ECLI:NL:RBGEL:2025:9339 Rechtbank Gelderland , 17-09-2025 / 05.120667.25
Man veroordeeld voor voorbereidingshandelingen voor drugshandel en overtreding van de geneesmiddelenwet. Opgelegd wordt een gevangenisstraf van 16 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en bijzondere voorwaarden.
23 min de lecture · 4 885 mots
Inhoudsindicatie. Man veroordeeld voor voorbereidingshandelingen voor drugshandel en overtreding van de geneesmiddelenwet. Opgelegd wordt een gevangenisstraf van 16 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en bijzondere voorwaarden.
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05.120667.25
Datum uitspraak : 17 september 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] .
raadsman: mr. L. de Leon, advocaat in Utrecht.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
1De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
feit 1
hij op of omstreeks 18 april 2025 te Nijkerk om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
— het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,
— het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of
— het opzettelijk vervaardigen
van MDMA en/of cocaïne en/of amfetamine en/of een of meer andere stoffen op de bij de Opiumwet behorende lijst I, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
— een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
— zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
— voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had; om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door
— het voorhanden hebben van een (grote) hoeveelheid (vloei)stoffen en/of materialen, onder meer:
— 2745,78 gram MDMA en/of
— 455,09 gram cocaine en/of
— 13,53 gram amfetamine en/of
— 935,51 gram cafeïne en/of
— 613,3 gram levamisol en/of
— een weegschaal en/of
— een vacumeermachine en/of
— het voorhanden hebben van een contant geldbedrag van 18.918,34 euro, althans enig geldbedrag (in verschillende coupures en/of muntgeld);
feit 2
hij op of omstreeks 18 april 2025 te Nijkerk opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten
— ongeveer 965 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep en/of
— ongeveer 300 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
feit 3
hij op of omstreeks 18 april 2025 te Nijkerk, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk, (telkens) een of meer geneesmiddel(en) waarvoor geen handelsvergunning geldt, te weten:
— 1480 tabletten ‘Super Carefill’, (elk) bevattende 20 mg van de werkzame stof tadalafil en 60 mg van de werkzame stof dapoxetine en/of
— 359 tabletten ‘Carefill — 80’, (elk) bevattende 80 mg van de werkzame stof tadalafil, (telkens) in voorraad heeft gehad en/of te koop heeft aangeboden en/of heeft verkocht en/of afgeleverd en/of ter hand gesteld en/of heeft ingevoerd en/of uitgevoerd en/of anderszins binnen of buiten het Nederlands grondgebied heeft gebracht.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde onder feit 1 tot en met 3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft erop gewezen dat verdachte de aangetroffen voorwerpen in bewaring had voor een dealer. De raadsman heeft ten aanzien van feit 3 bepleit dat de aangetroffen middelen niet getest zijn op de aanwezigheid van de ten laste gelegde werkzame stoffen tadalafil en dapoxetine, zodat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat het gaat om de geneesmiddelen die staan weergegeven op de verpakkingen van de aangetroffen middelen.
Beoordeling door de rechtbank
De woning van verdachte aan [adres] te Nijkerk is op 18 april 2025 doorzocht. Verdachte opende zijn slaapkamer voor de politie met de sleutel die hij bij zich droeg. Door verbalisanten werden, onder andere, de volgende goederen aangetroffen in de slaapkamer van verdachte:
— Vier zakken met henneptoppen;
— Eén emmer met zakken met henneptoppen;
— Eén weegschaal en één vacuümsealer;
— Drie zakken wit poeder;
— Meerdere zakken met roze pillen met daarop een kroontje;
— Meerdere pakken met erectiepillen.
Ook werd er in de slaapkamer van verdachte een contant geldbedrag in verschillende coupures van briefgeld en muntgeld aangetroffen van in totaal € 18.918,34.
