Pays-Bas Rechtbank Gelderland Commercial 15 июля 2025 N° C/05/453335 / FZ RK 25-1524 en C/05/453348 / FZ RK 25-1526 NL

ECLI:NL:RBGEL:2025:11943 Rechtbank Gelderland , 15-07-2025 / C/05/453335 / FZ RK 25-1524 en C/05/453348 / FZ RK 25-1526

Eigen rechtsingang minderjarige als bedoeld in artikel 1:377g Burgerlijk Wetboek. Tussenbeschikking. De kinderrechter verzoekt de Raad om onderzoek te doen naar welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders in het belang is van de minderjarigen. Verdere behandeling van het verzoek is aangehouden.

Source officielle

19 min de lecture 4 099 mots

Inhoudsindicatie. Eigen rechtsingang minderjarige als bedoeld in artikel 1:377g Burgerlijk Wetboek. Tussenbeschikking. De kinderrechter verzoekt de Raad om onderzoek te doen naar welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders in het belang is van de minderjarigen. Verdere behandeling van het verzoek is aangehouden.

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Zutphen

Zaaknummers: C/05/453348 / FZ RK 25-1526 en C/05/453335 / FZ RK 25-1524

Beschikking zorgregeling van 15 juli 2025 naar aanleiding van een informele rechtsingang

in de zaak van:

[naam kind 1]
, geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [het kind 1] ,

en

[naam kind 2]
, geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [het kind 2] .

met als belanghebbenden:

[naam moeder]
,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats] ,

[naam vader]
,

hierna te noemen de vader,

wonende in [woonplaats] .

De Raad voor de Kinderbescherming, locatie Arnhem (hierna: de Raad), is op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) betrokken in de procedure.

1Het verloop van de procedure

[het kind 1] en [het kind 2] hebben door middel van e-mails een verzoek bij de rechtbank ingediend via de zogenaamde “informele rechtsingang”. In deze e-mails vragen [het kind 1] en [het kind 2] om de zorgregeling met hun vader te wijzigen.

De kinderrechter heeft op 30 juni 2025 met [het kind 1] en [het kind 2] — afzonderlijk en gedeeltelijk gezamenlijk — gesproken.

Naar aanleiding van deze gesprekken heeft de kinderrechter de ouders en de Raad uitgenodigd voor een mondelinge behandeling.

De vader heeft op 14 juli 2025 een e-mail met bijlagen ingediend.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 juli 2025. Hierbij zijn verschenen:

— de vader;

— de moeder;

— een vertegenwoordigster van de Raad.

2Waar gaat het over?

Wat staat vast?

De rechtbank Overijssel, locatie Almelo heeft bij beschikking van 26 mei 2020 de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken. De beschikking is op 4 juni 2020 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeentenaam] .

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [het kind 1] en [het kind 2] .

[het kind 1] en [het kind 2] wonen bij de moeder.

Bij beschikking van 21 september 2021 heeft deze rechtbank de Raad verzocht onderzoek te doen. De Raad heeft op 22 december 2021 gerapporteerd. De Raad heeft de rechtbank geadviseerd als verdeling van zorg- en opvoedingstaken over [het kind 1] en [het kind 2] dat zij bij de vader verblijven:

— om de week een lang weekend van donderdagmiddag na de BSO tot maandagochtend, waarbij de vader [het kind 1] en [het kind 2] van de BSO haalt en hen maandagochtend naar school brengt;

— tijdens het weekend dat [het kind 1] en [het kind 2] bij de vader verblijven is er op zaterdag één belmoment met de moeder (door de ouders zelf te bepalen op welk tijdstip);

— de vakanties en feestdagen worden bij helfte verdeeld;

— de verjaardagen van de ouders blijven conform de afspraken zoals die nu zijn;

— de verjaardagen van [het kind 1] en [het kind 2] worden gevierd bij de ouder waar ze op dat moment zijn, de andere ouder heeft een belmoment, of indien in overleg mogelijk een contactmoment.

Ook heeft de Raad verzocht om [het kind 1] en [het kind 2] onder toezicht te stellen.

