ECLI:NL:RBMNE:2025:3179 Rechtbank Midden-Nederland , 16-04-2025 / UTR 25/1932

Verzoek om voorlopige voorziening tegen openbaarmaking van een inspectierapport op grond van de Gezondheidswet. In het inspectierapport staan feitelijke onjuistheden en het is onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe.

Source officielle

18 min de lecture 3 910 mots

Inhoudsindicatie. Verzoek om voorlopige voorziening tegen openbaarmaking van een inspectierapport op grond van de Gezondheidswet. In het inspectierapport staan feitelijke onjuistheden en het is onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe.

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 25/1932

uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 april 2025 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigden: mr. A.C. Beijering-Beck en mr. T.R. Schroten),

en

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

(gemachtigde: mr. A. Harsma).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de vraag of de minister mag overgaan tot openbaarmaking van het rapport van 26 februari 2025 dat is opgemaakt door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) naar aanleiding van het inspectiebezoek op 30 oktober 2024 bij verzoekster bij de locatie die zich richt op wijkverpleging. Verzoekster vindt dat de minister dat inspectierapport niet openbaar mag maken. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.

De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. De voorzieningenrechter oordeelt dat er feitelijke onjuistheden in het inspectierapport staat en dat dit rapport onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Op 17 september 2024 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen bestuurders van verzoekster en de IGJ, naar aanleiding van de overname door verzoekster van een aantal cliënten en medewerkers van een andere thuiszorgorganisatie. De IGJ heeft verzoekster hiervan een conceptverslag gestuurd. Op 30 oktober 2024 heeft de IGJ een inspectiebezoek gebracht aan verzoekster, onder meer bij de locatie die zich richt op wijkverpleging. Op 5 november 2024 heeft wederom een gesprek plaatsgevonden tussen bestuurders van verzoekster en de IGJ. Vervolgens heeft de minister op 17 december 2024 een concept inspectierapport aan verzoekster verzonden. Verzoekster heeft hierop op 14 januari 2025 schriftelijk gereageerd. De IGJ heeft vervolgens het concept inspectierapport tekstueel aangepast en op 26 februari 2025 het inspectierapport definitief vastgesteld. De minister heeft diezelfde dag besloten (het bestreden besluit) tot openbaarmaking daarvan.

3. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit over de openbaarmaking van het rapport van het inspectiebezoek. Zij heeft daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen inhoudende een schorsing van het bestreden besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing van de minister op het bezwaar.

De minister heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 2 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [A] en [B] , bestuurders van verzoekster, de gemachtigden van verzoekster en de gemachtigde van verweerder. Verder waren namens verweerder aanwezig, senior inspecteurs [inspecteur 1] en [inspecteur 2] en jurist mr. [jurist] , allen werkzaam bij de IGJ,

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang

4. Verzoekster heeft verzocht het bestreden besluit — en daardoor de openbaarmaking — te schorsen tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. In de omstandigheid dat verzoekster wil voorkomen dat – naar haar mening – onjuiste informatie over verzoekster (onomkeerbaar) openbaar zal worden gemaakt, ziet de voorzieningenrechter een voldoende spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht. De minister heeft dit ook niet betwist.

Toetsingskader

5. Verweerder heeft de openbaarmaking gebaseerd op artikel 44, eerste lid, van de Gezondheidswet en artikel 3.1 van onderdeel II van de bijlage bij het Besluit openbaarmaking toezicht- en uitvoeringsgegevens Gezondheidswet en Jeugdwet (Besluit). Op grond van dit Besluit wordt binnen het kader van het toezicht op de Gezondheidswet informatie openbaar gemaakt over schriftelijk vastgestelde documenten van met toezicht belaste ambtenaren van de IGJ. Het gaat hierbij over de uitkomsten van controles en onderzoeken die zij in de uitoefening van hun taak hebben verkregen. Verzoekster valt als (thuis)zorgorganisatie onder de reikwijdte van de Gezondheidswet en het Besluit.

6. In beginsel is het de bedoeling van de wetgever dat inspectierapporten openbaar moeten worden gemaakt. Maar openbaarmaking blijft op grond van artikel 44a, negende lid, van de Gezondheidswet achterwege als dat in strijd is of zou kunnen komen met het doel van de wet in het kader waarvan de openbaarmaking plaatsvindt.