Verbalisant Bos constateerde dat een aantal van de aangetroffen stoffen hennep(toppen) en hasjiesj betrof. De aangetroffen hennep en hasjiesj werden gewogen. In totaal ging het om 965 gram hennep en 300 gram hasjiesj.
Uit onderzoek naar de overige aangetroffen stoffen is gebleken dat er in de slaapkamer van verdachte in verschillende verpakkingen is aangetroffen:
— Een hoeveelheid van 935,51 gram aan een stof, indicatief getest op cafeïne;
— Een hoeveelheid van 613,36 gram aan een stof, indicatief getest op levamisol;
— Een hoeveelheid van 455,09 gram cocaïne;
— Een hoeveelheid van 2745,78 gram aan roze pillen bevattende MDMA;
— Een hoeveelheid van 13,53 gram amfetamine.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de hiervoor genoemde spullen in zijn slaapkamer had.
feit 1
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat er in de slaapkamer van verdachte (grote) hoeveelheden cocaïne, tabletten bevattende MDMA en amfetamine zijn aangetroffen. Daarnaast zijn de middelen cafeïne en levamisol aangetroffen. Deze middelen zijn geschikt als versnijdingsmiddel. Ten slotte zijn in de woning een weegschaal, een vacuümsealer en een grote som contant geld aangetroffen.
De vraag die vervolgens voorligt, is of verdachte zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a van de Opiumwet.
Om tot een bewezenverklaring van overtreding van artikel 10a van de Opiumwet te kunnen komen, is allereerst vereist dat kan worden vastgesteld dat de stoffen en voorwerpen die verdachte voorhanden heeft gehad, voorwerpen zijn waarmee de verkoop van verdovende middelen die op Lijst I van de Opiumwet staan, wordt voorbereid c.q. bevorderd. Voor een bewezenverklaring is voorts vereist dat kan worden vastgesteld dat verdachte – kort gezegd – opzet heeft gehad op het voorbereiden c.q. bevorderen van de verkoop van harddrugs.
De rechtbank is van oordeel dat de in de slaapkamer van verdachte aangetroffen verdovende middelen, versnijdingsmiddelen, weegschaal en vacuümsealer gezamenlijk, naar hun uiterlijke verschijningsvorm, geschikt en bestemd zijn voor het gehele proces rondom het versnijden, het verpakken, het wegen, het vervoer en uiteindelijk de verkoop van drugs. De aangetroffen verdovende middelen, stoffen en voorwerpen zijn dus geschikt en bestemd voor de voorbereiding van drugshandel. Ook de grote som contant geld die in de slaapkamer van verdachte lag, is naar de uiterlijke verschijningsvorm geschikt en bestemd voor de drugshandel, nu het een feit van algemene kennis is dat in de drugshandel vooral met contant geld wordt betaald.
De rechtbank is van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte de verdovende middelen, stoffen en voorwerpen voorhanden had om zelf drugs te kunnen versnijden, te wegen en verpakken voor de vervoer en verkoop van harddrugs. De rechtbank overweegt dat verdachte de enige was die toegang had tot zijn slaapkamer, nu hij de sleutel van de slaapkamer bij zich droeg en met deze sleutel de deur voor de politie opende. Verdachte heeft voorts geen concrete verklaring afgelegd over de dealer die volgens verdachte aan verdachte de verdovende middelen, stoffen, voorwerpen en gelden in bewaring zou hebben gegeven, en het dossier bevat ook geen aanwijzingen dat dit het geval zou zijn. Dat een dealer verdovende middelen, die van een aanzienlijke waarde zijn, in de slaapkamer van verdachte zou achterlaten en tegen verdachte zou zeggen dat hij hiervan onbeperkt mocht gebruiken, acht de rechtbank bovendien onaannemelijk. Ook acht de rechtbank onaannemelijk dat een dealer een dergelijke som contant geld bij verdachte in bewaring zou achterlaten. Ten slotte acht de rechtbank onaannemelijk dat de dealer deze hoeveelheden harddrugs, softdrugs en contant geld bij verdachte in bewaring zou geven en het daar 3 à 4 weken zou laten liggen zonder tussentijds terug te komen. De rechtbank acht op grond van het vorenstaande bewezen dat verdachte opzet had op het voorbereiden van de verkoop van harddrugs.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte, door deze verdovende middelen, stoffen, voorwerpen en contante gelden voorhanden te hebben, zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen voor de handel in harddrugs. De rechtbank acht feit 1 daarmee wettig en overtuigend bewezen.
