvuldig naar de afgelegde verklaring van aangeefster moet worden gekeken.
Verklaringen aangeefster
Aangeefster [slachtoffer] (op dat moment 16 jaar oud) heeft op 14 juni 2024 contact opgenomen met de politie en melding gedaan van een aanranding op diezelfde dag. Zij heeft op dat moment verklaard, hetgeen zij later die dag in de aangifte heeft herhaald, dat zij op die dag rond 12.30 uur op een bankje in het parkje aan de Bertrand Russellstate in Ede zat. Verdachte ging naast haar zitten, sprak haar in gebrekkig Nederlands aan en stelde haar vragen over haar lichaamsdelen. Terwijl hij die vragen stelde raakte hij dit lichaamsdeel bij aangeefster ook aan. Dit waren haar handen, billen, bovenbeen en borsten. Zijn handen bewogen ook richting haar vagina, maar zij heeft zijn hand weggeduwd. Verder sloeg hij zijn armen om haar heen en wilde hij haar kussen. Op dat moment kon zij niet weg, want hij trok haar naar zich toe. Vervolgens probeerde hij haar te knuffelen, waarop zij hem wederom van zich afduwde, maar hij hield niet op. De man heeft haar voorhoofd, haar linkeroog, haar linkerwang, haar hand en haar borstkast gekust. Het ware vieze opa kusjes. Ze heeft de hele tijd haar hoofd weggedraaid, maar hij bleef haar gezicht zoeken. Toen hij haar hals en richting haar borst kuste duwde ze hem weer weg. Hij hield haar vast. Aangeefster heeft twee dagen later, op 16 juni 2024, opnieuw contact gehad met de politie, omdat zij 112 moest bellen als zij de man weer zag. Aangeefster zag de man lopen in Ede en hij sprak haar wederom aan. Zij heeft toen foto’s van de man gemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat aangeefster een gedetailleerde verklaring heeft afgelegd over zowel de handelingen die zouden hebben plaatsgevonden als de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden. Over deze concrete handelingen van verdachte heeft aangeefster tijdens haar melding met de politie gesproken. Tijdens de latere aangifte is zij consistent gebleven over hetgeen er gebeurd is. Zij heeft daarmee ook laten zien dat ze de handelingen niet ‘groter’ heeft willen maken en zij stelt zich daarmee kwetsbaar op. Aangeefster heeft verder genoemd dat ze het vieze opa kusjes vond, hetgeen wijst op het grote leeftijdsverschil tussen aangeefster en verdachte. Haar verklaringen acht de rechtbank eerlijk en authentiek.
Daarbij komt dat het procesdossier bewijs bevat dat haar verklaringen ondersteunt. Zo wordt, zoals hierna zal blijken, DNA-materiaal gevonden van verdachte op plekken waarvan aangeefster heeft verklaard dat verdachte haar heeft gekust.
Bewijsminimum
Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is de enkele verklaring van één getuige in beginsel onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Daar staat tegenover dat in zedenzaken een geringe mate aan steunbewijs in combinatie met de betrouwbare verklaringen van de aangever voldoende wettig bewijs kan opleveren. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat het steunbewijs geen betrekking hoeft te hebben op de tenlastegelegde gedragingen. Wel moet er een voldoende duidelijk verband zijn tussen de verklaring van de aangever en het steunbewijs. De rechtbank is van oordeel dat voldaan is aan dit bewijsminimum. De verklaring van aangeefster wordt op cruciale punten ondersteund door de volgende bewijsmiddelen, afkomstig uit andere bronnen.
Steunbewijs
De politie heeft op 27 juni 2024 een stopgesprek gehad met verdachte, met bijstand van een tolk. Aan verdachte is uitgelegd dat verschillende vrouwen melding hebben gemaakt, omdat hij hen zou aanraken en hinderlijk zou volgen. Verdachte gaf aan dat hij inderdaad vrouwen benadert en dat hij hen heeft aangeraakt en gevolgd. Hij verklaarde dat hij het met goede intenties deed. Hij wilde leuk doen met de vrouwen en hij benadert de vrouwen zoals hij dat bij zijn eigen zussen doet.
De politie heeft forensisch onderzoek verricht. Bij aangeefster is onder andere DNA bemonsterd nabij haar linkeroog (AARQ3507NL). Het DNA-mengprofiel dat is aangetroffen in het monster op haar rechterwang kan afkomstig zijn van minimaal drie donoren, van wie zeker één man. Het DNA-mengprofiel dat is aangetroffen in de bemonstering nabij het linkeroog kan afkomstig zijn van minimaal twee donoren, van wie zeker één man.
