Pays-Bas Rechtbank Limburg Divers 7 ноября 2025 N° C/03/3424664 / FA RK 25-1229 NL

ECLI:NL:RBLIM:2025:13174 Rechtbank Limburg , 07-11-2025 / C/03/3424664 / FA RK 25-1229

Wth ongegrondverklaring beroep

Source officielle

Calcul en cours 0

Inhoudsindicatie. Wth ongegrondverklaring beroep

RECHTBANK LIMB5URG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Zaaknummer: C/03/342466 / FA RK 25/1229

Uitspraak van 7 november 2025 in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht

in de zaak van:

[eiser] ,

eiser,

wonend in [woonplaats] ,

advocaat mr. K.D. Regter, kantoorhoudend in Heerlen,

tegen:

de burgemeester van de gemeente Heerlen,

verweerder,

gemachtigde: mr. S. Garritsen.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vrouw.

1Ontstaan en procesverloop

Bij beschikking (besluit) van 28 april 2025 heeft verweerder aan eiser een huisverbod opgelegd voor de periode van tien dagen met ingang van 28 april 2025 om 12:55 uur derhalve tot 8 mei 2025 om 12:55 uur.

Bij beschikking (besluit) van 7 mei 2025 heeft verweerder de verlenging van het huisverbod gelast met een aansluitende periode van 18 dagen, derhalve tot 26 mei 2025 om 12:55 uur.

Tegen deze beschikkingen (hierna ook te noemen: de bestreden besluiten) heeft eiser op 9 juni 2025, beroep ingesteld en verzocht het beroep gegrond te verklaren en de bestreden besluiten te vernietigen, met de veroordeling van verweerder in de kosten van deze procedure.

Verweerder heeft bij brief van 19 juni 2025, ingekomen bij de rechtbank op 23 juni 2025 verweer gevoerd met overlegging van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De stukken die verweerder heeft overgelegd zijn: een document genaamd “Episode journaal”, een document “Situatie ter plaatse”, een risico-taxatie instrument Huiselijk Geweld (RiHG) van 28 april 2025, een proces-verbaal van bevindingen van 28 april 2025, de beschikking van 28 april 2025, een document “Zorgadvies t.b.v. het verlengen/intrekken van een tijdelijk huisverbod” van 7 mei 2025 en de beschikking van 7 mei 2025.

Eiser heeft tijdens de mondelinge behandeling een pleitnota overgelegd.

Het onderzoek ter zitting in de onderhavige bodemzaak heeft plaatsgevonden op
9 oktober 2025. Gehoord zijn:

eiser, bijgestaan door zijn advocaat;

mr. Garritsen en de heer Gigase van het Zorg- en Veiligheidshuis Parkstad, namens verweerder.

2De standpunten

Eiser heeft bij beroepschrift gesteld dat het huisverbod ten onrechte aan hem is opgelegd, nu hij niet degene is wiens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van een of meer personen die in de woning zijn achtergebleven, maar dat dat de vrouw is. Eiser vindt het dan ook onbegrijpelijk en getuigen van een onbehoorlijke voorbereiding van het besluit dat aan hem een huisverbod werd opgelegd. Eiser is namelijk degene die de politie belde naar aanleiding van het (agressieve) gedrag van de vrouw. Eiser kan zich niet herinneren dat hij is gehoord met betrekking tot de oplegging van het huisverbod. Uit de feiten en omstandigheden blijkt niet dat de aanwezigheid van eiser ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de vrouw. Eiser heeft een blanco strafblad; uit eerdere mutaties blijkt dat beide partijen zich tot de politie wenden in verband met incidenten, waarbij de politie concludeert dat de vrouw de politie probeert voor haar karretje te spannen; eiser was weliswaar onder invloed van alcohol, maar was normaal aanspreekbaar en niet agressief; er waren geen signalen die er op duiden dat er sprake was van excessief alcohol- of drugsgebruik door eiser; eiser ontkent dat hij geweld heeft gebruikt tegen de vrouw (het was de vrouw die de confrontatie met eiser aanging, hem duwde, zijn spullen kapot gooide en etenswaar door de kamer gooide); de kinderen van eiser en de vrouw waren niet aanwezig in de woning; feiten met betrekking tot de leefomstandigheden van partijen zijn in de periode voor de bestreden beslissing niet gewijzigd. Eiser heeft het gevoel dat er niet is geluisterd naar zijn standpunten en deze onvoldoende zorgvuldig zijn meegewogen. Eiser heeft ook nu nog belang bij toetsing van oplegging en verlenging van het huisverbod, nu dit huisverbod een publieke afwijzing is van zijn gedrag.

