ECLI:NL:RBNHO:2025:12819 Rechtbank Noord-Holland , 17-10-2025 / C/15/368671 / JU RK 25-1150
Afwijzing van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling. De ondertoezichtstelling is in dit geval niet effectief gebleken en daarom niet van toegevoegde waarde.
7 min de lecture · 1 442 mots
Inhoudsindicatie. Afwijzing van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling. De ondertoezichtstelling is in dit geval niet effectief gebleken en daarom niet van toegevoegde waarde.
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/368671 / JU RK 25-1150
Datum uitspraak: 17 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
gezamenlijk te noemen: de ouders.
1Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen van 8 augustus 2025;
het e-mailbericht van de moeder, ontvangen op 17 oktober 2025.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
— de vader;
— de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] .
De moeder was niet aanwezig. De kinderrechter stelt vast dat zij wel juist is opgeroepen.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld.
2De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
[de minderjarige] woont bij de moeder.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 4 november 2024 [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 4 november 2025.
3Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De GI heeft het verzoek als volgt – samengevat – onderbouwd. Er is nog steeds sprake van een ontwikkelingsbedreiging. De doelen van de ondertoezichtstelling zijn onvoldoende behaald. Het is nog onduidelijk of de moeder voldoende beschikbaar is voor [de minderjarige] en voldoende biedt wat [de minderjarige] nodig heeft om tot ontwikkeling te komen. De vader is nog maar beperkt betrokken in de opvoeding van [de minderjarige] en de stimulering in zijn ontwikkeling. Ook wordt de lichamelijke ontwikkeling van [de minderjarige] nog onvoldoende in goede banen geleid. Tot slot is nog steeds sprake van overmatig schoolverzuim.
De opvoedsituatie van [de minderjarige] is nog altijd kwetsbaar, aldus de GI.
De GI heeft hieraan ter zitting toegevoegd dat de vaste jeugdbeschermer sinds januari 2025 betrokken is. Sindsdien is veel ingezet om überhaupt in contact te komen met de moeder. Door de moeder en [de minderjarige] zijn namelijk veel afspraken afgezegd of verplaatst. De GI is bang dat zonder de ondertoezichtstelling geen kans meer is om nog hulpverlening voor [de minderjarige] en de moeder op te starten.
4De standpunten
De moeder heeft schriftelijk naar voren gebracht dat de GI weinig van zich heeft laten horen en tussendoor nooit heeft gevraagd wat zij voor haar en [de minderjarige] kan betekenen. De moeder en [de minderjarige] wachten nu op een afspraak die door de GI is afgezegd.
De vader heeft ter zitting naar voren gebracht dat het contact met [de minderjarige] nu goed is. Hij wil graag op de hoogte worden gehouden door school en de GI, zodat hij van tevoren weet wat er aan de hand is. De vader wil zijn vaderrol pakken en alles doen om [de minderjarige] te helpen, zoals een sport- of schoolcontrole en [de minderjarige] zelf naar school brengen.
5De mening van [de minderjarige]
heeft verteld dat het beter met hem gaat. Hij gaat elke dag naar school en sport met de moeder. Het contact met de vader vindt hij fijn. [de minderjarige] had meer hulp van de GI verwacht het afgelopen jaar.
6De beoordeling
De kinderrechter overweegt dat drie van de vier genoemde ontwikkelingsbedreigingen van [de minderjarige] zoals geconstateerd in de beschikking van 4 november 2024 nog onverkort aanwezig zijn. De relatie tussen de ouders lijkt immers gestabiliseerd te zijn en de vader is nu actief aanwezig in het leven van [de minderjarige] . Het is de kinderrechter niet gebleken dat de moeder zich verzet tegen de omgang van [de minderjarige] met de vader noch dat de GI zorgen heeft over de vader. Deze bedreiging in de ontwikkeling van [de minderjarige] is dan ook voldoende weggenomen. De kinderrechter overweegt verder dat, hoewel [de minderjarige] tijdens het kindgesprek een ander beeld schetste, nog steeds sprake is van veel schoolverzuim, ook in dit nieuwe schooljaar. Daarnaast blijven de zorgen over de lichamelijke gezondheid van [de minderjarige] bestaan. De kinderrechter stelt vast dat het de moeder niet is gelukt om hier verandering in aan te brengen. Het is dan ook de vraag of de moeder – waarschijnlijk vanwege haar eigen problematiek – wel voldoende beschikbaar is voor [de minderjarige] om hem te stimuleren in zijn ontwikkeling.