feit 2
De rechtbank stelt vast dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat in de slaapkamer van verdachte de ten laste gelegde hoeveelheden hennep en hasjiesj zijn aangetroffen. Gelet op de aangetroffen hoeveelheden hennep en hasjiesj, acht de rechtbank bewezen dat sprake was van een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet.
De rechtbank overweegt allereerst dat zij niet bewezen acht dat verdachte de hennep en hasjiesj heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, en zal verdachte van deze onderdelen van de tenlastelegging vrijspreken.
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of verdachte deze softdrugs opzettelijk aanwezig heeft gehad. Voor een bewezenverklaring van het aanwezig hebben van verdovende middelen is vereist dat bij verdachte sprake was van wetenschap van de aanwezigheid van de drugs en dat hij daarover de beschikkingsmacht had. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Uit het overwogene onder feit 1 is gebleken dat verdachte degene is geweest die de sleutel van zijn slaapkamer, en dus toegang tot zijn slaapkamer had. Verdachte heeft verder verklaard dat hij de hennep en hasjiesj heeft bewaard. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte wetenschap had van de aangetroffen softdrugs, en dat hij daar beschikkingsmacht over had.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte de grote hoeveelheid hennep en hasjiesj opzettelijk aanwezig heeft gehad. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van feit 2.
feit 3
Op de slaapkamer van verdachte zijn de volgende middelen aangetroffen:
1480 tabletten Super Carefill;
359 tabletten Carefill-80.
Uit een beoordeling van de (blister)verpakking van het product Super Carefill is gebleken dat
wordt gedeclareerd dat het product Super Carefill 20 mg tadalafil en 60 mg
dapoxetine bevat. Uit een beoordeling van de (blister)verpakking van het product Carefill-80 is gebleken dat wordt gedeclareerd dat het product Carefill-80 80 mg tadalafil bevat.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de in de slaapkamer van verdachte aangetroffen tabletten zijn aan te merken als geneesmiddelen in de zin van de Geneesmiddelenwet.
Uit de productbeoordeling blijkt dat de producten Super Carefill en Carefill-80 voldoen aan de omschrijving van het begrip geneesmiddel als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van de Geneesmiddelenwet. Voor de producten Super Carefill en Carefill-80 is geen handelsvergunning verleend voor de Nederlandse markt. De producten vallen niet onder de
uitzonderingsbepalingen als bedoeld in artikel 40, derde lid, van de Geneesmiddelenwet.
Uit artikel 1, eerste lid, onder b, van de Geneesmiddelenwet volgt dat een geneesmiddel een substantie of een samenstel van substanties is die bestemd is om te worden toegediend of aangewend voor dan wel op enigerlei wijze wordt gepresenteerd als zijnde geschikt voor: (1) het genezen of voorkomen van een ziekte, gebrek, wond of pijn bij de mens, (2) het stellen van een geneeskundige diagnose bij de mens, of (3) het herstellen, verbeteren of anderszins wijzigen van fysiologische functies bij de mens door een farmacologisch, immunologisch of metabolisch effect te bewerkstelligen.
Door de Hoge Raad en het Europese Hof van Justitie is in diverse arresten aandacht besteed aan de vraag wanneer sprake is van een geneesmiddel. Uit die jurisprudentie blijkt dat onderscheid kan worden gemaakt tussen geneesmiddelen ‘naar toediening’ en ‘naar aandiening’. Bij het toedieningscriterium gaat het om de werking van het product en bij het aandieningscriterium gaat het er om of een product zich als een geneesmiddel aandient.