De doelen zijn geformuleerd in artikel 44, eerste lid van de Gezondheidswet en zijn: het bevorderen van naleving van de regelgeving, het inzicht geven aan het publiek in de wijze waarop dat toezicht en die uitvoering worden verricht en het inzicht geven in wat de resultaten van die verrichting zijn.

7. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 2 september 2020 het toetsingskader verder uiteen gezet. De Afdeling heeft overwogen dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat de toetsing van een openbaarmakingsbesluit door de bestuursrechter slechts beperkt kan zijn tot de vraag of voor de vaststellingen van feitelijke aard in het rapport een voldoende feitelijke basis aanwezig is. Met andere woorden: of de te openbare informatie correct is. De waardering van feiten en oordelen daarover maken geen deel uit van de door de bestuursrechter te verrichten toetsing, evenmin als conclusies die op die waarderingen en oordelen zijn gebaseerd. Een belangenafweging is niet aan de orde, tenzij het gaat om persoonsgegevens die in het openbaarmakingsbesluit zijn vermeld. In dat geval dient in het kader van artikel 8 van het EVRM te worden beoordeeld of de voorgenomen openbaarmaking geen ontoelaatbare inbreuk maakt op de in dit artikel vervatte bescherming van het privéleven.

8. Verzoekster kan zich niet vinden in het inspectierapport en dient daar, kort weergegeven, de volgende gronden tegen in:

a. Het inspectierapport bevat feitelijke onjuistheden;

b. Het inspectierapport is gebaseerd op een onzorgvuldig onderzoek;

c. Openbaarmaking is in strijd met het doel van art 44, eerste lid, van de Gezondheidswet, omdat het publiek onjuist wordt geïnformeerd;

d. Openbaarmaking leidt tot onherstelbare schade die niet in verhouding staat tot het belang van openbaarmaking.

Grond d.

9. De voorzieningenrechter merkt als eerste op dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat een individuele belangenafweging niet aan de orde is en dat dit ook een bewuste keuze van de wetgever geweest. Volgens de wetgever zullen de individuele belangen van instellingen niet opwegen tegen het belang van burgers en bedrijven om juist en volledig geïnformeerd te worden en daarom heeft hij bewust gekozen voor een gebonden karakter van openbaarmaking. Ook acht de wetgever hierbij van belang dat het maken van uitzonderingen in individuele gevallen zou kunnen leiden tot rechtsongelijkheid en het de waarde ondermijnt van de wel beschikbare informatie omdat daar geen eenduidige betekenis aan kan worden toegekend. In artikel 44, vijfde en zesde lid, van de Gezondheidswet, staan hierop een paar uitzonderingen genoemd, wanneer de individuele belangen dus wél opwegen tegen het belang van informatieverstrekking. Zo mag de openbaar te maken informatie in principe geen vertrouwelijke bedrijfs- en fabricagegegevens bevatten en zijn er beperkingen verbonden aan het openbaar maken van persoonsgegevens. Het door verzoekster onder d. gestelde belang valt hier niet onder en de rechtbank verricht daarom geen belangenafweging. Deze grond slaagt niet.

Grond a en b.

10. Verzoekster voert aan dat het inspectierapport feitelijke onjuistheden bevat (grond a) en gebaseerd is op onzorgvuldig onderzoek (grond b). De minister heeft namelijk onvoldoende gehoor gegeven aan verzoeksters correctieverzoeken op het conceptrapport, waardoor de publicatie van het definitieve inspectierapport veel onjuistheden bevat. Daarnaast heeft de minister het onderzoek op onzorgvuldige wijze uitgevoerd, doordat zij met slechts een beperkt aantal cliënten en zorgverleners heeft gesproken en deze gesprekken onjuist en/of onvolledig of zonder context in het rapport heeft weergegeven. De conclusies worden hierdoor niet gedragen door de motivering in het rapport. Ook stelt verzoekster dat de minister, IGJ, vermoedelijk vooringenomen was.

Is er voor de vaststellingen van feitelijke aard steeds een voldoende feitelijke basis aanwezig?