Waar de moeder ten tijde van de vorige beschikking inzag dat hulpverlening vanuit een gedwongen kader nodig was en zij gemotiveerd leek daaraan mee te werken, is inmiddels gebleken dat dat niet het geval is.
Dit gezin is sinds 2011 in beeld bij hulpverleningsinstanties. Sindsdien is geprobeerd diverse ondersteuning in te zetten, maar telkens zonder goed resultaat. Net als tijdens de vorige zitting, zegt de moeder wel dat zij hulp wil en zal accepteren, maar vervolgens houdt ze het contact af en het lukt de hulpverlening niet om een blijvende ingang bij haar te vinden. De ondertoezichtstelling heeft geen verandering in de situatie gebracht. [de minderjarige] en de moeder hebben aangegeven dat de GI niet actief genoeg is geweest het afgelopen jaar en dat zij meer hulp van de GI hadden verwacht. Tegelijkertijd heeft de GI aangegeven dat door zowel [de minderjarige] als de moeder vaak afspraken werden afgezegd of verplaatst. Hoe dan ook, de huidige situatie is dat – ondanks jarenlange inzet van verschillende hulpverlenende organisaties – de samenwerking en hulpverlening onvoldoende van de grond is gekomen. De GI vraagt verlenging van de ondertoezichtstelling om hulpverleningsorganisaties SIG en Unalzorg in te schakelen. De moeder heeft in 2023 hulp van SIG geaccepteerd en zij leek daar nu ook voor open te staan. De kinderrechter constateert echter dat het de GI niet is gelukt deze hulpverlening het afgelopen jaar in te zetten. Desgevraagd heeft de GI niet kunnen uitleggen waarom dit bij een verlenging van de ondertoezichtstelling anders zou zijn.
Hoe lastig ook, een verlenging van de ondertoezichtstelling is in dit geval niet het middel om de ontwikkelingsbedreiging bij [de minderjarige] weg te nemen. De kinderrechter overweegt daarom dat gekeken moet worden naar andere effectieve middelen daarvoor
De kinderrechter overweegt dat [de minderjarige] op school hulp krijgt van de trajectbegeleider, die hem goed lijkt te kunnen ondersteunen. De vader, die lange tijd geen substantiële rol als opvoeder in het leven van [de minderjarige] heeft gespeeld, is inmiddels zeer betrokken bij [de minderjarige] . [de minderjarige] en de vader hebben regelmatig contact met elkaar en de vader is ervan doordrongen dat er iets moet gebeuren om de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] af te wenden. De vader heeft laten merken zijn rol graag te willen oppakken en ondersteuning te willen bieden aan [de minderjarige] waar dat nodig is. Het contact tussen [de minderjarige] en de vader is goed en de vader lijkt een ingang te hebben gevonden bij [de minderjarige] . De kinderrechter hoopt dat het [de minderjarige] – die inmiddels zestien jaar is en daarom ook de verantwoordelijkheid kan dragen voor zijn gezondheid en schoolgang – met ondersteuning van de trajectbegeleider op school en stevige ondersteuning van zijn vader, gaat lukken om voor zichzelf het tij te keren.
Hoewel de zorgen om de ontwikkeling van [de minderjarige] nog bestaan en een ondertoezichtstelling daarom passend zou zijn, is de kinderrechter van oordeel dat in dit geval de ondertoezichtstelling niet effectief is gebleken en daarom niet van toegevoegde waarde is. Hiermee is een verlenging niet in het belang van [de minderjarige] . Dit betekent dat het verzoek wordt afgewezen.
7De beslissing
De kinderrechter:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.K. Meriku, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. E.E. ten Kate als griffier, en vastgesteld en ondertekend op 28 oktober 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...