ECLI:NL:RBMNE:2024:7723 Rechtbank Midden-Nederland , 30-07-2024 / UTR 24/3930
Pw, afwijzing verzoek om voorlopige voorziening, geen spoedeisend belang, geen evident onrechtmatig besluit, belangenafweging valt in nadeel verzoeker uit.
5 min de lecture · 967 mots
Inhoudsindicatie. Pw, afwijzing verzoek om voorlopige voorziening, geen spoedeisend belang, geen evident onrechtmatig besluit, belangenafweging valt in nadeel verzoeker uit.
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/3930
uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juli 2024 in de zaak tussen
[verzoeker] , te [plaats] , verzoeker,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder.
Procesverloop
Bij afzonderlijke besluiten van 2 april 2024 (de primaire besluiten) heeft verweerder vier aanvragen van verzoeker van 11 maart 2024 om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) voor de kosten van griffierecht afgewezen.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 21 mei 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van verzoeker tegen de vier primaire besluiten ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, geregistreerd onder zaaknummer UTR 24/4432. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de voorzieningenrechter uit waarom.
Vrijstelling griffierecht
2. Verzoeker heeft gevraagd om vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen. De voorzieningenrechter verleent die vrijstelling. Verzoeker hoeft dus geen griffierecht te betalen voor deze verzoeksprocedure.
Spoedeisend belang
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
4. De voorzieningenrechter heeft verzoeker in dit verband op 6 juni 2024 gevraagd om een onderbouwing van het spoedeisend belang met kopieën van bankafschriften van de afgelopen drie maanden, waarop het saldo beschikbaar is en met kopieën van aanmaningen en geschriften van een dreigende uithuiszetting (indien daarvan sprake is).
5. Op 17 juni 2024 heeft verzoeker in reactie hierop aangegeven dat hij als dakloze het griffierecht écht niet kan betalen. Hij heeft hierbij zes bankafschriften overgelegd die zien op 28 maart 2024, 30 april 2024 en 31 mei 2024. Verzoeker heeft de omschrijvingen van de af- en bijschrijvingen op de bankafschriften volledig zwartgelakt. Verder heeft verzoeker de uitkeringsspecificaties over februari 2024, maart 2024 en april 2024 ingebracht. Ook bijgevoegd is een bericht van 14 juni 2024 inzake een betalingsachterstand bij Zilveren Kruis van € 5.276,56, een bericht van EDR Incasso van 2 mei 2024 inzake een schuld van
€ 592,24 en een bericht inzake een termijnbetaling van € 40,- voor een openstaande rekening bij [bedrijf] B.V.
6. Omdat niet (geheel) aan het verzoek van 6 juni 2024 is voldaan, heeft de voorzieningenrechter op 3 juli 2024 nogmaals verzocht om een onderbouwing van het spoedeisend belang. Daarbij is uitdrukkelijk verzocht om bankafschriften zonder zwart gelakte delen.
7. In reactie hierop heeft verzoeker op 11 juli 2024 geschreven enerzijds geen geld te hebben om zijn bankafschriften uit te draaien en anderzijds in verband met zijn privacy geen bankafschriften zonder zwart gelakte delen in te dienen. Daarbij heeft verzoeker nogmaals gewezen op zijn inkomen en zijn lopende betalingstermijnen, voorzien van deels zwart gelakte prints van deze specifieke bij- en afschrijvingen.
8. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker niet heeft voldaan aan het verzoek van 6 juni 2024, herhaald op 3 juli 2024, om zijn gestelde spoedeisend belang te onderbouwing met kopieën van zijn bankafschriften van de afgelopen drie maanden. Verzoeker heeft volstaan met bankafschriften van drie specifieke dagen, waarop de beschrijvingen bij de af- en bijschrijvingen zijn zwartgelakt. Op de bankafschriften staan bijschrijvingen van
€ 86,95, € 10,—, € 70,- € 46,97 en € 40,-. Zonder nadere toelichting en zonder inzage in de beschrijving op de bankafschriften kan de voorzieningenrechter deze bijschrijvingen niet plaatsen en niet vast stellen of verzoeker meer (structurele) inkomstenbronnen heeft. Dat verzoeker geen eigen middelen heeft om de kosten voor het griffierecht te betalen dan wel de kosten voor de kopieën van de bankafschriften, volgt de voorzieningenrechter dan ook niet. Nog daargelaten de vraag of de betaling van de kosten voor het griffierecht noodzakelijk is om een onomkeerbare situatie te voorkomen. Niet gebleken is dat sprake is van spoedeisend belang.
9. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan de door hem gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op basis van de nu overgelegde stukken niet evident is dat het bestreden besluit geen stand zal kunnen houden.
10. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een spoedeisend belang en dat het bestreden besluit ook niet evident onrechtmatig is. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de belangenafweging in het voordeel van verzoeker te laten uitvallen. Het verzoek wordt afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J.J.M. Kock, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
30 juli 2024.
De voorzieningenrechter is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...