ECLI:NL:RBGEL:2025:7530 Rechtbank Gelderland , 29-08-2025 / 11783143
Arbeidsrecht. Ontbindingsverzoek werknemer. Bedrijf werkgever is feitelijk beëindigd, maar werkgever onderneemt geen stappen om de arbeidsovereenkomst de beëindigen en betaalt het loon niet. Toewijzing transitievergoeding en billijke vergoeding.
8 min de lecture · 1 720 mots
Inhoudsindicatie. Arbeidsrecht. Ontbindingsverzoek werknemer. Bedrijf werkgever is feitelijk beëindigd, maar werkgever onderneemt geen stappen om de arbeidsovereenkomst de beëindigen en betaalt het loon niet. Toewijzing transitievergoeding en billijke vergoeding.
RECHTBANK
GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer / rekestnummer: 11783143 \ HA VERZ 25-50
Beschikking van 29 augustus 2025
in de zaak van
[verzoeker]
wonende te [woonplaats]
verzoekende partij
hierna te noemen: [verzoeker]
gemachtigde: mr. M. van de Wetering (CNV)
tegen
[verweerder] h.o.d.n. [bedrijf 1]
wonende te Nijmegen
verwerende partij
hierna te noemen: [verweerder]
niet verschenen
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
— het verzoekschrift inclusief producties 1 t/m 7 en het betekeningsexploot;
— de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2025. [verzoeker] is verschenen en werd bijgestaan door mr. M. van de Wetering. [verweerder] is, ondanks behoorlijke oproeping, niet ter zitting verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen aan de orde is gekomen en [verzoeker] heeft een schriftelijk relaas overgelegd.
Vervolgens is de datum van de beschikking bepaald.
2De feiten
[verzoeker] , geboren 13 juni 1962, is sinds 3 juni 1978 in dienst bij (de rechtsvoorganger van) [verweerder] . De functie van [verzoeker] is Verkoopmedewerker met een loon van € 2.851,95 bruto per 4 weken exclusief emolumenten.
[verweerder] heeft op 1 november 2021 een filiaal van [bedrijf 1] overgenomen en als eenmanszaak geëxploiteerd. De vestiging is per 1 oktober 2024 gesloten naar aanleiding van het besluit van [bedrijf 2] (moederbedrijf van [bedrijf 1] ) om niet verder te gaan met de locatie van [verweerder] .
[verzoeker] heeft een procedure in kort geding tegen [verweerder] gevoerd in verband met achterstallig salaris. Bij het vonnis van 30 januari 2025 (11438023 \ VV EXPL 24-77) is [verweerder] veroordeeld tot betaling van het (achterstallige) loon totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zou worden beëindigd, met vermeerdering van de wettelijke verhoging, wettelijke rente en (proces)kosten.
Omdat [verweerder] ook na het gewezen vonnis niet tot betaling is overgegaan, heeft [verzoeker] een deurwaarder de opdracht gegeven het vonnis te executeren. Tot op heden heeft [verzoeker] ongeveer € 2.400 door de executiemaatregelen ontvangen.
[verweerder] heeft de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] tot op heden niet beëindigd (middels een ontslagvergunning van het UWV).
3Het verzoek en het verweer
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst wegens ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] met ingang van 31 augustus 2025 te ontbinden, met toekenning van € 52.550 bruto aan transitievergoeding, € 80.003 aan billijke vergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en met veroordeling van [verweerder] in de proceskosten, waaronder de nakosten.
[verzoeker] legt het volgende aan haar verzoeken ten grondslag. [verweerder] heeft ondanks verschillende sommaties en een gerechtelijke procedure tot op heden geen ontslagvergunning bij het UWV aangevraagd. Hij betaalt echter ook geen loon aan [verzoeker] , waardoor [verzoeker] zich in een benarde financiële situatie bevindt. Ze kan geen uitkering krijgen en moet interen op haar reserves om rond te komen. Dit handelen c.q. nalaten van [verweerder] levert op grond van artikel 7:679 lid 1 jo lid 2 onder c en 7:677 BW een dringende reden voor [verzoeker] , waardoor van haar niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst voort te laten duren. Als gevolg van het ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] is hij eveneens de transitievergoeding en een billijke vergoeding aan [verzoeker] verschuldigd.
[verweerder] heeft geen verweer gevoerd.
4De beoordeling
De kantonrechter stelt vast [verzoeker] [verweerder] bij deurwaardersexploot van 5 augustus 2025 heeft laten oproepen voor de zitting van 19 augustus 2025. Daarbij is het verzoekschrift gevoegd alsmede de oproepingsbrief van de rechtbank voor de mondelinge behandeling. De kantonrechter stelt vast dat [verweerder] conform het Landelijk procesreglement verzoekschriften rechtbanken, kanton rechtsgeldig is opgeroepen op het thans bekende adres. Desondanks is [verweerder] , zonder kennisgeving, niet ter zitting verschenen en heeft hij geen verweer gevoerd. De kantonrechter gaat dan ook over tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak.
Door niet te verschijnen op de zitting heeft [verweerder] geen vragen van de kantonrechter kunnen beantwoorden en geen inlichtingen kunnen geven.
Dat betekent ook dat [verweerder] de stellingen van [verzoeker] en de tijdens de mondelinge behandeling gegeven nadere toelichting [verzoeker] niet heeft weersproken. De kantonrechter verbindt daaraan het gevolg dat [verweerder] de stellingen van [verzoeker] niet heeft betwist, zodat die stellingen voor juist worden gehouden.
Ontbinding
Nu het gaat om een ontbindingsverzoek door de werknemer, is het opzegverbod bij ziekte niet van toepassing.