Of een product valt onder de definitie ‘geneesmiddel naar werking’ moet van geval tot geval worden bepaald. Hierbij moet rekening worden gehouden met alle kenmerken van het product, in het bijzonder de samenstelling, de farmacologische eigenschappen zoals deze bij de huidige stand van de wetenschap kunnen worden vastgesteld, de gebruikswijzen, de omvang van de verspreiding ervan, de bekendheid van de consument ermee en de risico’s die het gebruik ervan kunnen meebrengen. Een product valt echter niet onder deze definitie wanneer het, rekening houdend met de samenstelling ervan – met inbegrip van de dosering van de werkzame stoffen – en bij gebruik volgens voorschrift, niet kan leiden tot een noemenswaardig herstel of een noemenswaardige verbetering of wijziging van fysiologische functies door het bewerkstelligen van een farmacologisch, immunologisch of metabolisch effect.
De pillen die in de slaapkamer van verdachte zijn aangetroffen en in beslag zijn genomen, zijn niet getest op de werkzame stoffen tadafil en dapoxetine. Daarom kan de rechtbank niet vaststellen of de pillen kunnen leiden tot een noemenswaardige verbetering of wijziging van fysiologische functies. De pillen zijn daarom niet aan te merken als een ‘geneesmiddel naar werking’.
De wetgever heeft echter niet alleen beoogd om producten met een daadwerkelijke therapeutische werking als geneesmiddel aan te merken, maar ook producten die niet voldoende werkzaam zijn of die niet de werking hebben die de consument – gezien de wijze van aandiening – ervan mag verwachten. De wetgever heeft aldus beoogd de consument ook te beschermen tegen producten die in plaats van adequate middelen worden gebruikt.
Een product wordt geacht te zijn aangediend als hebbende therapeutische of profylactische eigenschappen wanneer het uitdrukkelijk als zodanig wordt aangeduid of aanbevolen op het etiket, in de bijsluiter of mondeling. Een product wordt eveneens aangediend als hebbende therapeutische of profylactische eigenschappen wanneer het bij de met een gemiddeld onderscheidingsvermogen begiftigde consument door de wijze van aandiening de indruk wekt dat het die eigenschappen heeft.
In de onderhavige zaak gaat het om in blisterverpakking verpakte pillen. Naar het oordeel van de rechtbank vormt de uiterlijke vorm van de producten een belangrijke aanwijzing dat deze moeten worden aangemerkt als een ‘geneesmiddel naar aandiening’. De op de blisterverpakkingen opgenomen tekst omtrent Super Carefill en Carefill-80 wekt, zo oordeelt de rechtbank, de indruk dat er sprake is van geneesmiddelen. Gelet op deze omstandigheden wekken de tabletten de indruk dat zij therapeutische of profylactische eigenschappen hebben. De tabletten kunnen daarmee als "geneesmiddel naar aandiening" worden aangemerkt. Daarmee kan de vraag of de tabletten daadwerkelijk de aangeduide werkzame stof bevatten, onbeantwoord blijven.
De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van feit 3.