11. De voorzieningenrechter stelt op basis van het dossier vast, dat verzoekster in haar schriftelijke reactie van 14 januari 2025 heeft aangevoerd welke feitelijke onjuistheden het concept rapport volgens haar bevat en dat verweerder daarop heeft gereageerd bij brief van 26 februari 2025. Naar het zich nu laat aanzien is de minister in die brief ingegaan op alle door verzoekster aangevoerde punten en dat is als zodanig ook niet betwist. In de brief van 26 februari 2025 heeft de minister ook toegelicht wanneer en waarom er in haar ogen wel of geen aanleiding bestond om het concept rapport te wijzigen naar aanleiding van door verzoekster gestelde feitelijke onjuistheden. De minister heeft vervolgens aan de hand hiervan tekstuele aanpassingen gemaakt in het concept inspectierapport. De minister heeft door verzoekster voorgestelde wijzigingen niet doorgevoerd wanneer daar volgens de minister een onvoldoende feitelijke basis voor bestond.

12. De voorzieningenrechter zal de door verzoekster in de procedure gestelde feitelijke onjuistheden hierna bespreken.

— Aantal cliënten

13. In het inspectierapport is opgenomen dat verzoekster volgens haar bestuurders aan zo’n 120 tot 150 cliënten in de week zorg verleent. Volgens verzoekster verleende zij ten tijde van het onderzoek op 30 oktober echter slechts aan ongeveer 100 personen wijkverpleging. De minister stelt hierover in het verweerschrift dat de aantallen die verzoekster doorgaf tijdens de gesprekken met de IGJ wisselden en dat dit binnen de wijkverpleging voor kan komen, omdat het cliëntenaantal snel kan wijzigen. Daarom heeft de minister het aantal aangehouden dat tijdens het gesprek op 17 september 2024 aan haar is doorgegeven en in het gespreksverslag is vermeld.

14. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekster op 10 oktober 2024 door middel van een vragenlijst heeft doorgegeven dat zij 99 cliënten heeft. In een later gesprek en een later moment van gegevensuitwisseling zijn andere aantallen genoemd; van 75, 106 en 104 cliënten. De minister baseert het aantal van 120 tot 150 cliënten op het allereerste gesprek met de bestuurders van verzoekster op 17 september 2024. De voorzieningenrechter vindt dat dit gesprek in deze zaak niet een voldoende feitelijke basis biedt voor de door de minister genoemde aantallen en legt dat hierna uit.

De bestuurders van verzoekster zijn door de IGJ uitgenodigd voor een gesprek op 17 september 2024 naar aanleiding van de eerder vermelde overname. De bestuurders waren vooraf niet geïnformeerd over het doel van dit gesprek en de vragen die de inspecteurs gingen stellen. De bestuurders hebben zich daarom niet feitelijk kunnen voorbereiden en hadden bijvoorbeeld ook geen laptop meegenomen waarin zij (dit soort) gegevens konden opzoeken dan wel verifiëren. De bestuurders gingen kortom het gesprek tamelijk onvoorbereid in. De minister baseert het aantal cliënten in het inspectierapport op de in dat gesprek van 17 september 2024 door de bestuurders genoemde getallen (en noemt daarbij dat dit gesprek heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2024). Dit terwijl de bestuurders in latere gesprekken onderbouwd hebben aangegeven dat het om een kleiner aantal cliënten gaat. Met die latere informatie heeft de minister niets gedaan. De minister gebruikt het hoogst vermelde aantal cliënten genoemd in het gesprek van 17 september 2024 en legt verder niet uit waarom zij voor dat hoge aantal kiest, terwijl wel vermeld wordt dat de bestuurders dit hebben gezegd tijdens, zo leest de rechtbank het rapport, een van de gesprekken op 1 oktober 2024, 5 november 2024 of 15 november 2024. Los van de omstandigheid dat het gesprek op 17 september onvoorbereid tegemoet werd getreden door de bestuurders van verzoekster, was op dat moment in het geheel nog geen sprake van een onderzoek. Onder deze omstandigheden ontbeert het aantal door de minister genoemde cliënten dan ook een feitelijke basis.

