ECLI:NL:RBLIM:2022:936 Rechtbank Limburg , 08-02-2022 / 03/092354-21
Poging tot brandstichting waarbij gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, tevens vernieling van goederen.
26 min de lecture · 5 549 mots
Inhoudsindicatie. Poging tot brandstichting waarbij gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, tevens vernieling van goederen.
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer: 03.092354.21
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 februari 2022
in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,
gedetineerd in de [P.I.]
[P.I.].
De verdachte wordt bijgestaan door mr. C. Mohr, advocate kantoorhoudende te Maastricht.
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 25 januari 2022. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen en de verdachte is bijgestaan door een tolk voor de Engelse taal. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
1.heeft geprobeerd brand te stichten in een pand waardoor gemeen gevaar voor goederen ontstond en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen te duchten was;
2. een wasdroger en een ruit heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.
3De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de onder 1. ten laste gelegde poging tot brandstichting bewezen, in die zin dat de verdachte met opzet met een aansteker open vuur in aanraking heeft gebracht met een zak afval, waardoor gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor zich in het pand bevindende personen te duchten was. Hij acht dit feit bewezen op grond van de door de verdachte afgelegde verklaringen, de namens [verhuurder] gedane aangifte, de verklaringen van de zich in het pand bevindende bewoners [getuige 1] en [getuige 2] én het proces-verbaal, relaterende het forensisch onderzoek in het pand door de politie. De ruimte waarin de afvalzak zich bevond was geen volledig betegelde ruimte. Aangevoerd is dat de verdachte opzettelijk heeft geprobeerd brand te stichten in het pand en dat de genoemde gevaren in dit geval volgens algemene ervaringsregels voorzienbare gevolgen van deze brandstichting zijn. De verdachte wist ten tijde van de brandstichting dat zich meerdere personen in het pand bevonden.
De officier van justitie acht ook de onder 2. ten laste gelegde vernieling van een wasdroger en een ruit, bewezen op grond van de ter terechtzitting door de verdachte afgelegde bekennende verklaring en de namens [verhuurder] gedane aangifte.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde aangevoerd dat niet bewezen is dat de verdachte heeft getracht open vuur in aanraking te brengen met het pand, gelegen aan de [adres] te Maastricht of de inboedel daarvan. Daartoe is gesteld dat er geen bewijs is van enige warmteoverbrenging aan dat pand, zoals bedoeld in artikel 157 aanhef en sub 1 van het Wetboek van Strafrecht. Uitgaande van foto’s in het dossier betreft het voorwerp dat in brand werd gestoken een kleine vuilniszak met daarin afval. Volgens de verklaring van de verdachte bevond deze vuilniszak zich in de fietsenstalling toen hij deze in brand stak. Dit betreft een volledig betegelde ruimte, waarin op dat moment drie fietsen stonden. In dat geval is onduidelijk in hoeverre de brand van die kleine vuilniszak kan overslaan op de andere, in die ruimte aanwezige voorwerpen (fietsen). Daarnaast is er een verklaring voor de ontstane rookontwikkeling daar de afvalzak, die korte tijd in brand heeft gestaan, van plastic was en het een feit van algemene bekendheid is dat brandend plastic veel rook ontwikkelt. De raadsvrouw heeft verder aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat er daadwerkelijk levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen is geweest en dat het ook niet de bedoeling van de verdachte was dat iemand gevaar zou lopen. Gesteld is verder dat onduidelijk is op hoeveel rookmelders schuim zat en dat niet is komen vast te staan dat de verdachte schuim op de rookmelders heeft gespoten, laat staan dat de verdachte dat opzettelijk heeft gedaan. Uit foto’s volgt immers dat de verdachte in de fietsenstalling schuim heeft gespoten. Bovendien heeft de verdachte ontkend dat hij een container heeft verplaatst of voor de toegangsdeur van het pand heeft gezet; uit de door twee getuigen afgelegde verklaringen volgt dat bewoner [getuige 1] dat heeft gedaan.