Verweerder heeft bij brief van 19 juni 2025 verweer gevoerd. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep en het verzoek tot een proceskostenveroordeling van verweerder, af te wijzen. Verweerder is na een zorgvuldige overweging tot zijn besluit gekomen. Er was sprake van een ernstig en onmiddellijk gevaar dan wel een ernstig vermoeden van een dergelijk gevaar voor de in het besluit genoemde personen. Uit onder meer het Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld (RiHG), blijkt dat er al langer sprake is van spanningen, meerdere meldingen en politie-interventies tussen eiser en de vrouw. Op 27 april 2025 is de situatie geëscaleerd. Uit de invulling van het RiHG blijkt dat er voldoende reden was om een tijdelijk huisverbod op te leggen. Voor de verlenging heeft verweerder mede het zorgadvies ten grondslag gelegd aan zijn besluit. Na inventarisatie blijkt dat er sprake was van voortzetting van de bij het opleggen middels het RiHG getaxeerde dreiging. Er is al meer dan 13 jaar sprake van escalaties. Daarnaast blijkt dat er sprake is van overtreding van het contactverbod. Eiser wilde, ondanks zijn alcoholgebruik, geen hulpverlening. Het in gang zetten van toereikende (hulpverlenings-)trajecten voor de vrouw vraagt meer tijd. De verklaringen en zienswijzen van betrokkenen lopen sterk uiteen, zodat een verlenging van het contact- en huisverbod de tijd bood om verdere duidelijkheid te verkrijgen.

Tijdens de zitting heeft eiser aanvullend aangevoerd dat niet uit feiten en omstandigheden is gebleken dat de aanwezigheid van eiser in de woning een ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde voor de veiligheid van de vrouw. Eiser voert aan in het RiHG ten onrechte bij diverse onderdelen een “sterk signaal” wordt aangeduid. Ten aanzien van de eerste screening was slechts één keer een sterk signaal aannemelijk, zodat ten onrechte een hoog risico is aangenomen. Ten aanzien van de tweede screening worden ook bij diverse onderdelen ten onrechte een sterk signaal aangeduid. Er is niet gebleken van geweld door eiser jegens de vrouw. De voorbereiding van het onderzoek was verder onvoldoende zorgvuldig. Ter zake de verlenging van het huisverbod is aangevoerd dat er sprake zou zijn van een overtreding van het huisverbod. De vrouw is echter degene geweest die op 4 mei 2025 contact opneemt met eiser. De vrouw heeft de politie eerder voor haar “karretje gespannen” en daar moet ook nu rekening mee worden gehouden. Eiser is vrijgesproken van mishandeling van de vrouw op 27 april 2025. Ter zake de overtreding van het huisverbod – door contact te hebben met de vrouw – is eiser schuldig bevonden, zonder strafoplegging. De gedragsaanwijzing is op 15 juli 2025 opgeheven. Verweerder had in alle redelijkheid niet tot oplegging van het huisverbod (en de verlenging daarvan) mogen overgaan. In reactie op de stelling van verweerder dat meegewogen is dat de vrouw niet elders terecht kon, merkt eiser op dat dat niet meegewogen mag worden.