— Opleidingsniveaus

15. In het inspectierapport is verder opgenomen dat verzoekster slechts medewerkers inzet die minimaal niveau 4 gekwalificeerd zijn. Verzoekster stelt dat de bestuurders dit niet zo hebben verklaard en dat het genuanceerder ligt. Verzoekster heeft aangegeven de voorkeur te geven aan verpleegkundigen die gekwalificeerd zijn op minimaal niveau 4, maar dit is niet een hard vereiste of ondergrens. Verzoekster heeft immers wijkverpleegkundigen van een thuiszorgorganisatie overgenomen met een opleidingsniveau 2 en 3. Niveau 2 geldt als ondergrens in de thuiszorg. Doordat de minister in het inspectierapport stelt dat verzoekster alleen medewerkers met niveau 4 inzet en daaraan toevoegt dat de overgenomen medewerkers dit niveau niet hebben, wordt geïmpliceerd dat verzoekster haar eigen interne normen niet naleeft. Dat is feitelijk onjuist.

De minister stelt hierover dat ook deze vaststelling volgt uit het gesprek van 17 september 2024 en dat verzoekster, als ze het daarmee niet eens was, had moeten reageren op het conceptgespreksverslag dat daarvan is opgesteld en aan haar is toegestuurd.

16. De voorzieningenrechter merkt op dat het in het inspectierapport gestelde over het opleidingsniveau, heeft geleid tot de op pagina 5 opgenomen zin ‘dat een deel van de medewerkers voor de wijkzorg dit niveau niet heeft’. De voorzieningenrechter stelt vast dat zij de input van de bestuurders niet zelf kan verifiëren. Ter zitting heeft verzoekster meegedeeld dat zij, in tegenstelling tot de minister, nog wel beschikt over de geluidsband van het gesprek op 17 september 2024. De voorzieningenrechter meent, anders dan verweerder, dat niet gezegd kan worden dat door het niet reageren op het conceptverslag de weergave van dit gesprek is komen vast te staan. Dit omdat het gesprek niet was voorbereid door verzoeksters en niet kenbaar was gemaakt dat het onderdeel zou uitmaken van het onderzoek door de IGJ. Partijen wordt daarom geadviseerd de geluidsband (samen) te beluisteren en, indien daaruit het door verzoekster gestelde blijkt, het verslag hierop aan te passen.

— Onplanbare zorg

17. In het inspectierapport is gesteld dat verzoekster volgens een cliënt en diens mantelzorger niet altijd op ongeplande momenten de zorg kan bieden. Verzoekster bestrijdt deze weergave. Zij verwijst ter onderbouwing van haar standpunt dat er wel (altijd) ongeplande zorg wordt geleverd naar bijlage I met screenshots uit rapportages over de bereikbaarheidsdienst en ongeplande zorg. Deze bijlage I is eerder bij de brief van 14 januari 2024 naar de IGJ verstuurd.

De minister schrijft hierover in het verweerschrift dat voor die stelling is afgaan op verklaringen van cliënten die hebben aangegeven dat op momenten dat zij om zorg vroegen door verzoekster is aangegeven dat dit niet mogelijk was (onder verwijzing naar pagina 10 van het inspectierapport).

18. De voorzieningenrechter leest op pagina 9 in de laatste alinea en verder op pagina 10 van het inspectierapport dat de minister de stelling over de onplanbare zorg heeft opgenomen in de waardering van norm 1.1 waarbij beoordeeld wordt of de cliënt de zorg krijgt die aansluit bij zijn actuele zorgbehoeften. De stelling is volgens het rapport gebaseerd op een verklaring van een cliënt en diens mantelzorger. Anders dan de minister in het verweerschrift onder randnummer 4.9 stelt, gaat het dus niet om verklaringen van cliënten (meervoud). De bestuurders van verzoekster hebben over deze specifieke cliënt gesteld dat hij cognitieve problemen heeft. De voorzieningenrechter acht dat niet onaannemelijk, omdat de minister in het verweerschrift onder randnummer 4.11 stelt, dat de inspecteurs het cliëntperspectief van een cliënt met dementie hebben laten verwoorden door zijn echtgenote. Als die passage betrekking heeft op deze cliënt, dan gaat het dus om één verklaring van een mantelzorger op grond waarvan de minister zijn stelling over onplanbare zorg baseert. Hierbij acht de voorzieningenrechter in verband met de zorgvuldigheid nog van belang dat verweerder tijdens de zitting ten aanzien van één (van de bevraagde) cliënten heeft verklaard dat niet aan de hand van het dossier is gekeken of de zorgvraag die hij heeft ook de zorg betreft waarvoor hij in aanmerking komt. Dit laat ruimte voor de mogelijkheid dat het kan gaan om een andere zorgbehoefte dan de zorg die binnen de 24 uurs (Wet langdurige zorg, hierna Wlz) zorg geleverd moet worden (verzoekster heeft namelijk onbetwist op zitting aangegeven dat beide bevraagde patiënten Wlz zorg ontvangen). Omdat de minister geen gespreksverslagen en geen zorgovereenkomsten heeft overgelegd, beschikt de voorzieningenrechter over onvoldoende informatie om te verifiëren of sprake is van een voldoende feitelijke basis voor de feitelijke vaststellingen van de minister op dit punt. Ook dit moet nader worden uitgezocht en/of weergegeven door de minister.