Bij de beoordeling van de verzochte ontbinding stelt de kantonrechter voorop dat betaling van loon één van de hoofdverplichtingen van de werkgever uit hoofde van de arbeidsovereenkomst is. Tussen partijen staat vast dat [verweerder] het loon van [verzoeker] vanaf 1 oktober 2024 – afgezien van het bedrag dat door executiemaatregelen is ontvangen – niet meer heeft betaald. Het (langdurig) niet meer voldoen aan de loonbetalingsverplichting vormt naar het oordeel van de kantonrechter voor de werknemer een zodanige omstandigheid dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen, zodat in dergelijk geval aan de voorwaarde voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werknemer als bepaald in artikel 7:671c lid 1 BW is voldaan. De arbeidsovereenkomst zal gelet hierop worden ontbonden per 31 augustus 2025.
Transitievergoeding
[verzoeker] heeft verzocht om toekenning van een transitievergoeding. Ingevolge artikel 7:673 lid 1 sub b onder 2 BW is de werkgever een transitievergoeding verschuldigd als de arbeidsovereenkomst als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever op verzoek van de werknemer is ontbonden. Zoals hiervoor geoordeeld is sprake van ernstig verwijtbaar handelen door [verweerder] omdat hij niet aan zijn loonbetalingsverplichtingen heeft voldaan. Conform de berekening (productie 7 bij het verzoekschrift), waarvan [verweerder] de juistheid niet heeft betwist, is [verweerder] een bedrag van
€ 52.549,97 aan transitievergoeding aan [verzoeker] verschuldigd.
De wettelijke rente over dit bedrag wordt conform artikel 7:686a lid 1 BW toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd
Billijke vergoeding
[verzoeker] heeft daarnaast verzocht een billijke vergoeding van € 80.083 bruto aan haar toe te kennen. De kantonrechter kan op grond van artikel 7:671c lid 2 sub b BW kan de kantonrechter aan de werknemer een billijke vergoeding toekennen als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Daarvan is hier sprake.
Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de hoogte van de billijke vergoeding — naar haar aard — in relatie moet staan tot het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. De hoogte van de billijke vergoeding moet daarom worden bepaald op een niveau dat aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval.
In de eerste gerechtelijke procedure tussen partijen is naar voren gekomen dat [verweerder] (mogelijk) onjuist is geïnformeerd door [bedrijf 2] over het beëindigen van de arbeidsovereenkomsten met zijn werknemers, namelijk dat hij faillissement moest aanvragen of een vaststellingsovereenkomst met de werknemers moest sluiten. [verweerder] was – kennelijk – niet gewezen op de mogelijkheid van het aanvragen van een ontslagvergunning via het UWV wegens bedrijfsbeëindiging en was op dat gebied – wellicht – onwetend. Nadien is [verweerder] evenwel meerdere malen, waaronder door de kantonrechter tijdens de kort geding zitting, erop gewezen dat hij een ontslagvergunning diende aan te vragen bij het UWV. Dit heeft hij om onbekende redenen nog altijd niet gedaan. Als gevolg hiervan heeft [verzoeker] tot op heden geen WW-uitkering kunnen aanvragen bij het UWV. Een en ander wordt evenwel gecompenseerd door de titel die [verzoeker] op 30 januari 2025 heeft verkregen, op grond waarvan zij tot de datum van ontbinding van de arbeidsovereenkomst loon op [verweerder] kan verhalen.
[verzoeker] heeft gemotiveerd gesteld dat zij in de financiële problemen is gekomen doordat [verweerder] niet aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan. Hoewel [verzoeker] (mogelijk) nog niet erin is geslaagd een nieuwe werkgever te vinden en zij aanneemt dat het nog twee jaar zal duren voordat zij ander werk heeft gevonden, geldt als uitgangspunt dat [verzoeker] eerder tot een einde van het dienstverband met [verweerder] wenste te komen, maar dat dat niet gebeurde door het nalaten van [verweerder] . Dat is nu juist het verwijt aan [verweerder] ; als hij juist had gehandeld, was [verzoeker] al enige tijd uit dienst geweest vanwege bedrijfseconomische omstandigheden waarvan niet is gesteld of gebleken dat deze aan [verweerder] te wijten zijn. Daarbij heeft de gemachtigde van [verzoeker] ter zitting aangegeven dat hij de billijke vergoeding nogal hoog heeft ingezet, zodat dit mogelijk als een prikkel voor [verweerder] zou dienen om tot actie over te gaan. Hoewel dit – gezien de gegeven feiten en omstandigheden – voorstelbaar is, kan dit niet meewegen bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding. Het voorgaande in samenhang beschouwend acht de kantonrechter in de gegeven omstandigheden een vergoeding van € 5.000 bruto passend en zal dit bedrag toewijzen.
De wettelijke rente hierover wordt toegewezen vanaf de datum waarop het verzoekschrift door deze rechtbank is ontvangen, zijnde 2 juli 2025.
Proceskosten
De proceskosten komen voor rekening van [verweerder] , omdat hij overwegend ongelijk krijgt en sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] . De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 768 (€ 90 aan griffierecht, € 543 aan salaris gemachtigde en € 135 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaar bij voorraad
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard omdat [verzoeker] dat verzoekt en [verweerder] hier geen (kenbaar) verweer tegen heeft gevoerd.
5De beslissing
De kantonrechter
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker] en [verweerder] per 31 augustus 2025;
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen van € 52.549,97 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2025 tot de dag dat alles is betaald;
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een billijke vergoeding te betalen van
€ 5.000 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 2 juli 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 768, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op
29 augustus 2025.
40140 \ 560
Voetnoten
- Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...