3De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 tot en met 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
feit 1
hij op of omstreeks 18 april 2025 te Nijkerk om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
— het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,
— het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of
— het opzettelijk vervaardigen van MDMA en/of cocaïne en/of amfetamine en/of een of meer andere stoffen op de bij de Opiumwet behorende lijst I, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
— een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
— zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
— voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had;
om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door
— het voorhanden hebben van een (grote) hoeveelheid (vloei)stoffen en/of materialen, onder meer
— 2745,78 gram MDMA en/of
— 455,09 gram cocaïne en/of
— 13,53 gram amfetamine en/of
— 935,51 gram cafeïne en/of
— 613,3 gram levamisol en/of
— een weegschaal en/of
— een vacumeermachine en/of
— het voorhanden hebben van een contant geldbedrag van 18.918,34euro, althans enig geldbedrag (in verschillende coupures en/of muntgeld);
feit 2
hij op of omstreeks 18 april 2025 te Nijkerk opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten
— ongeveer 965 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep en/of
— ongeveer 300 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
feit 3
hij op of omstreeks 18 april 2025 te Nijkerk, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk, (telkens) een of meer geneesmiddel(en) waarvoor geen handelsvergunning geldt, te weten:
— 1480 tabletten ‘Super Carefill’, (elk) bevattende 20 mg van de werkzame stof tadalafil en 60 mg van de werkzame stof dapoxetine en/of
— 359 tabletten ‘Carefill — 80’, (elk) bevattende 80 mg van de werkzame stof tadalafil, (telkens) in voorraad heeft gehad en/of te koop heeft aangeboden en/of heeft verkocht en/of afgeleverd en/of ter hand gesteld en/of heeft ingevoerd en/of uitgevoerd en/of anderszins binnen of buiten het Nederlands grondgebied heeft gebracht.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
De eendaadse samenloop van
feit 1:
het om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden, voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit
en
feit 2:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel
feit 3:
overtreding van het voorschrift, gesteld bij of krachtens artikel 40 tweede lid van de Geneesmiddelenwet, meermalen gepleegd
5De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7De overwegingen ten aanzien van straf
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, bij niet uitvoeren te vervangen door 120 dagen hechtenis. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat aan verdachte zal worden opgelegd een voorwaardelijke gevangenisstraf van 10 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf dienen de bijzondere voorwaarden uit het reclasseringsadvies van 22 augustus 2025 en een proeftijd van drie jaar te worden verbonden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat sprake is geweest van eendaadse samenloop tussen feit 1 en 2. Daarnaast heeft de raadsman bepleit dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de vooruitgang die verdachte reeds heeft gemaakt, zal doorkruisen. De raadsman heeft ten slotte verzocht dat de rechtbank de (geschorste) voorlopige hechtenis zal opheffen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen voor drugshandel en het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid hennep en hasjiesj in zijn woning. Het is een feit van algemene bekendheid dat drugs grote gevaren opleveren voor de gezondheid van gebruikers. Bovendien gaat de handel in en het gebruik van verdovende middelen gepaard met verschillende vormen van (ernstige) criminaliteit, waardoor de samenleving ernstige schade wordt berokkend. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij aan deze drugscriminaliteit een bijdrage heeft geleverd door een grote hoeveelheid drugs, versnijdingsmiddelen, drugsrelateerde voorwerpen en contant geld in zijn woning aanwezig te hebben gehad. Ten slotte heeft verdachte een grote hoeveelheid erectiepillen in zijn woning in voorraad gehad. De (legale) handel in geneesmiddelen is verbonden aan allerlei voorschriften, omdat op het voorschrijven en het gebruik van bepaalde geneesmiddelen controle nodig is in het belang van de volksgezondheid. Het verkeerde gebruik ervan, zonder tussenkomst van een arts, kan zelfs fatale gevolgen hebben.
De rechtbank is van oordeel dat de onder feit 1 en 2 ten laste gelegde gedragingen een samenhangend en zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren, zodat verdachte daarvan (in wezen) één verwijt kan worden gemaakt. Er is daarmee sprake van eendaadse samenloop. De rechtbank zal hiermee rekening houden in de strafoplegging.
De rechtbank heeft acht geslagen op het reclasseringsadvies van verslavingsreclassering GGZ Iriszorg van 22 augustus 2025. De reclassering beschrijft dat verdachte sinds 17 juli 2025 onder toezicht van de reclassering staat. Verdachte verblijft nu bij zijn zus en is op zoek naar zelfstandige huisvesting. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij inmiddels een baan heeft. In het kader van het toezicht is verdachte aangemeld voor ambulante begeleiding en verslavingsbehandeling. Verdachte komt tot heden de meldplichtafspraken goed na en toont zich gemotiveerd zijn leven anders vorm te geven en mee te werken aan de geboden hulpverlening. De toekomst zal moeten uitwijzen of hij deze positieve ontwikkeling kan vasthouden. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld. Bij een veroordeling adviseert de reclassering tot oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij reclassering, het volgen van een ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname), meewerken aan middelencontrole en ambulante begeleiding.