Tijdens de zitting heeft verweerder aanvullend aangevoerd dat uit de RiHG duidelijk wordt dat er in ieder geval sprake was van spanningen tussen eiser en de vrouw. Er zijn meerdere meldingen en interventies geweest. Vaststaat ook dat de situatie op 27 april 2025 escaleerde, waarbij er zichtbaar letsel bij de vrouw was geconstateerd. Eiser verklaarde dat de vrouw dit zelf zou hebben veroorzaakt, maar daar zag verweerder geen aanleiding toe. Er moest op dat moment een patroon worden doorbroken, waarbij één van beiden uit de woning moest. Bij de vrouw was letsel geconstateerd; zij had eerder in een Blijf van mijn lijf-huis verbleven en had eerder haar kaak gebroken. Ook was er sprake van middelengebruik. Bij de belangenafweging is meegewogen dat de vrouw weinig tot geen sociale contacten had en eiser deze wel had en hij bij zijn ouders terecht kon.

3De beoordeling

Uitgangspunten beoordeling

Op grond van artikel 2 van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth) kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon als uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of als op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat.

Hieruit volgt dat de burgemeester alleen dan een huisverbod kan opleggen als zich een gevaar of ernstig vermoeden van een gevaar voordoet als hier bedoeld. Als dat het geval is, heeft de burgemeester geen verplichting een huisverbod op te leggen. Hij heeft wel de bevoegdheid. Dit heeft gevolgen voor de rechterlijke toetsing van het besluit. Of het gevaar of het ernstig vermoeden daarvan bestaat, toetst de rechter vol. Hij beoordeelt zelf of de relevante feiten en omstandigheden het door de burgemeester aangenomen gevaar of vermoeden van gevaar opleveren. Het gebruik van de discretionaire bevoegdheid toetst de rechter marginaal. Dat betekent dat het gebruik maken van die bevoegdheid door de rechter slechts kan worden aangetast, als zou moeten worden geoordeeld dat de burgemeester bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet tot zijn besluit heeft kunnen komen, dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met enig algemeen rechtsbeginsel of algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

Uit de wetsgeschiedenis van de totstandkoming van de Wth volgt dat het huisverbod ertoe strekt om in de gegeven noodsituatie escalatie te voorkomen en hulp te bieden. Het huisverbod moet worden gezien als een bestuurlijke maatregel, ter preventie van strafbare feiten in de vorm van huiselijk geweld en het beschermen van de rechten en vrijheden van anderen en die dus ook kan worden ingezet wanneer zich (nog) geen strafbare feiten hebben voorgedaan, maar situaties zijn ontstaan waarbij ter bescherming van de gezondheid en de lichamelijke integriteit van de betrokkenen in crisissituaties acute en dringende behoefte bestaat aan het creëren van een afkoelingsperiode om escalatie te voorkomen (Kamerstukken II 2005/06, 30 657, nr. 3, blz. 2 en 7).

Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1233) dat een huisverbod een ingrijpend instrument is waarvan de toepassing zeer grote gevolgen heeft voor het privéleven van de betrokkenen. De bevoegdheid daartoe is beperkt tot situaties waarin voldoende grond aanwezig is om aan te nemen, althans ernstig te vermoeden, dat zich een ernstig en onmiddellijk gevaar voordoet voor de veiligheid van personen. Als dat het geval is, moet de burgemeester zorgvuldig overwegen of aanwending van de bevoegdheid aangewezen is.

Gelet op de aard van een huisverbod, dat altijd in spoedeisende situaties wordt opgelegd, is niet vereist dat de juistheid van de aan het huisverbod ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden onomstotelijk vaststaat. Voldoende is dat aannemelijk is dat die feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan en een ernstig en onmiddellijk gevaar dan wel een ernstig vermoeden van een dergelijk gevaar voor de in het besluit genoemde personen opleveren. De voorzieningenrechter verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2379.