De raadsvrouw heeft ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde aangevoerd dat de verdachte de vernieling van de wasdroger heeft erkend. Zij heeft verder gesteld dat de verdachte weliswaar tijdens de zitting heeft verklaard dat hij ook een ruit van het pand heeft vernield, echter deze verklaring dient buiten beschouwing gelaten te worden omdat de verdachte ten tijde van het afleggen van die verklaring nogal verward was en medicatie gebruikte. In het dossier is geen enkel bewijs voorhanden waaruit blijkt dat de verdachte die ruit kapot heeft gemaakt. Opmerkelijk is dat niemand iets heeft gezien of glasgerinkel heeft gehoord; mogelijk was die ruit aan de buitenzijde van het oude pand voor 2 april 2021 al stuk. Overtuigend bewijs voor de vernieling van de ruit door de verdachte ontbreekt, aldus de raadsvrouw.
Het oordeel van de rechtbank
het onder 1. ten laste gelegde:
Op 2 april 2021 is namens de organisatie [naam] , onderdeel van [verhuurder] , aangifte gedaan van poging tot brandstichting gepleegd op 2 april 2021 in een pand gelegen aan [adres] in Maastricht. Door een manager van deze organisatie is onder meer verklaard dat zich in dat pand 10 studio’s bevinden, die door [verhuurder] worden verhuurd aan buitenlandse studenten. Sinds enkele weken zijn er problemen ontstaan met een huurder, genaamd [verdachte] , geboren op 19-12-1990. Deze huurder is door de organisatie uit zijn studio gezet en op een gegeven moment zijn diens eigendommen uit die studio verwijderd. Op 2 april 2021 rond 12.45 uur ontvingen zij een telefoontje dat in genoemd pand een en ander gebeurd was, waarna deze manager ter plaatse gegaan is en daar van medebewoners hoorde dat genoemde [verdachte] die dag in het pand geweest was. De aangever heeft toen in het pand gezien dat er schuim kleefde aan de rookmelders. Tevens vernam hij dat er een brand gewoed zou hebben op de begane grond in het hok van de fietsenstalling, gelegen aan de algemene toegangsruimte van het pand. De aangever zag en hoorde toen van de bewoners dat er zich ten tijde van de brandstichting ongeveer 6 personen in het pand bevonden.
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 2 april 2021 rond 12.00 uur het studentenhuis, gelegen aan [adres] in het centrum van Maastricht binnen gegaan is, waar hij zag dat zijn eigendommen buiten zijn eerder in dit pand gehuurde kamer waren gezet. Hij erkent dat hij die dag geprobeerd heeft in dat pand brand te stichten. Eerst heeft hij in het pand met een zich daar bevindende brandblusser op verschillende plaatsen om zich heen gespoten, waardoor blusschuim uit die brandblusser op verschillende plaatsen terecht kwam. De verdachte heeft verder verklaard dat het mogelijk is dat dit schuim op rookmelders terecht gekomen is. Daarna is hij in een ruimte waar fietsen stonden beneden in het pand begonnen met het maken van vuur. Hij heeft daar een vuilniszak in brand gestoken met het vuur van een aansteker. Hij wist dat er toen zeker drie bewoners in dat pand aanwezig waren. Hij is direct na het aansteken van die zak met afval uit dat pand weggegaan door de enige (toegangs)deur van het pand en is weggefietst.
De getuige, de heer [getuige 1] , wonend in genoemd pand, heeft op 2 april 2021 te 13.00 uur een verklaring afgelegd en op 12 april 2021 heeft hij nog aanvullend verklaard. De heer [getuige 1] heeft verklaard dat hij op 2 april 2021 samen met [getuige 2] op zijn kamer in het studentenhuis gelegen aan [adres] te Maastricht was toen zij een harde knal hoorden afkomstig uit de centrale hal. Zij gingen de kamer uit om daar te kijken. Die knal bleek veroorzaakt te zijn door een droger die naar buiten gegooid was. Getuige zag toen [verdachte] daar rondlopen met een brandblusser in zijn handen en hij zag schuim over de vloeren, de hal en over de rookmelders. Hij ging daarna met [getuige 2] terug naar diens kamer. Vervolgens gingen de brandalarmen af. De getuige ging daarop naar beneden en zag bij de toegangshal, op de grond van de kamer waar het afval en de fietsen normaal staan, dat een kleine afvalzak met huisvuil in brand stond. Hij heeft toen een brandblusser gepakt die bij de deur stond en is die brand gaan blussen. [verdachte] was toen verdwenen.