In een beschikking van 19/31 januari 2022 heeft deze rechtbank de bevindingen van de Raad samengevat als volgt: “Tijdens het onderzoek is naar voren gekomen dat de relatie tussen ouders ernstig verstoord is geraakt in de afgelopen periode. De ouders zitten niet op één lijn met betrekking tot de opvoeding van de kinderen. Er is over en weer sprake van wantrouwen en beide ouders maken zich zorgen over wat er bij de andere ouder gebeurt. Gedrag en signalen van de kinderen worden heel anders geïnterpreteerd en uitgelegd. Hulpverlening is er tot nu toe niet in geslaagd om de relatie en samenwerking tussen de ouders te verbeteren. Betrokken hulpverleners geven aan dat het voornamelijk lastig is omdat zij bij de moeder niet tot de kern komen en op weerstand stuiten wanneer zij te dichtbij komen. Er lijkt een patroon te zijn dat de moeder zich onttrekt uit het contact of behandelrelatie zodra de hulpverleners hun zorgen uiten over de situatie bij de moeder of zodra er positieve ervaringen gedeeld worden over de thuissituatie bij de vader. Het lijkt erop dat de moeder dit zeer lastig vindt om te horen en daarmee ook te erkennen. Het is onduidelijk waardoor de moeder dit lastig vindt. Hulpverleners hebben dit geprobeerd met de moeder te bespreken, maar komen hierover niet met haar in gesprek. Het gedrag wat de moeder laat zien is schadelijk voor de kinderen en weerhoudt hen van het hebben van een goede relatie met hun vader. Het is van groot belang dat de moeder hier hulpverlening voor zoekt, zodat zij inzichten krijgt waardoor dit voor haar zo lastig is en zij ondersteund kan worden in het leren loslaten van de kinderen en het accepteren van de omgang tussen de kinderen en de vader. De sleutel tot verandering ligt bij de moeder. Zij heeft de hulp van een psycholoog nodig om inzicht te krijgen in haar gedrag en hoe dit de kinderen beïnvloedt.

(…) De moeder zal de kinderen nadrukkelijk de legitimatie moeten geven dat het goed en veilig is om meer bij de vader te zijn. De vader zal met de mogelijke onrust die de uitbreiding in eerste instantie kan gaan geven moeten kunnen dealen en in gesprek blijven met de hulpverleners en de moeder.”

De rechtbank heeft met ingang van 19 januari 2022 [het kind 1] en [het kind 2] onder toezicht gesteld. De kinderrechter heeft onder meer geoordeeld: “ [het kind 1] en [het kind 2] worden ernstig in hun ontwikkeling bedreigd omdat zij door de problematiek van de ouders geen vrij contact kunnen hebben met de vader. Hulpverlening in het vrijwillige kader heeft hierin geen verandering gebracht. De moeder volhardt in haar visie van onveiligheid voor de kinderen en risico op mishandeling van de kinderen door de vader waardoor zij het contact van de kinderen met de vader niet kan legitimeren. Observaties hebben echter uitgewezen dat de contacten van de kinderen met de vader positief verlopen en voldoende veilig. De houding van de moeder is schadelijk voor de identiteitsontwikkeling van de kinderen. Hulpverlening voor de moeder is noodzakelijk maar tot op heden niet van de grond gekomen.”

De rechtbank heeft op 31 januari 2022 de door de Raad geadviseerde verdeling van zorg- en opvoedingstaken over [het kind 1] en [het kind 2] vastgesteld.

De moeder heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikkingen van 21 september 2021 en 31 januari 2022. Uit de beschikking van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 juni 2022 blijkt dat de moeder een klacht heeft ingediend tegen de handelwijze van de raadsmedewerkers bij de totstandkoming van het raadsrapport van 22 december 2021. Bij brief van 9 juni 2022 heeft de Raad het hof bericht dat de klacht deels gegrond is verklaard. De Raad heeft verzocht om aanhouding van de mondelinge behandeling bij het hof in afwachting van aanvullend raadsonderzoek. Het hof heeft bij tussenbeschikking van 28 juni 2022 en herstelbeschikking van 21 juli 2022 de beslissing op het verzoek van de moeder tot het alsnog afwijzen van het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van de kinderen en de beslissing over de definitieve zorgregeling aangehouden in afwachting van het aanvullende raadsonderzoek. Uit de beschikking van 4 juli 2023 van het hof blijkt dat de Raad in het aanvullend onderzoek onder meer het volgende heeft aangevoerd: “Het gezin werkt hard om te zorgen dat de kinderen het fijn kunnen hebben bij beide ouders. [het kind 2] en [het kind 1] hebben gesprekken met de kindbehartigers en ouders krijgen ouderbegeleiding.