Volgens artikel 8, tweede lid, EVRM wordt een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer rechtens aanvaardbaar geacht als deze een legitiem doel dient, de inbreuk bij wet wordt voorzien en de inbreuk noodzakelijk is in een democratische samenleving. De Wth biedt de basis voor het opleggen van een huisverbod en de inbreuk op het huisrecht is dus bij wet voorzien. De Wth dient een legitiem doel en de wetgever heeft afgewogen dat het doel van de Wth een mogelijke inbreuk op het huisrecht noodzakelijk maakt. Als conform deze wet wordt besloten is geen sprake van strijd met artikel 8 EVRM.

Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 1, van de Wth omvat het huisverbod mede een contactverbod. Dit houdt in dat de uithuisgeplaatste gedurende de periode waarin het huisverbod van kracht is, geen contact mag opnemen met degenen met wie hij in huis woont. Het contactverbod is opgenomen om te bevorderen dat het slachtoffer tot rust kan komen en bijvoorbeeld niet door de uithuisgeplaatste telefonisch of op plekken die vallen buiten het huisverbod, wordt benaderd.

Op grond van artikel 9, eerste lid, Wth kan de burgemeester een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet.

Gelet op artikel 6, derde lid, van de Wth beoordeelt de rechter het bovenstaande niet alleen naar het moment waarop het besluit is genomen (ex tunc), maar gaat hij ook na of zich na het opleggen van (de verlenging van) het huisverbod feiten en omstandigheden hebben voorgedaan waardoor (het handhaven van) het huisverbod inmiddels (ex nunc) niet meer rechtmatig is.

Op grond van artikel 2 lid 1 Besluit tijdelijk huisverbod (Bth) betrekt de burgemeester bij de afweging of een huisverbod wordt opgelegd, uitsluitend de in de bijlage bij het besluit opgenomen feiten en omstandigheden. In het tweede lid staat dat de in het eerste lid bedoelde feiten en omstandigheden hebben betrekking op:

a. de persoon ten aanzien van wie wordt overwogen een huisverbod op te leggen;

b. het verloop van het incident dat de aanleiding is te overwegen een huisverbod op te leggen; en

c. de leefomstandigheden van de persoon, bedoeld onder a, en degenen die met deze persoon in dezelfde woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven.

In lid 3 staat dat onder de feiten en omstandigheden, bedoeld in het tweede lid, onder a, mede worden begrepen de politiegegevens met betrekking tot de persoon ten aanzien van wie wordt overwogen een huisverbod op te leggen, voor zover de burgemeester deze gegevens behoeft in het kader van de afweging, bedoeld in het eerste lid.

In de bijlage van het Bth is een opsomming van de feiten en omstandigheden die de persoon betreffen ten aanzien van wie wordt overwogen om een huisverbod op te leggen.

Deze feiten en omstandigheden zijn opgenomen in het Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld (RiHG). Dit is een instrument waarmee de hulpofficier van justitie kan beoordelen of bij een situatie van huiselijk geweld een huisverbod moet worden opgelegd.

Ontvankelijkheid

Hoewel het huisverbod en de verlenging van het huisverbod ondertussen zijn verlopen, is de rechtbank van oordeel dat eiser nog belang heeft bij zijn beroep. De rechtbank overweegt daarbij dat een huisverbod, gelet op de gronden waarop dat wordt opgelegd, een publieke afwijzing van het gedrag van de uithuisgeplaatste impliceert. Vernietiging van het besluit kan om die reden voor eiser van meer dan principiële betekenis zijn (zie o.a. ECLI:NL:RVS:2016:1481).

Eiser heeft vervolgens tijdig beroep aangetekend.

Eiser is dan ook ontvankelijk in zijn beroep.