Blijkens de LOVS-oriëntatiepunten is voor (alleen) het bezit van een hoeveelheid harddrugs zoals die in de slaapkamer van verdachte werd aangetroffen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 16 maanden aangewezen. Daarnaast is er in deze zaak sprake van het bezit van een grote hoeveelheid softdrugs en het overtreden van de Geneesmiddelenwet. De rechtbank heeft in het reclasseringsrapport gelezen dat verdachte tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis positieve ontwikkelingen heeft doorgemaakt. De rechtbank is zich ervan bewust dat oplegging van een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf deze positieve ontwikkelingen kunnen doorkruisen. Echter is de rechtbank van oordeel dat op de onderhavige feiten, vanuit het oogpunt van rechtsgelijkheid, niet anders dan met een gevangenisstraf kan worden gereageerd. Een taakstraf is naar het oordeel van de rechtbank bovendien niet passend bij de ernst van de feiten.
Alles overwegende zal de rechtbank daarom een gevangenisstraf van 16 maanden opleggen, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar. Aan het voorwaardelijk strafdeel zullen de bijzondere voorwaarden uit het reclasseringsrapport van 22 augustus 2025 worden verbonden. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, zal van deze straf worden afgetrokken.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
8De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen:
— 14 a, 14b, 14c,55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
— 3, 10 a en 11 van de Opiumwet;
— 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;
— 40 van de Geneesmiddelenwet.
9De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden;
bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 10 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:
stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
verdachte zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering IrisZorg op het adres [adres] te Arnhem. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
verdachte zich laat behandelen door een ambulante forensische verslavingsinstelling, te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal verdachte zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt;
verdachte meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;
Indien de reclassering het nodig acht, wordt het verdachte verplicht om zich ambulant te laten begeleiden door Altijd Iemand In De Buurt of soortgelijke instelling gedurende de hele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de hulpverlener geeft voor de begeleiding;
geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Jansen (voorzitter), mr. M.A. van Leeuwen en mr. A. Bonder, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.K. Verberkt, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 september 2025.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Voetnoten
- Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025178934, gesloten op 4 juli 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
- Proces-verbaal van aanvraag machtiging tot doorzoeking ter inbeslagneming, p. 24-25.
- Proces-verbaal van bevindingen, p. 59.
- Proces-verbaal van bevindingen, p. 92.
- Proces-verbaal van onderzoek naar verdovende middelen, p. 104-105.
- Proces-verbaal van onderzoek naar verdovende middelen, p. 116.
- Proces-verbaal onderzoek naar verdovende middelen, p. 105, in combinatie met het NFiDENT rapport d.d. 23 april 2025, p. 109, en proces-verbaal onderzoek naar verdovende middelen, p. 114-116, in combinatie met NFiDENT rapport d.d. 24 april 2025, p. 119, en NFiDENT rapport d.d. 24 april 2025, p. 121.
- Proces-verbaal onderzoek naar verdovende middelen, p. 105-108, in combinatie met het NFiDENT rapport d.d. 23 april 2025, p. 110, Proces-verbaal onderzoek naar verdovende middelen, p. 115, in combinatie met het NFiDENT rapport d.d. 24 april 2025, p. 118.
- Proces-verbaal onderzoek naar verdovende middelen, p. 113-114, in combinatie met NFiDENT rapport, d.d. 24 april 2025, p. 120.
- De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 3 september 2025.
- Relaas van het zaaksdossier, p. 10-11.
- Bijlage 1 bij productbeoordeling, p. 124 en 132.
- Productbeoordeling, p. 124.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...