De getuige, de heer [getuige 2] , wonend in genoemd pand, heeft op 2 april 2021 te 12.30 uur verklaard dat hij die dag samen met de heer [getuige 1] op zijn kamer in het studentenhuis was waar zij een harde knal hoorden afkomstig uit de centrale hal. Zij gingen kijken en zagen schuim, van een brandblusser, op de grond, de trap en over de rookmelders zitten. De getuige zag ineens [verdachte] door de gang lopen die een brandblusser in zijn handen had. De getuige en de heer [getuige 1] liepen terug naar de kamer van de getuige. Zij zagen opeens dat de droger uit het raam was gegooid. Een huisgenoot heeft de politie gebeld. Opeens ging het brandalarm af. Zij gingen naar beneden en zagen een afvalzak in brand staan in de toegangshal. Er was veel rook. Toen kwam de politie.
De politieambtenaar, genaamd [politieambtenaar] , heeft gerelateerddat hij op 2 april 2021 omstreeks 12.15 uur een melding kreeg van een brand in het pand gelegen aan de
[adres] te Maastricht, waarna hij ter plaatse ging. Hij zag daar dat achter de (hoofd)ingang een trappenhuis lag dat leidde tot de overige etages met op elke etage meerdere kamers. In het trappenhuis bevond zich een deur aan de linkerzijde van de hal. Hij zag dat er rookontwikkeling afkomstig was vanuit deze ruimte, een ruimte die deel uitmaakt van het pand en waarin fietsen gestald kunnen worden. Hij zag in deze ruimte dat een zak met huisafval aan het smeulen was. Hij zag deze zak met huisafval tegen de muur van de ruimte aan staan.
Uit het door de politie op 2 april 2021 verrichte forensisch onderzoek blijkt dat in het pand op minimaal twee rook-/brandmelders met blusschuim gespoten was, waardoor deze hun werking zouden kunnen verliezen. Er werd brand gesticht aan een vuilniszak in een ruimte op de begane grond waarbij er een flinke rookontwikkeling ontstaan is, te weten: op de enige vluchtroute van de bewoners. In die ruimte met een stenen vloer waren fietsen gestald en daar bevond zich tevens de meterkast. De rook-/brandmelders hadden hun werking niet verloren en hebben de aanwezige bewoners gewaarschuwd, waardoor de bewoners het pand tijdig hebben verlaten. Een van de bewoners heeft de brand geblust waardoor de brand/rook zich niet verder heeft kunnen ontwikkelen en het gevaar beperkt is gebleven.
De rechtbank acht – gelet op de in voormelde bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien – bewezen dat de verdachte opzettelijk de onder 1. ten laste gelegde poging tot brandstichting heeft gepleegd, zoals hierna onder 3.4 nader wordt vermeld.
De rechtbank overweegt daartoe het volgende:
De verdachte heeft erkend dat hij met vuur van een aansteker de zak met afval in brand heeft gestoken. Uit genoemde bewijsmiddelen is vast komen te staan dat die zak met afval daardoor is gaan branden en dat daardoor een flinke rookontwikkeling is ontstaan.
Gemeen gevaar voor goederen?
Uit voornoemde waarnemingen in het pand door ambtenaren van de politie blijkt dat door het in brand steken van de zak afval in genoemde ruimte op de begane grond van het pand gemeen gevaar voor goederen is ontstaan, te weten: voor de fietsen die daar in dezelfde ruimte stonden en de zich daar bevindende meterkast en daarin opgenomen technische installaties. Uit het door de politie verrichte onderzoek is onvoldoende komen vast te staan of er gemeen gevaar voor het pand en de inboedel daarvan is ontstaan. Dat onderdeel van het ten laste gelegde is daarom niet bewezen, reden waarom de verdachte op dat punt moet worden vrijgesproken.
Gemeen gevaar voor personen?