— Gesprekken met cliënten

19. In het inspectierapport op pagina 10, bij de beoordeling van norm 1.2, heeft de minister vermeld met drie cliënten gesproken te hebben. Verzoekster stelt dat dit feitelijk onjuist is. Volgens verzoekster heeft de IGJ gesproken met twee cliënten en daarnaast telefonisch met de echtgenote van één van de cliënten (die cognitief achteruit gaat) en die in het inspectierapport elders ook wel wordt aangeduid als mantelzorger. De echtgenote is echter niet de vertegenwoordiger van die cliënt en is zelf ook geen cliënt. De weergave van (het aantal) ‘cliëntengesprekken’ is daardoor feitelijk niet juist.

De minister stelt hierover in het verweerschrift onder 4.11 dat zij het clientperspectief van één cliënt met dementie hebben laten verwoorden door diens echtgenote, zodat de bevindingen nog steeds gestoeld zijn op drie cliëntervaringen.

20. De voorzieningenrechter is van oordeel, dat los van de vraag of de echtgenote een (wettelijk) vertegenwoordiger is van de cliënt met dementie, zij wel heeft verklaard over wat zij ervaart en de IGJ dit heeft kunnen presenteren als een verklaring vanuit een cliënt(perspectief). De voorzieningenrechter meent wel dat de minister zorgvuldiger de aanduiding van de personen met wie is gesproken, had moeten weergegeven, zodat het controleerbaar is voor een ieder. Nu staat er bij de bespreking van norm 1.2 dat gesproken is met drie cliënten, terwijl dit er feitelijk twee zijn. Bij de bespreking van norm 1.1 wordt een mantelzorger genoemd, en bij de bespreking van norm 2.1 worden twee mantelzorgers genoemd, terwijl bij de bespreking van norm 1.1 en 2.2. een cliëntvertegenwoordiger wordt genoemd. Niet duidelijk is met hoeveel mantelzorgers is gesproken en of deze dan ook worden aangeduid als cliëntenvertegenwoordigers of dat deze laatste groep andere mensen betreft. Deze vaststellingen van feitelijke aard hebben daardoor geen feitelijke basis.

21. Verzoekster stelt verder dat de op pagina 13 van het inspectierapport aangehaalde verklaring van een cliënt (in het kader van de beoordeling van norm 2.3) inhoudende dat verzoekster geen contact heeft met de fysiotherapeut, aantoonbaar onjuist is. Dit volgt volgens verzoekster uit de door haar op 14 januari 2025 overgelegde bijlage G, te weten de (relevante) overzichten uit het dossier van deze cliënt.

De minister stelt hierover in het verweerschrift onder 4.12 primair, dat het perspectief van de cliënt is opgenomen en het daarom geen feitelijke onjuistheid is. Daarnaast zijn er volgens de minister geen contactgegevens van de fysiotherapeut in het dossier van deze cliënt terug te vinden en ziet de minister ook in andere dossiers de samenwerking en afspraken met externe zorgverleners slechts beperkt terug. Verder heeft de minister zich ten aanzien van het contact en de samenwerking met externe hulpverleners (pagina 13 van het inspectierapport) ook gebaseerd op dossierinzage en een gesprek met de wijkverpleegkundige.