Het DNA-profiel van verdachte (WAIZ9904NL) is vergeleken met het eerder verkregen DNA-mengprofiel van bemonstering AARQ3507NL. Bij deze vergelijking is een match gevonden. Het rapport vermeldt dienaangaande: “Om een uitspraak te doen over het mogelijk aanwezig zijn van DNA van verdachte [verdachte] WAIZ9904NL in de bemonstering AARQ3507NL is de likelihood-ratio (LR) methode toegepast. Daarbij worden de resultaten bezien in het licht van twee, elkaar uitsluitende hypothesen. Deze hypothesen zijn geformuleerd onder de aanname dat derde [slachtoffer] WAFZ5538NL donor is.
Hypothese 1: de bemonstering bevat DNA van [slachtoffer] en [verdachte] .
Hypothese 2: de bemonstering bevat DNA van [slachtoffer] en één onbekende persoon.
De resultaten van het onderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is. (…) met bijbehorende likelihood ratio van meer dan 1 miljard. Dat betekent dat de kans om dit DNA-mengprofiel te treffen, meer dan 1 miljard keer groter is wanneer verdachte donor is geweest dan wanneer dit een onbekende andere persoon is geweest. Op basis van bovenstaande conclusie, in combinatie met de rest van de informatie uit het dossier, komt de rechtbank tot de conclusie dat [verdachte] donor is geweest van (een deel van) het celmateriaal in de bemonstering nabij het linkeroog (AARQ3507NL).
Voorts acht de rechtbank de verklaring van verdachte steunbewijs voor de verklaring van aangeefster. Verdachte heeft verklaard dat hij op 14 juni 2024 in Ede met een vrouw een gesprek kreeg en dat ze op hem leunde, dat ze hem kuste en dat ze dichtbij kwam. Verdachte heeft haar, uit respect, op haar voorhoofd gekust. Verdachte zou hebben gezegd dat zijn jongste kind ouder is dan dat zij is en dat zij zijn dochter had kunnen zijn.
Conclusie
De verklaring van aangeefster wordt op onderdelen ondersteund door bewijs uit andere bron: de verklaring van verdachte bij het stopgesprek, de verklaring van verdachte ter zitting dat hij aangeefster op het voorhoofd heeft gekust en het aantreffen van verdachtes DNA op een andere plek in het gezicht van aangeefster. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de aangifte. Bovendien is het niet aannemelijk dat aangeefster, destijds 16 jaar, seksuele avances zou maken jegens een volslagen onbekende man van toen 59 jaar. De rechtbank acht de door verdachte afgelegde verklaring van deze strekking ongeloofwaardig.
Dwang
Tot slot dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of sprake is geweest van ontuchtige handelingen die onder dwang hebben plaatsgevonden. Om tot een bewezenverklaring van aanranding te komen, dient te worden vastgesteld dat verdachte door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging daarmee aangever heeft gedwongen tot plegen of dulden van ontuchtige handelingen.
Over de feitelijke gang van zaken kan het volgende worden vastgesteld.
Verdachte is gaan zitten op een bankje waar aangeefster op dat moment zat. Hij pakte haar hand en begon een gesprek met haar. Verdachte stelde haar vervolgens vragen over haar lichaamsdelen en terwijl hij die vragen stelde raakte hij dit lichaamsdeel bij aangeefster ook aan. Dit waren haar handen, billen, bovenbeen en borsten. Zijn handen bewogen ook richting haar vagina, maar zij heeft zijn hand weggeduwd. Hij begon haar te knuffelen, waarop aangeefster hem wederom heeft weggeduwd. Ook toen hij haar wilde kussen heeft zij telkens haar gezicht weggedraaid. Vervolgens heeft hij een arm om haar schouders heengeslagen en kon zij niet weg. Hij trok haar naar zich toe. Ze heeft de hele tijd haar gezicht weggedraaid, maar hij bleef haar gezicht zoeken. Ze heeft hem verschillende keren weggeduwd. Dit waren telkens aanwijzingen dat aangeefster niet gediend was van zijn onbehoorlijke en onverhoedse avances. Hij is meermaals voorbij gegaan aan deze non-verbale signalen van verzet en weerstand van aangeefster. De handelingen die verdachte heeft uitgevoerd, zijn naar het oordeel van de rechtbank zonder meer te kwalificeren als handelingen van seksuele aard die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm en daarmee ontuchtig. Dat aangeefster degene was die de avances initieerde — zoals de verdediging heeft gesuggereerd — acht de rechtbank niet aannemelijk en blijkt ook niet uit het procesdossier.
Aangeefster was op deze steeds verder gaande handelingen in het geheel niet bedacht en hoefde dat ook niet te zijn. Zij liet bovendien via non-verbale signalen duidelijk merken dat zij niet van het handelen van verdachte gediend was. Door het onverhoedse karakter van deze handelingen, het negeren van duidelijke signalen dat de handelingen ongewenst waren, en doordat verdachte aangeefster vasthield waardoor zij niet weg kon, is naar het oordeel van de rechtbank van dwang tot dulden van ontuchtige handelingen sprake. Ook het grote leeftijdsverschil tussen beiden (16 jaar vs. 59 jaar) draagt bij aan het dwingende karakter van verdachtes gedrag. De rechtbank acht daarmee bewezen dat sprake is van dwang door een andere feitelijkheid.