Inhoudelijke beoordeling

Vervolgens komt de rechtbank toe aan de beantwoording van de vraag of verweerder op grond van feiten en omstandigheden die zich voorafgaand aan het opgelegde huisverbod (en de verlenging) hebben voorgedaan ten minste een ernstig vermoeden heeft kunnen hebben dat de aanwezigheid van eiser in de woning een ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde voor de veiligheid van één of meer van zijn huisgenoten.

Uit het stelsel van de Wth volgt dat de rechter in de eerste plaats moet beoordelen of het huisverbod had mogen worden opgelegd en, ingeval het is verlengd, of het had mogen worden verlengd. Als het huisverbod nog geldt op de dag waarop de rechter zijn uitspraak doet, dient hij vervolgens — zoals hierboven reeds overwogen — in verband met artikel 6, derde lid, van de Wth te bezien of zich na de oplegging of de verlenging van het huisverbod feiten of omstandigheden hebben voorgedaan waaruit blijkt dat de dreiging van gevaar of het vermoeden daarvan zich ten tijde van de beoordeling door de rechter niet langer voordoet, zodat het niet gerechtvaardigd is het huisverbod te laten voortduren.

Het bij besluit van 28 april 2025 opgelegde, en bij besluit van 7 mei 2025 verlengde huisverbod geldt niet meer, aangezien het inmiddels is uitgewerkt. Daarom hoeft de rechtbank niet te beoordelen of er reden is het voortduren van het huisverbod te beëindigen en zijn, de feiten en omstandigheden die zich na het bestreden besluit hebben voorgedaan, in zoverre, niet van belang (zie ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 juli 2010, LJN BN1875).

Eiser heeft aangevoerd dat zowel bij de screening voor het huisverbod als bij de screening voor de verlenging van het huisverbod ten onrechte is aangenomen dat er sterke signalen waren voor de genoemde onderdelen.

Uit het document “Situatie ter plaatse” volgt dat de politie na een overlastmelding van de buren naar de woning is gegaan van eiser en de vrouw. Eiser erkende ruzie te hebben gehad met de vrouw. De politie constateerde dat de woning vol lag met etensresten en kapot gegooide spullen, waaronder de telefoon van eiser. De vrouw verklaarde dat zij door eiser was mishandeld. De politie zag bij de vrouw blauwe plekken en verdikkingen. Vervolgens is eiser aangehouden.

Uit het RiHG volgt dat de eiser is gehoord, nu in de opmerkingen zijn standpunten opgenomen zijn. In het RiHG staat dat de laatste maanden er meerdere meldingen en politie-interventies hebben plaatsgevonden tussen eiser en de vrouw. In het daarbij vermelde overzicht van meldingen, staan in de periode 31 januari 2021 tot 1 augustus 2024 acht meldingen opgenomen met de omschrijving “huiselijke twist”. Hoewel uit een buurtonderzoek, zoals opgenomen in het RiHG, naar voren kwam dat de buurt al jarenlang last had van onder meer geluids- en stankoverlast, waren daar geen meldingen van terug te vinden. Dat de meldingen waarnaar verwezen werd dan ook zouden zien op geluids- en stankoverlast, zoals door eiser aangevoerd, is niet juist. Uit het door eiser overgelegde (sfeer)proces-verbaal van bevindingen van 27 april 2025, volgt dat de politie meermaals naar de woning van eiser en de vrouw is geweest vanwege huiselijk geweld. Bij de melding van 1 augustus 2024 hebben de verbalisanten inderdaad aangegeven dat zij het vermoeden hadden dat de vrouw hen voor de kar spanden en de vrouw hen gebruikte om een signaal aan eiser te geven. Uit de melding van 18 september 2023 volgt echter ook dat de verbalisanten hebben geconstateerd dat eiser en de vrouw tegen elkaar schreeuwden en er met spullen was gegooid. Eiser had op dat moment ook zichtbaar letsel, terwijl de vrouw verklaarde veel pijn aan haar kaak te hebben. Ook staat vermeld dat beiden “elkaar bleven opzoeken” tijdens de gesprekken met de politie. De rechtbank is van oordeel dat uit de meldingen duidelijk wordt dat er sprake was van een ruzie/conflict binnen de privésfeer van de woning of het gezin van eiser en de vrouw, hetgeen verweerder – terecht – als sterk signaal aan kon merken.