Uit voormelde bewijsmiddelen is komen vast te staan dat zich op het moment van de brandstichting meerdere personen op de verdiepingen in het pand bevonden en dat de verdachte met een brandblusser schuim op verschillende plaatsen in het pand had gespoten, waarbij met name ook schuim op twee rook-/brandblussers terecht is gekomen. Door deze handeling van de verdachte bestond een groot risico dat deze brandstichting te laat zou worden ontdekt. De verdachte heeft verklaard dat hij wist dat toen meerdere personen in het pand aanwezig waren. Gelet hierop moet naar algemene ervaringsregels op het moment van de brandstichting voor de verdachte voorzienbaar zijn geweest dat voor die personen levensgevaar of gevaar voor lichamelijk letsel kon ontstaan. Immers niet te voorspellen is hoe een brand, hoe klein deze ook begint, zich daarna in een pand kan ontwikkelen. Genoemd gevaar heeft zich ook concreet voorgedaan. Immers de brand heeft geleid tot een flinke rookontwikkeling op de begane grond, en wel bij de enige vluchtroute voor de zich toen in dat pand bevindende bewoners. Een dergelijke rookontwikkeling brengt genoemde gevaren voor personen met zich mee. Doordat de rookmelders toch in werking traden werden die bewoners gewaarschuwd. Vooral doordat een van die bewoners de brandende afvalzak heeft geblust is de brand niet nog verder tot ontwikkeling kunnen komen en is het uiteindelijk bij een poging tot brandstichting gebleven.
het onder 2. ten laste gelegde:
De rechtbank acht ook het onder 2. ten laste gelegde bewezen, zoals hierna onder 3.4 wordt vermeld, gelet op de feiten en omstandigheden die in de hierna genoemde bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot die bewezenverklaring, te weten:
— de bekennende verklaring van de verdachte ter zake van dit strafbare feit, afgelegd ter terechtzitting van 25 januari 2022, inhoudend dat hij op 2 april 2021 een ruit van genoemd pand en een wasdroger heeft vernield, toebehorende aan de verhuurder [verhuurder] ;
— de op 2 april 2021 namens de organisatie [naam] , onderdeel van [verhuurder] gedane aangifte van vernieling op 2 april 2021 van een ruit van het pand, gelegen aan [adres] te Maastricht en een zich in dat pand bevindende wasmachine, alsmede
— het proces-verbaal van bevindingen van de politie, inhoudend dat de op 8 april 2021 namens genoemde aangeefster gedane aanvulling op die aangifte dat (geen wasmachine maar) een wasdroger vernield was.
Met betrekking tot het door de raadsvrouw gevoerde verweer aangaande de vernieling van de ruit overweegt de rechtbank dat zij geen enkele reden heeft om te twijfelen aan de door de verdachte ter terechtzitting afgelegde bekennende verklaring dat hij die dag ook een ruit van genoemd pand heeft vernield. Wat de raadsvrouw daartoe heeft aangevoerd over de psychische gesteld van de verdachte is in het geheel niet komen vast te staan; verdachte heeft spontaan, ongevraagd en gedetailleerd de vernieling van de ruit bekend en heeft geenszins de indruk gewekt dat door verwardheid aan die verklaring getwijfeld zou moeten worden.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte:
1.
op 2 april 2021 in de gemeente Maastricht, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in het pand [adres] , met dat opzet open vuur in aanraking heeft gebracht met een zak afval en daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor zich in voornoemd pand bevindende personen te duchten was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
op 2 april 2021 in de gemeente Maastricht opzettelijk en wederrechtelijk een wasdroger en een ruit van het pand [adres] , toebehorende aan [verhuurder] heeft vernield.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen onder 1. of onder 2. meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
4De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
feit 1:
poging tot opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
feit 2:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel aan een ander toebehoort vernielen;
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5De strafbaarheid van de verdachte
De klinisch psycholoog dr. Th.A.M. Deenen heeft over de geestvermogens van de verdachte op 25 juli 2021 een rapport uitgebracht. De rechtbank komt op basis van de in dat rapport vervatte bevindingen en het daarin vervatte advies niet tot de conclusie dat bij de verdachte sprake is van een omstandigheid die zijn strafbaarheid geheel uitsluit.
De raadsvrouw heeft weliswaar verzocht de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging, te weten in het kader van een aan hem op te leggen straf of maatregel, echter door de raadsvrouw is géén beroep gedaan op een straf- of schulduitsluitingsgrond, dan wel op de afwezigheid van alle schuld bij de verdachte ter zake van de aan hem tenlastegelegde feiten, zodat dit verder geen bespreking behoeft.