Duidelijk is geworden dat er grote zorgen zijn over de kinderen: zij staan onder spanning en ervaren onveiligheid. Ondanks de ouderbegeleiding en begeleiding van de kindbehartigers, lijken de kinderen het contact met vader uit de weg te willen gaan, waardoor contactverlies dreigt. De raad is bezorgd over de impact hiervan op de identiteitsontwikkeling en de sociaal emotionele ontwikkeling van de kinderen. Er is ook sprake van loyaliteitsproblemen bij de kinderen doordat zij niet vrij het contact aan kunnen gaan met beide ouders.

De raad is van mening dat de ervaren onveiligheid van de kinderen voortkomt uit wat zij in relatie met hun ouders hebben meegemaakt. Hierin spelen mee de pedagogische onmacht van de vader waaronder het vastpakken/duwen, en hoe de moeder met de situaties ten tijde van het huwelijk en daarna is omgegaan. De angst van de kinderen kan gevoed worden door de angsten die de moeder ervaart in de (on)veiligheid van de kinderen bij de vader en doordat de moeder (te) veel meegaat in de emoties van de kinderen. Vanwege de ervaringen en visie van de moeder is het goed mogelijk dat zij hiermee de kinderen (onbewust) te veel bevestigt in hun angsten. De vader lijkt zich onvoldoende te realiseren dat de kinderen weldegelijk een gevoel van onveiligheid bij hem ervaren, door zijn ontkenning en/of onvoldoende zien/horen/herkennen van signalen bij de kinderen.”

Het Hof heeft geoordeeld “dat het in het belang van de kinderen is de zorgregeling die door de rechtbank is vastgesteld voort te zetten. Het hof volgt de moeder niet in haar betoog dat de kinderen onveilig zouden zijn bij de vader. Zowel de kindbehartigers als de GI zien die onveiligheid niet. Weliswaar zegt [het kind 2] tegen de onderzoekers [onderzoeker 1] en [onderzoeker 2] dat zij niet wil dat de vader tegen haar schreeuwt (en dat moet de vader naar het oordeel van het hof ook inderdaad niet doen), maar de kinderen kunnen verder niet benoemen wat voor onveiligheid zorgt bij de vader. Het hof vindt het, in navolging van het advies van de raad, van belang dat de ingezette weg met de kindbehartigers en ouderbegeleiding wordt voortgezet om te zorgen dat de kinderen een veilig en fijn contact hebben met beide ouders en dat de kinderen meer weerbaar worden gemaakt om uit te spreken wat ze lastig vinden en/of anders willen.”

Het Hof heeft de volgende zorg- en vakantieregeling vastgesteld:

zorgregeling

— [het kind 1] en [het kind 2] verblijven om de week een lang weekend van donderdagmiddag na de BSO tot maandagochtend bij de vader; hij haalt [het kind 1] en [het kind 2] van de BSO en brengt hen maandagochtend naar school;

— als de kinderen niet naar de BSO gaan en de wisseling niet aldaar kan plaatsvinden, verblijven de kinderen vanaf 17.00 uur bij de vader;

— tijdens het weekend dat [het kind 1] en [het kind 2] bij hun vader verblijven is er op zaterdag één belmoment met de moeder (door de ouders zelf te bepalen op welk tijdstip);

vakantieregeling

— de voorjaars- en herfstvakantie worden bij helfte gedeeld: het wisselmoment is op woensdag om 12.00 uur en de doordeweekse dagen sluiten aan op de reguliere verdeling van de zorgtaken in de weekenden hetgeen meebrengt dat de ouder die het weekend voorafgaand aan de vakantieweek de zorg voor de kinderen heeft, de kinderen in de vakantie op maandag, dinsdag en woensdag tot 12.00 uur heeft;

— de meivakantie wordt bij helfte gedeeld, indien de duur van deze vakantie één week is op dezelfde wijze als voorjaars- en herfstvakantie. Duurt deze vakantie twee weken, dan is het wisselmoment telkens op zaterdag 12:00 uur. Toewijzing van de eerste/tweede week gaat in overleg. Indien de ouders niet tot overeenstemming komen, heeft de moeder in de oneven jaren de eerste keus voor een week en de vader in de even jaren;

— de zomervakantie wordt bij helfte verdeeld, waarbij de kinderen drie aaneengesloten weken bij iedere ouder verblijven. Het wisselmoment is op zaterdag om 12.00 uur. De moeder heeft in de even jaren de eerste keus en de vader in de oneven jaren;