De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
3De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op of omstreeks 14 juni 2024 te Ede
door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere
feitelijkheid
[slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten
— het betasten van de bovenbenen en/of de buik van die [slachtoffer] en/of
— het kussen van het gezicht en/of de hals/borstkas en/of de handen van die [slachtoffer] en/of
— het omhelzen van die [slachtoffer] ,
waarbij dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld en/of met die andere feitelijkheid er in heeft/hebben bestaan dat verdachte
— zijn armen om die [slachtoffer] heen heeft geslagen, waardoor zij in haar bewegingsvrijheid werd beperkt en zich niet aan voornoemde ontuchtige handelingen kon onttrekken en/of
— voornoemde ontuchtige handelingen onverhoeds heeft verricht en/of die [slachtoffer] hiermee heeft overrompeld en/of
— voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [slachtoffer] .
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feitelijke aanranding van de eerbaarheid.
5De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt rekening te houden met het advies van de reclassering. De reclassering ziet een laag recidiverisico. Verdachte is een first offender.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Aangeefster, een jonge vrouw, zat op een bankje in een park. Verdachte ging naast haar zitten en werd in toenemende mate handtastelijk. Hij heeft haar bovenbenen en buik betast, heeft haar gezicht, hals, borstkas en handen gekust en heeft haar omhelst. Daarnaast probeerde hij haar op nog meer plekken te kussen en probeerde hij ook richting haar vagina te gaan met zijn hand. Hij is daarbij meerdere keren voorbij gegaan aan haar non-verbale signalen van verzet en weerstand en heeft voor aangeefster een bedreigende situatie gecreëerd, waarin zij zich niet aan zijn handelen kon of durfde te onttrekken. Dit alles vond plaats in een openbaar park, terwijl er allemaal mensen langsliepen. Bovendien kenden verdachte en aangeefster elkaar helemaal niet en was er sprake van een zeer groot leeftijdsverschil.
Met zijn handelen heeft verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke en seksuele integriteit van aangeefster. In zijn algemeenheid geldt aanranding, zeker in de openbaarheid, als een zeer impactvol feit, waarvan slachtoffers nog lange tijd psychische gevolgen van kunnen ondervinden. Daarbij komt dat aangeefster een jonge vrouw is. Verdachte heeft op geen enkele wijze rekening gehouden met haar en haar grenzen, maar heeft enkel aan zichzelf gedacht. Verdachte heeft voor zijn handelen geen verantwoordelijkheid genomen. De rechtbank rekent hem dit aan.
De persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Verdachte komt uit Syrië en heeft een verblijfsvergunning.
De reclassering heeft over verdachte een reclasseringsrapport uitgebracht, waarin zij schrijven dat zij niet over de mogelijkheden beschikken om eventuele risico’s op recidive aantoonbaar passend terug te dringen en/of te beheersen door middel van een reclasseringstoezicht en/of overige bijzondere voorwaarden, omdat verdachte grotendeels een ontkennende verdachte is.
De op te leggen straf
Gezien de ernst van het feit kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank zal echter, omdat verdachte een first offender is, de op te leggen gevangenisstraf aanzienlijk lager vaststellen dan de officier heeft geëist. Het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf dient er tevens toe verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Daarnaast zal een taakstraf worden opgelegd.
De rechtbank veroordeelt verdachte daarom tot een taakstraf van 180 uur, subsidiair 90 dagen hechtenis, en een gevangenisstraf van 60 dagen, waarvan 59 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar.
8De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 246 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.
9De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 (zestig) dagen;
bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, te weten 59 dagen, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
legt op een taakstraf van 180 (honderdtachtig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 (negentig) dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. I. de Bruin (voorzitter), mr. F.J.H. Hovens en mr. R.P.W. van de Meerakker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Teger, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 november 2025.
mr. Van de Meerakker is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Voetnoten
- Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer BVH 2025088802, gesloten op 28 maart 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
- Proces-verbaal van aangifte, p. 29-31. Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 24 oktober 2025.
- Proces-verbaal van bevindingen, p. 26; proces-verbaal van aangifte, p. 29-31.
- Proces-verbaal van bevindingen, p. 32-36.
- Proces-verbaal van bevindingen, p. 107-108.
- Proces-verbaal forensisch onderzoek persoon, p. 37-39. Rapport Forensisch DNA-onderzoek, p. 121-123.
- Proces-verbaal opdracht afname en onderzoek DNA-materiaal, p. 119. Rapport Forensisch DNA-onderzoek, p. 125-126.
- Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 24 oktober 2025.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...