22. De voorzieningenrechter stelt vast dat het weergeven van het perspectief van een cliënt, zoals verweerder ook stelt, niet een feitelijke onjuistheid is. Over de door verzoekster geleverde objectieve informatie die de inhoud van deze verklaring zou bestrijden, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. De minister heeft in zijn onderbouwing van de norm 2.3 ‘de cliënt ontvangt integrale zorg doordat de zorgverleners samenwerken met zorgverleners van andere zorgorganisaties’ opgenomen dat de cliënt vertelt dat de fysiotherapeut geen contact heeft met verzoekster en dat de inspectie in het dossier van de cliënt de contactgegevens van de fysiotherapeut niet terug ziet. De door verzoekster in randnummer 21 genoemde verklaring is door de minister in de beoordeling van norm 2.3. daarnaast aangevuld met feitelijke informatie uit de cliëntdossiers, waarin ze samenwerking en afspraken met externe zorgverleners slechts beperkt terug zien, en met een gesprek met de wijkverpleegkundige. Verzoekster heeft tegen die laatste bronnen niets ingebracht. Daarnaast blijkt uit de door verzoekster overgelegde informatie niet dat het telefoonnummer van de fysiotherapeut wel in het dossier van de betreffende patiënt is opgenomen. Deze vaststelling heeft aldus een feitelijke basis.

— Wtza-toelatingsvergunning en intern toezichthouder

23. Verzoekster voert aan dat de minister ten onrechte in het inspectierapport heeft opgenomen dat niet zou zijn getoetst aan de Wtza.

24. De minister heeft toegelicht dat er voor norm 5.4 ‘de zorgaanbieder heeft (indien vereist) een Wtza-toelatingsvergunning en een interne toezichthouder’, drie toetsingscriteria zijn. Het derde toetsingscriterium gaat over de vraag of de leden van de interne toezichthouder onafhankelijk zijn van elkaar en ten opzichte van de dagelijkse leiding. De minister heeft dit niet kunnen toetsen, omdat zij daar geen informatie over had. De voorzieningenrechter oordeelt dat dit geen feitelijke onjuistheid betreft.

Is het onderzoek voldoende zorgvuldig tot stand gekomen?

25. De voorzieningenrechter heeft hiervoor vastgesteld dat er feitelijke onjuistheden bestaan ten aanzien van in ieder geval het aantal in het rapport vermelde cliënten en de gesprekken met cliënten en mogelijk feitelijke onjuistheden ten aanzien van opleidingsniveaus en onplanbare zorg. Dat houdt in dat het rapport in zoverre niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Ook ziet de voorzieningenrechter aanleiding om op andere gronden te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het onderzoek. Zo bestaat het cliëntenbestand van verzoekster onweersproken voor 95% uit cliënten die lichte zorg ontvangen. In dat licht bezien vraagt de voorzieningenrechter zich af of de minister met een representatieve vertegenwoordiging van het cliëntenbestand heeft gesproken. Zoals al eerder aangegeven beschikt de voorzieningenrechter echter over onvoldoende informatie om dit te verifiëren.

26. Wat betreft de door verzoeksters geuite vermoeden van vooringenomen, merkt de voorzieningenrechter op dat zij daartoe geen aanknopingspunten ziet in het dossier.

27. Gelet op het oordeel over de hiervoor besproken gronden behoeft grond c geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

28. Uit het voorgaande volgt dat in bezwaar het bestreden besluit naar verwachting niet zonder nadere motivering in stand kan blijven, zodat er aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt daarom toegewezen. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het besluit van 26 februari 2025 te schorsen tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op het bezwaarschrift van verzoekster.

29. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet verweerder het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Ook krijgt verzoekster om dezelfde reden een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,- en een wegingsfactor 1. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

— schorst het primaire besluit tot openbaarmaking tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

— bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 385,- aan verzoekster moet vergoeden;

— veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2025.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

  1. ECLI:NL:RVS:2020:2089, overweging 8 en verder.
  2. Verdrag tot bescherming van de rechten voor de mens en de fundamentele vrijheden.
  3. Zie overweging 9 in de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2020 als genoemd in noot 1 en Kamerstukken II, 2014-2015, 34 111, nr. 3, p.10.

Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.