— de kerstvakantie wordt verdeeld, waarbij wordt aangesloten bij de reguliere weekendverdeling. Bij de ouder waar de kinderen aan de start van de kerstvakantie verblijven, verblijven ze t/m 26 december 11:00 uur. Vervolgens verblijven ze tot 1 januari 11:00 uur bij de andere ouder, waar de kinderen regulier het middelste weekend van de kerstvakantie zouden zijn. Vanaf 1 januari verblijven ze dan week bij de ouder waar de ook het laatste weekend van de kerstvakantie zouden verblijven in de reguliere weekendverdeling.

— het Paasweekend zijn de kinderen tot zondagavond 18:30 uur bij de ouder die dat weekend de zorg heeft voor de kinderen. Daarna verblijven de kinderen bij de andere ouder tot de volgende schooldag, zodat het wisselmoment via school blijft verlopen.

— het Hemelvaart- en Pinksterweekend wordt verdeeld conform de reguliere weekendverdeling;

— de kinderen verblijven op Moederdag bij moeder en op Vaderdag bij vader, steeds vanaf 18.30 uur op de voorgaande dag tot maandagochtend 8.30 uur;

— de kinderen verblijven op hun verjaardag bij de ouder bij wie zij volgens de reguliere zorgregeling verblijven. Er is een videobelmoment van de andere ouder met het jarige kind;

— bij het vervallen van school- en/of BSO dagen die niet onder vakanties en bijzondere dagen vallen, verblijven de kinderen, indien dit valt op een dag dat de kinderen ‘s ochtends en ‘s avonds bij dezelfde ouder zijn, overdag ook bij deze ouder. Indien dit valt op een dag dat de kinderen ‘s ochtends en ‘s avonds bij een andere ouder zijn, wordt het wisselmoment vastgesteld op 12.00 uur;

— tijdens vakanties, in aanvulling op het belmoment op zaterdag, is er een tweede belmoment op woensdag van 17:30 tot 18:00 en ongeacht bij wie de kinderen op dat moment volgens de geldende regeling verblijven.

Bij beschikking van 4 januari 2024 van deze rechtbank is de ondertoezichtstelling van [het kind 1] en [het kind 2] voor het laatst verlengd tot 19 juli 2024.

Wat ligt voor?

[het kind 1] en [het kind 2] hebben zich tot de kinderrechter gewend via de zogenaamde “informele rechtsingang” (op grond van artikel 1:251a, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek). Dat betekent dat zij de kinderrechter vragen van haar ambtshalve bevoegdheid gebruik te maken om een beslissing te nemen over de zorgregeling. Ambtshalve betekent dat er geen officieel formeel verzoek is gedaan. [het kind 1] en [het kind 2] kunnen zo’n officieel verzoek ook niet zelfstandig indienen. Zij hebben geen formele eigen rechtsingang.

3De beoordeling

Waar gaat het om?

De kinderrechter heeft in de brieven van de kinderen gelezen dat zij niet blij zijn met de zorgregeling die nu geldt. [het kind 1] en [het kind 2] hebben dat ook verteld in het gesprek met de kinderrechter. Zij willen liever minder bij de vader verblijven en daar niet meer overnachten. De reden hiervoor is dat zij bij de vader thuis meer spanning ervaren, en dat zij het fijner vinden bij de moeder.

De moeder heeft op de mondelinge behandeling gezegd dat de kinderen na het gesprek met de kinderrechter voor het eerst het gevoel hadden dat er echt naar hen is geluisterd. De vader heeft echter heel erg aangedrongen op uitleg en verantwoording. De moeder heeft appjes gekregen dat [het kind 1] een brief moest schrijven waarvan de inhoud niet klopt. De vader verwijt de moeder van alles, maar het moet gaan om de kinderen, zij hebben zelf dit initiatief genomen. De moeder vindt dat de kinderen nu centraal moeten staan en dat er naar hen geluisterd moet worden. Het zijn intens voelende kinderen. De moeder is heel trots dat de kinderen dit hebben durven doen. Als zij aangeven dat ze minder naar de vader willen, moet daar wat mee worden gedaan. De kinderen willen niet met de vader op vakantie. Het rapport van de Raad van 22 december 2021 geldt volgens de moeder niet meer. Er ligt een nieuw rapport. Er sprake geweest van huiselijk geweld in de relatie met de vader en dat is steeds onderbelicht gebleven.