Verder staat in het RiHG dat eiser heeft verklaard dat hij 2 tot 4 joints per dag rookt. Ook drinkt hij elke dag alcohol. Volgens de ademanalyse bedroeg het alcoholgehalte van eiser 610 ugl. De vrouw verklaarde dat zij elke dag een joint rookt.

Bij de tweede screening, betrekking hebbende op het verloop van het incident dat de aanleiding is te overwegen een huisverbod op te leggen (artikel 2 lid 2 onder b Bth) staat dat de vrouw heeft verklaard dat eiser haar tegen haar enkel heeft getrapt en zij veel pijn had aan haar enkel en gezicht. De verbalisanten hebben ook letsel bij de vrouw geconstateerd. Verder heeft het slachtoffer verklaard dat eiser haar een jaar eerder een gebroken kaak heeft geslagen. Eiser heeft ontkend de vrouw te hebben geslagen. Of het letsel door eiser is veroorzaakt hoeft in het kader van de oplegging van een huisverbod echter, zoals hierboven onder 3.5. overwogen, niet objectief vast zijn komen te staan. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester op grond van hetgeen de verbalisanten hebben opgenomen over de aangetroffen situatie, de verklaring van de vrouw én het bij de vrouw geconstateerde letsel, terecht is uitgegaan van een sterk signaal, in ieder geval ter zake lichamelijk geweld. Op pagina 5 van het RiHG staat dat op het adres de laatste jaren vaker meldingen van huiselijke twist in het systeem te lezen zijn. In de meest recente melding gaf de vrouw aan dat zij al elf jaar fysiek en emotioneel te worden mishandeld. Ook zou de vrouw om die redenen al eens in een Blijf van mijn lijf-huis hebben verbleven. Tijdens de mondelinge behandeling heeft verweerder erkend dat ten onrechte is uitgegaan van een sterk signaal omdat de kinderen getuige zouden zijn geweest van het geweld. De kinderen waren niet aanwezig, nu zij uithuisgeplaatst zijn. Uit hetgeen onder onderdeel 13 (geweldsverwachting) is vermeld, namelijk dat volgens de vrouw sinds 2014 het geweld toenam, zij eerder een gebroken kaak had en eiser zou drinken en vervolgens verbaal en fysiek agressief wordt, kan – naar het oordeel van de rechtbank – worden afgeleid dat bij een ongewijzigde situatie (waarbij de man drinkt en dan agressief wordt) wordt gevreesd voor toekomstig geweld.

Voor wat betreft de derde screening, gebaseerd op artikel 2 lid 2 onder c Bth, te weten de leefomstandigheden van eiser en de vrouw, derhalve de gezinsachtergronden, heeft verweerder ook diverse signalen meegenomen (en ook kunnen meenemen) in de afweging voor de oplegging van een huisverbod. Weliswaar lijkt het signaal dat er geen contact te maken is met het gezin, voor zover dat betrekking zou hebben op de periode kort voorafgaand aan het huisverbod, niet te kloppen, maar wel blijft dan het signaal dat er binnen het gezin veel ruzie is, overeind. Onder punt 17 (pagina 7 van het RiHG) staat verder dat eiser en de vrouw op 7 mei 2023 al hebben verklaard dat zij door hun ruzies en handtastelijkheden de kinderen (die uit huis zijn geplaatst) zijn kwijtgeraakt. Ruzies zouden al tien jaar duren. Beiden gaven aan dat ze al tien jaar klaar waren met de relatie en wilden scheiden. Die situatie was tot het moment van de derde screening niet veranderd.