De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6De straf en/of de maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, onder oplegging van de door de reclassering geadviseerde voorwaarden, waarbij de opname in een zorginstelling maximaal één jaar dient te zijn. De officier van justitie heeft daarbij rekening gehouden met de omstandigheid dat de strafbare feiten aan de verdachte slechts in verminderde mate toegerekend kunnen worden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van de strafoplegging verzocht rekening te houden met de bevindingen van de klinisch psycholoog over de persoon van de verdachte en het advies van de reclassering te volgen. Verzocht is de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging en de maatregel van opname in een psychiatrisch ziekenhuis op te leggen, te weten het Centrum voor Transculturele Psychiatrie te Veldzicht, onder oplegging van de door de reclassering geadviseerde voorwaarden. Verder is gesteld dat een langere detentie geen enkel doel treft.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De rechtbank heeft daarbij in het bijzondere rekening gehouden met het volgende.
De verdachte heeft geprobeerd brand te stichten in een oud studentenpand in het centrum van Maastricht door een zak afval in brand te steken. Hierdoor was gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor bewoners van dat pand te duchten.
De verdachte had tevoren een uit het pand afkomstige brandblusser leeggespoten, waarbij schuim op de rookmelders is terechtgekomen. De rechtbank gaat, gelet op de plaatsen waar het schuim is aangetroffen, ervan uit dat de verdachte geprobeerd heeft deze rookmelders onklaar te maken. Door aldus te handelen, heeft de verdachte een risico gecreëerd dat de brandstichting te laat zou worden ontdekt en had de afloop vele malen erger kunnen zijn dan nu het geval is geweest.
Dat de schade beperkt is gebleven is een gelukkige omstandigheid, maar deze is niet aan de verdachte te danken. Sterker nog, na zijn handelen is hij gewoon weggefietst zonder zich te bekommeren om de gevolgen van zijn handelen.
Brandstichtingen brengen grote onrust en gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving teweeg en daar dient een passende straf tegenover te staan. Ook de vernieling van een ruit en een wasdroger dienen nog bestraft te worden.
De verdachte wilde naar eigen zeggen met zijn handelen aandacht vragen voor de problematische situatie met zijn voormalige verhuurder en wilde deze kennelijk financieel raken. Waarom dan echter ook andere bewoners gevaar moesten lopen heeft de verdachte ter zitting niet helder kunnen maken.
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank ook nog rekening met het hiervoor reeds genoemde rapport van 25 juli 2021 van psycholoog Deenen. Uit dat rapport volgt dat ten tijde van het plegen van de strafbare feiten bij de verdachte sprake was van een psychotische stoornis. Bovendien gebruikte hij problematisch verdovende middelen. De stoornis beïnvloedde zijn gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het plegen van de strafbare feiten. Daarnaast was het een boze reactie op zijn huisbaas, die geen rechtstreekse samenhang heeft met zijn wanen en/of hallucinaties. De verdachte heeft gezegd dat hij moest kiezen uit twee kwaden en dat zijn belang om een signaal af te geven groter was dan de veiligheid van anderen. Door de psycholoog is geadviseerd de verdachte de feiten in een verminderde mate toe te rekenen.
De rechtbank zal, gelet op de onderbouwing daarvan, dit advies volgen. Zij zal bij het bepalen van de straf in aanmerking nemen dat de bewezen verklaarde strafbare feiten de verdachte slechts in verminderde mate kunnen worden toegerekend.
Over de persoon van de verdachte volgt uit het rapport van de psycholoog verder dat het risico op recidive rechtstreeks gekoppeld is aan hernieuwd gebruik van drugs en/of een hernieuwde psychotische decompensatie. Toekomstig gebruik van harddrugs is daarbij risico verhogend. De verdachte heeft nauwelijks inzicht in zijn psychotische kwetsbaarheid. Hij gaf aan zich te willen richten op een eigen rehabilitatieprogramma, gericht op gecontroleerd druggebruik, maar hij zei ook mee te willen werken aan het onderzoek en bereid te zijn mee te werken aan een behandeling voor zijn problematiek. De verdachte is pas twee maanden voorafgaande aan het plegen van de strafbare feiten in Nederland komen wonen; hij had een arbeidsovereenkomst met de [naam bedrijf] . Zijn aanstelling bij deze [naam bedrijf] is inmiddels opgezegd. De verdachte heeft momenteel geen werk, geen woning en geen sociaal netwerk in Nederland en hij spreekt de Nederlandse taal niet. Indien de verdachte geen regelmaat in zijn activiteiten, geen inkomen en geen huisvesting heeft, is de kans op ontregeling groot. De kans op een neerwaartse spiraal is dan reëel. Indien hij drugs gebruikt, vergroot dit de kans op psychotische ontregeling in hoge mate. Van groot belang om het recidivegevaar te beperken is het voorkomen dat de verdachte opnieuw psychotisch wordt en opnieuw drugs gaat gebruiken. De belangrijkste interventie is het aanbieden van behandelmogelijkheden, waarbij aandacht is voor medicatie, psycho-educatie, Liberman modules gericht op psychose en op middelengebruik. Abstinentie van middelengebruik is belangrijk. Naast diagnostiek dient ook aandacht te zijn voor de behandeling van de psychotische kwetsbaarheid en het middelengebruik door de verdachte.