De vader heeft op de mondelinge behandeling gezegd dat de oproep hiervoor voor hem uit het niets kwam, na alles wat er de afgelopen vijf jaar is gebeurd. Wat de kinderen hebben geschreven of verteld sluit niet aan bij hoe de vader het beleefd heeft. Hij ziet tijdens de weekenden en vakanties bij hem gelukkige kinderen. Het eerste rapport van de Raad is volgens de vader niet van tafel maar alleen aangevuld. De Raad heeft toen ook gezegd dat zij de indruk hadden dat wat de kinderen zeggen niet klopt met wat zij werkelijk ervaren. De kinderen zijn anderhalve dag voor de mondelinge behandeling bij de vader gekomen voor de eerste drie weken van de zomervakantie en de vader heeft toen met ze gesproken over waarom ze in het geheim een brief aan de kinderrechter hadden geschreven. [het kind 1] en [het kind 2] leken zich toen niet te realiseren of te kunnen overzien wat een beperking van de zorgregeling zou inhouden. Ze willen op vakantie met de vader en de verjaardagen van hem en zijn vriendin vieren. Vooral [het kind 1] was opgelucht toen het gesprek was geweest. De vader vindt niet dat de zorgregeling moet worden beperkt, want dan wordt de drempel om naar hem toe te gaan alleen maar hoger. Volgens de vader dient de moeder overal klachten in en gaat ze in beroep als iets haar niet zint en schakelt ze daarbij ook de kinderen in. Ook in het feit dat [het kind 1] nu aangeeft dat ze eigenlijk alleen met haar moeder kan praten, ziet de vader een patroon. De moeder is volgens de vader te beschermend en legt alles wat bij hem gebeurt negatief uit. Na de afsluiting van de ondertoezichtstelling zijn er veel punten blijven liggen. Er is geen overleg meer tussen de ouders maar het ouderschapsplan is nooit herzien.

De Raad heeft erop gewezen dat bij het afsluiten van de ondertoezichtstelling (nog geen jaar geleden) de afspraak was dat de betrokkenheid van de kindbehartigers en het Parallel solo ouderschapstraject zouden worden gecontinueerd. De moeder heeft echter op de mondelinge behandeling gezegd dat de kinderen al een jaar geen gesprekken hebben gehad met de kindbehartigers en de kindbehartigers blijken onlangs te zijn gestopt. De Raad hoort in de weergave van de gesprekken van de kinderrechter met de kinderen dat zij bij hun vader willen zijn maar ook spanning voelen en niet goed kunnen slapen. Dat zeggen kinderen niet voor niets. De Raad wil opnieuw met de kinderen spreken en opnieuw kijken wat het beste is van [het kind 1] en [het kind 2] . Het vrijwillig kader lijkt niet toereikend. De Raad wil dus opnieuw onderzoek doen. Het rapport kan over vier tot vijf maanden klaar zijn. Voorlopig moet de huidige zorgregeling blijven gelden.

Raadsonderzoek

De kinderrechter maakt zich zorgen over [het kind 1] en [het kind 2] . Zij vertonen typerend gedrag dat past bij de situatie dat zij in een loyaliteitsconflict zitten. Zo zeggen ze tegen de ouders wat ze denken dat die ouder wil horen. Hoewel er al heel veel is ingezet, is er geen verbetering in de situatie van de kinderen ontstaan. Tussen de ouders gaat het nog steeds niet goed. Zij blijven elkaar over en weer verwijten maken. Het is duidelijk dat het uitgangspunt van Parallel solo ouderschap, dat je je als ouder niet bemoeit met de opvoeding door de andere ouder, niet wordt nageleefd. De kinderrechter is het dan ook met de Raad eens dat opnieuw door de Raad moet worden gekeken wat er moet gebeuren.

De kinderrechter vraagt de Raad om te onderzoeken:

— Welke verdeling van zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders is in het belang van [het kind 1] en [het kind 2] ?

Zoals besproken op de mondelinge behandeling bestaat de mogelijkheid dat de Raad dit onderzoek zal uitbreiden naar een beschermingsonderzoek (naar de vraag of er weer een ondertoezichtstelling moet komen).