Tenslotte staat bij de belangenafweging in het RiHG dat hulp in deze situatie dringend noodzakelijk is en een van de twee personen de woning zal moeten verlaten om hun patronen te doorbreken. Nu eiser de geweldpleger is ligt het, zo staat in het RiHG, in de lijn dat hij het huis moet verlaten conform de Wth.

Verweerder heeft bij de afweging of een huisverbod moet worden opgelegd, dan ook de in de bijlage van het Bth opgenomen feiten en omstandigheden, betrokken. Gelet op het voorgaande en op de voor verweerder beschikbare informatie, een en ander in onderlinge samenhang bezien, kon verweerder naar het oordeel van de rechtbank tot de conclusie komen dat er (op zijn minst) een vermoeden was van voortdurend huiselijk geweld tussen eiser en de vrouw. Gelet op het geconstateerde letsel bij de vrouw, kon verweerder terecht tot de conclusie komen dat de aanwezigheid van eiser in de woning een vermoeden van ernstig en onmiddellijk dreigend gevaar opleverde voor de vrouw. De rechtbank overweegt hierbij aanvullend dat het niet dient te gaan om concreet en daadwerkelijk ernstig en onmiddellijk dreigend gevaar, maar om een vermoeden hiervan. De rechtbank is alles in ogenschouw nemende van oordeel dat hiervan sprake is.

Eiser heeft aangevoerd dat, niet hij, maar de vrouw de pleger van het huiselijk geweld was, zowel tijdens de aanleiding voor het huisverbod als tijdens de gehele relatie. De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken duidelijk wordt dat er binnen het gezin tussen eiser en de vrouw sprake was van (regelmatig en jarenlang) huiselijk geweld. In een dergelijke situatie kan door middel van een huisverbod worden ingegrepen om verdere escalatie te voorkomen. Het is dan niet nodig dat vaststaat door wie van de huisgenoten het geweld is gepleegd (zie ook ECLI:NL:RVS:2022:1233).

Gelet op het vorenstaande en voormelde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, was verweerder aldus bevoegd was en in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om aan eiser een huisverbod op te leggen, om een afkoelingsperiode te creëren en verdere escalatie tussen hem en de vrouw te voorkomen. Voor de keuze om aan eiser en niet aan de vrouw het huisverbod op te leggen hoefde niet vast te staan dat eiser degene was van wie het geweld (vooral) was uitgegaan. Verweerder heeft bij het opleggen van het huisverbod aan eiser terecht meegewogen dat de vrouw geen sociaal netwerk en ook geen alternatieve verblijfsplek had, terwijl eiser dit wel had.

Uit de door verweerder overgelegde stukken is dan ook voldoende aannemelijk geworden dat er sprake was van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden, die ernstig en onmiddellijk gevaar oplever(d)en voor de veiligheid van de vrouw, zodat de besluitvorming van verweerder niet onzorgvuldig is. Ook is het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank is van oordeel dat de motivering in de beschikking, hoewel niet heel uitgebreid, wel voldoende dragend is voor het genomen besluit.

Verlenging huisverbod

Hiervoor heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder een huisverbod aan eiser heeft kunnen opleggen. De rechtbank dient thans te beoordelen of verweerder het huisverbod had mogen verlengen, doordat de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet.

Verweerder heeft het besluit tot verlenging van het huisverbod gebaseerd op het beleidsadvies ten behoeve van het verlengen/intrekken van een tijdelijk huisverbod. Uit het advies van het Zorg- en Veiligheidshuis Parkstad, maar ook uit de in het beleidsadvies opgenomen zienswijzen van eiser en de vrouw, volgt dat de meningen van beiden over zowel het verloop van de relatie en het aandeel van ieder hierin, als de toekomst van hun relatie en woonsituatie verschilden en zij niet (of onvoldoende) kijken naar het eigen aandeel in het geheel. Ook gaf eiser aan dat hij geen hulpverlening nodig zou hebben voor zijn alcohol en/of middelengebruik. Uit de RiHG volgt echter dat eiser zelf heeft verklaard iedere dag tussen de twee en vier joints te roken (p. 3 van het RiHG); hij iedere dag alcohol drinkt (p. 7 van het RiHG) en op 28 april 2025 het resultaat van de ademanalyse 610 U/gl betrof (p. 3 van het RiHG). Uit het Zorgadvies volgt verder dat eiser heeft verklaard dat hij 4 tot 6 biertjes drinkt per dag.