Uit het rapport van de reclassering van 10 januari 2022 volgt verder over de persoon van de verdachte dat het risico op letselschade wordt ingeschat op gemiddeld en dat het risico op recidive wordt ingeschat als hoog indien de verdachte niet klinisch- en nadien ambulant wordt behandeld en begeleid. De reclassering adviseert aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een opname in een door het IFZ geïndiceerde zorginstelling voor maximaal een jaar, een ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijk zorg, een drugsverbod en een alcoholverbod, zoals in het rapport nader is aangegeven.
De rechtbank heeft verder meegewogen hetgeen tijdens de zitting over de verdachte naar voren is gekomen, waaronder dat hij te kennen heeft gegeven spijt te hebben van hetgeen hij heeft gedaan en dat hij hulp en begeleiding nodig heeft. De verdachte heeft verklaard bereid te zijn medewerking te verlenen aan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden en aan het toezicht door de reclassering.
De rechtbank acht, alles afwegend, een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, passend en geboden.
Gelet op de duur van dat voorarrest, betekent dit dat de verdachte na aftrek daarvan geen gevangenisstraf meer hoeft te ondergaan, tenzij hij gedurende de proeftijd de voorwaarden overtreedt. De rechtbank zal, gelet op wat hiervoor is overwogen over de persoon van de verdachte, aan die voorwaardelijke gevangenisstraf een reclasseringstoezicht en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijk zorg, alsmede een drugsverbod verbinden, zoals door de reclassering is geadviseerd. Met de oplegging van deze (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf beoogt de rechtbank enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking te brengen en anderzijds de strafoplegging dienstbaar te maken aan het voorkomen van strafbare feiten. De rechtbank acht de gevorderde proeftijd van drie jaren op
zijn plaats ter voorkoming van recidive en ten behoeve van hulp en begeleiding voor de verdachte.
De rechtbank acht de geadviseerde klinische behandeling niet op zijn plaats. Immers uit het rapport van de reclassering volgt dat van cruciaal belang is dat de IND heeft gemeld dat het visum van de verdachte wordt ingetrokken. Een dergelijke intrekking heeft tot gevolg dat de verdachte niet verzekerd zal zijn, waardoor (klinische) zorg niet geboden kan worden. Bovendien komt naar voren dat op 10 januari 2022 nog niet duidelijk was of de verdachte door een, door het IFZ geïndiceerde, forensische kliniek werd geaccepteerd voor behandeling. De rechtbank zal ook het geadviseerde alcoholverbod niet opleggen, omdat haar dit niet als noodzakelijk voorkomt.
De rechtbank zal, gelet op de door de officier van justitie daartoe gedane vordering en het bepaalde in artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht, tevens bevelen dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn. Gelet op het door de psycholoog gedane onderzoek over de persoon van de verdachte en het reclasseringsadvies, moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.
De reeds ondergane voorlopige hechtenis overtreft het onvoorwaardelijk deel van de vrijheidsstraf zodat het tegen de verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden moet worden opgeheven.
7Het beslag
Bij gelegenheid van het onderzoek naar voornoemde, door de verdachte begane strafbare feiten zijn onder hem verdovende middelen, te weten twee zakjes hennep, aangetroffen en in beslag genomen. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat deze verdovende middelen aan de verdachte toebehoren en vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, nu deze van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.
De rechtbank zal verder de teruggave aan de verdachte bevelen van het onder hem inbeslaggenomen geld ad € 1,80.