De kinderrechter heeft van [het kind 1] en [het kind 2] geen concrete of recente voorbeelden gehoord van situaties waarin de vader boos werd of ging slaan (situaties waarvan zij aangeven dat zij hier bang voor zijn). Zowel [het kind 1] als [het kind 2] heeft ook tegen de kinderrechter gezegd de situatie sinds de uitspraak van het hof van 4 juli 2023 eigenlijk niet is veranderd. Het hof heeft toen, zoals hiervoor staat vermeld, geoordeeld dat het in het belang van de kinderen was om de zorgregeling die door de rechtbank is vastgesteld voort te zetten. Het hof volgde de moeder niet in haar betoog dat de kinderen onveilig zouden zijn bij de vader. Zowel de kindbehartigers als de GI zagen die onveiligheid niet en de kinderen konden (afgezien van schreeuwen door de vader) ook niet benoemen wat voor onveiligheid zorgt bij de vader. De kinderrechter sluit zich hierbij aan. Hoewel duidelijk is dat [het kind 1] en [het kind 2] al lange tijd klem zitten tussen de ouders en zich in een loyaliteitsconflict bevinden, ziet de kinderrechter geen indicaties waaruit blijkt dat het acuut onveilig is voor de kinderen bij de vader. In afwachting van het rapport van de Raad, en in navolging van het advies van de Raad, zal de kinderrechter de huidige zorg- en vakantieregeling op dit moment dan ook niet wijzigen.

Vervolg

[het kind 1] heeft aangegeven graag van de rechtbank te willen horen wat de beslissing is. Daarom zal in een aparte brief aan [het kind 1] worden uitgelegd wat de beslissing is. De rechtbank acht van belang dat beide ouders op de hoogte zijn van de inhoud van de brief. Daarom wordt hieronder de tekst van de brief weergegeven:

“Beste [het kind 1] ,

Op 30 juni 2025 heb jij met de kinderrechter gepraat over de e-mail die jij hebt gestuurd. Jij hebt aan de kinderrechter verteld dat je minder naar je vader toe wilt gaan en daar niet meer wilt slapen. Je hebt ook uitgelegd waarom jij dat graag wilt.

Op 15 juli 2025 heeft de kinderrechter gepraat met jouw ouders en met iemand van de Raad voor de Kinderbescherming. De kinderrechter heeft gehoord wat jouw ouders van jouw wens vinden en hoe de Raad erover denkt.

Er is veel besproken met jouw ouders en de Raad. De Raad en de kinderrechter maken zich er veel zorgen over dat jij en [het kind 2] zo tussen jullie ouders in zitten. Daarom gaat de Raad weer een onderzoek doen. Omdat er al heel veel naar jullie situatie is gekeken en de kinderrechter geen nieuwe dingen heeft gehoord of voorbeelden waaruit blijkt dat dit niet goed zou zijn voor jullie, vindt de kinderrechter dat de zorg- en vakantieregeling die op dit moment geldt voorlopig zo moet blijven. De Raad denkt over vijf maanden met een advies te kunnen komen over wat goed zou zijn voor jou en [het kind 2] .

Als het onderzoek en het advies van de Raad klaar zijn, dan zal de kinderrechter je vader, je moeder en de Raad opnieuw uitnodigen om het rapport en het advies te bespreken. Jij en [het kind 2] mogen dan ook weer met de kinderrechter praten als jullie dat willen. De rechtbank zal jullie dan een uitnodiging sturen.

Ik hoop dat het voor jou duidelijk is wat er nu gaat gebeuren.

Met vriendelijke groet, namens de rechter,

de griffier”

Na ontvangst van het rapport van de Raad, zal de kinderrechter [het kind 1] en [het kind 2] weer uitnodigen voor een kindgesprek, en daarna ook de ouders en de Raad voor een nieuwe mondelinge behandeling.

4De beslissing

De kinderrechter:

vraagt de Raad om het onder 3.6. genoemde onderzoek uit te voeren, met het verzoek aan de Raad om tenminste zeven dagen voor de hierna te noemen pro forma datum schriftelijke te rapporteren en te adviseren;

houdt de verdere behandeling aan tot de pro forma datum van 18 december 2025, met bepaling dat afhankelijk van de dan verkregen informatie over de voortgang van het raadsonderzoek een nadere datum voor een mondelinge behandeling wordt bepaald.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2025 door mr. A.E. Grosscurt, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. S. Ligtenberg als griffier, en op schrift gesteld op 18 juli 2025.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.


Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.