Doordat er geen vertrouwen was dat de juiste hulp zou worden geaccepteerd en (zo begrijpt de rechtbank) dat escalaties in de toekomst voorkomen zouden kunnen worden, was er nog steeds sprake dat de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich zou voortzetten. De periode van verlenging zou verder gebruikt worden om tijdens een terugkomgesprek opheldering te krijgen over (het visieverschil over) de toekomst van de relatie en woonsituatie), maar ook om te bezien dat de vrouw voldoende standvastig was om de door haar gewenste beëindiging van de relatie voort te zetten. Verder zou er meer tijd nodig zijn om te kunnen toewerken naar toereikende hulpverlening voor eiser en de vrouw.

De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken volgt dat de situatie na afloop van het eerste huisverbod nog niet, althans onvoldoende, was veranderd — er had nog geen terugkomgesprek plaatsgevonden en er waren nog geen (nadere) afspraken gemaakt -, zodat verweerder het huisverbod mocht verlengen en doorslaggevend gewicht mogen toekennen aan een verlenging van de afkoelingsperiode, ter voorkoming van verdere escalaties. Niet gebleken is dat de gevolgen van de verlenging van het huisverbod voor eiser niet onevenredig in verhouding stonden tot het met die verlenging gediende doel.

Verweerder heeft in de afweging tot verlenging van het huisverbod ook meegenomen dat eiser het contactverbod (mogelijk) had overtreden tijdens de periode van het huisverbod. Eiser heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat de vrouw echter degene was die als eerste berichten naar eiser zond (en deze later weer verwijderde), als gevolg waarvan hij ook in het strafrechtelijk kader schuldig verklaard is zonder straf. Uit de stukken volgt dat er contact is geweest tussen eiser en de vrouw tijdens het huisverbod, zodat om die reden al sprake is van een overtreding van het huisverbod. De rechtbank begrijpt dat eiser stelt dat de vrouw hem uitlokte tot contact, maar eiser had zo verstandig moeten zijn om niet te reageren op berichten van de vrouw.

Zoals hiervoor overwogen hoeft verder voor de keuze om aan eiser en niet aan de vrouw het huisverbod op te leggen niet vast te staan dat eiser degene was van wie het geweld (vooral) was uitgegaan. Datzelfde geldt, naar het oordeel van de rechtbank, ook voor de verlenging van het huisverbod, waarbij de rechtbank overweegt dat uit de stukken kan worden afgeleid dat ook de vrouw een aandeel heeft gehad in het in stand houden van de situatie en het huiselijk geweld. Dit verandert echter niets aan de omstandigheid dat de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich nog voortzette in de eerste periode van het huisverbod, door het verboden contact tussen eiser en de vrouw en het door eiser niet althans onvoldoende aanvaarden van hulpverlening.

Conclusie

De rechtbank zal het beroep ten aanzien van het huisverbod en de verlenging daarvan, dan ook ongegrond verklaren.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding, zodat dit verzoek wordt afgewezen.

4Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om verweerder in de proceskosten te veroordelen af.

Deze uitspraak is gegeven door mr. A.J.M. van Mil, rechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.A.W. Graus, griffier op 7 november 2025.

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS

VOOR STEMPELS!

Afschrift van dit proces-verbaal is gelet op artikel 8, lid 1, van de Wth verzonden.


Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.