8De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14e, 36d, 45, 57, 157 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart het onder 1. en het onder 2. aan de verdachte tenlastegelegde bewezen, zoals dat hierboven onder 3.4 is omschreven;
spreekt de verdachte vrij van wat onder 1. en onder 2. meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert, zoals deze hierboven onder 4 zijn omschreven;
verklaart de verdachte daardoor strafbaar;
Straf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
— stelt de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:
a.
meldplicht bij reclassering:
— dat de veroordeelde zich binnen drie dagen na 8 februari 2022, dus uiterlijk op
10 februari 2022, telefonisch moet melden bij "SVG Novadic-Kentron Reclassering op telefoonnummer 073-64.09.696, of op aanwijzing van SVG Novadic-Kentron bij een reclasseringsorganisatie elders, alsmede dat de veroordeelde zich daarna gedurende de proeftijd op door de reclassering te bepalen afspraken blijft melden bij deze reclasseringsinstelling zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
b.
begeleid wonen of maatschappelijke opvang:
— dat de veroordeelde gedurende de proeftijd, of zolang als de reclassering dat nodig vindt, zal verblijven in een door de reclassering nader te bepalen instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang of een soortgelijke instelling, en dat de veroordeelde zich zal houden aan het (dag-) programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld;
c. ambulante behandeling:
dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd, zo lang als de reclassering dat nodig vindt, onder behandeling zal stellen van een, door de reclassering nader te bepalen, zorgverlener/zorginstelling op de tijden en plaatsen als door of namens die zorgverlener/zorginstelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor zijn persoonlijkheidsstoornis of persoonlijke problematiek, alsmede
dat de veroordeelde zich tijdens die ambulante behandeling zal houden aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener/zorginstelling geeft voor de behandeling, waarbij het innemen van medicijnen onderdeel kan zijn van de behandeling;
d. drugsverbod:
— dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het gebruik van verdovende middelen en ter controle op de naleving van dit verbod meewerkt aan urineonderzoek, waarbij de reclassering bepaalt hoe vaak die controle van veroordeelde plaatsvindt;
geeft aan genoemde reclasseringsinstelling "SVG Novadic-Kentron Reclassering” de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
— beveelt dat de gestelde voorwaarden, alsmede het door de reclassering uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
Voorlopige hechtenis
— heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van heden;
Beslag
— onttrekt aan het verkeer de volgende in beslag genomen voorwerpen:
— verdovende middelen, te weten 2 zakjes hennep;
— beveelt de teruggave aan de veroordeelde van het onder hem in beslag genomen geldbedrag, te weten: geld ad €1,80.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.B. Bax, voorzitter, mr. F.M. van Maanen Winters en
mr. C.G.A. Wouters, rechters, in tegenwoordigheid van C.S.G.M. Wouters-Debougnoux, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 8 februari 2022.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
t.a.v. feit 1:
hij op of omstreeks 2 april 2021 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in het pand [adres] , met dat opzet open vuur in aanraking heeft gebracht met (een zak) afval, in elk geval met dat opzet open vuur in aanraking heeft gebracht met een brandbare stof, en daarvan gemeen gevaar voor voornoemd pand en de inboedel van voornoemd pand, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor zich in voornoemd pand bevindende personen, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor zich in voornoemd pand bevindende personen, in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
t.a.v. feit 2:
hij op of omstreeks 2 april 2021 in de gemeente Maastricht opzettelijk en wederrechtelijk een wasdroger en een ruit van het pand [adres] , in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [verhuurder] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;
Voetnoten
- Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt — tenzij anders vermeld — gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van de politie eenheid Limburg met onderzoeksnummer LB3R021050, gesloten d.d. 11 mei 2021, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 134.
- Het proces-verbaal van aangifte d.d. 2 april 2021, op pagina’s 47 tot en met 49.
- De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 25 januari 2022.
- Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 2 april 2021, op pagina 96.
- Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 12 april 2021, op pagina’s 97 en 98.
- Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 2 april 2021, op pagina 99.
- Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 april 2021, op pagina 63.
- Het proces-verbaal van forensisch onderzoek d.d. 6 april 2021, op pagina’s 76 tot en met 79.
- De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 25 januari 2022.
- Het proces-verbaal van aangifte d.d. 2 april 2021, op pagina’s 47 tot en met 49.
- Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 april 2021, op pagina 59.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...